LWEO

Errata Vwo


lopende jaargang

Mocht u fouten ontdekken in onze lesbrieven, mailt u deze dan naar postbus@lweo.nl zodat wij ze bij een volgende druk kunnen verbeteren. Bij voorbaat dank.
De lesbrieftitels verwijzen naar de actuele druk. Daarnaast ook per drukjaar.

Errata vwo 2017-2018

Vraag en Aanbod, 3e druk 2017

Opdracht 4.18: De aanbodfunctie moet zijn Qa = 0,2P – a.

Bij opdracht 4.25 staat bij de extra gegevens 2e bolletje dat de ijscoman € 4.200 aflost. Dat moet zijn € 200.

 

Marktgedrag, 1e druk 2017

Aan de regel boven opdracht 2.6 moet achter q is het aantal jacks toegevoegd worden × 1.000.

 

Mobiliteit, 2e druk 2017

Bij opdracht 3.25 de laatste twee zinnen van de inleidende tekst doorstrepen: Tegelijkertijd wordt de belasting op frisdrank aanzienlijk verlaagd. De effecten van beide belastingmaatregelen op de markt van alcoholhoudende drank zijn in figuur 3.17 weergegeven.

 

Arbeid, 1e druk 2017

Het antwoord van opdracht 2.3d moet zijn:
Inkomen 2000 = 1987 × $ 5,34 = $ 10.610,58.
Inkomen 2012 = 1889 × $ 9,65 = $ 18.228,85.
Het nominale inkomen is gestegen met (18.228,85 – 10.610,58)/10.610,58 × 100% = 71,8%. NIC is dan 171,8.
Het prijsindexcijfer in 2012 is 100 × 1,0212 = 126,8.
RIC = (NIC/PIC) × 100 = (171,8/126,8) × 100 = 135,5. De koopkracht is met 35,5% gestegen.

Bij Hints het antwoord bij 2.3d vervangen door 35,5%.

oudere drukken

Errata vwo 2016-2017

Arbeid
2.3e Het antwoord op vraag 2.3e is niet volledig. Het juiste antwoord moet zijn:.
Stel het prijsindexcijfer in het basisjaar (2000) op 100. Dan is het prijsindexcijfer in 2012 100 × 1,0212 = 126,8.
De index van het nominale uurloon in 2000 = 100. In 2012 is dit 9,65/5,34 × 100 = 180,7.
RIC = (NIC/PIC) × 100 = 180,7/126,8 × 100 = 142,5. De koopkracht per gewerkt uur is 42,5% gestegen. Het aantal gewerkte uren is echter gedaald, van 1987 naar 1889. Stellen we de index van dit aantal gewerkte uren in 2000 op 100 dan daalt deze index naar 1889/ 1987 x100 = 95,07.
Tenslotte stellen we de koopkracht van het totaalaantal gewerkte uren in 2000 op 100. Deze index wordt 142,5 x 95,07/ 100 = 135,5 Dit betekent een stijging van 35,5%.
Opmerking: een berekening zonder indexcijfers kan ook juist zijn.

Levensloop
2.19d  Het antwoord op de vraag  moet zijn:
Op die leeftijd is het gecumuleerde bedrag van de vroeg- en de laatverdiener dat beschikbaar is voor consumptie even groot. Dit betekent dat het, als ze die leeftijd bereikt, wat betreft het
totale bedrag voor consumptie niets zou uitmaken of ze meteen gaat werken of eerst studeert.

De uitwerking van opdracht 2.20 is fout. Dat moet zijn:

thuiswonend uitwonend
kosten levensonderhoud € 415 € 815
boeken € 55 € 55
collegegeld € 162,50 € 162,50
reizen € 100 € 100
totaal € 732,50 € 1.132,50

 

4.13  Antwoord moet zijn: 1.836/4.282 × 100% = 43%.

4.17b Antwoord moet zijn (ook bij Hints):
Een belastbaar inkomen van € 14.000 valt helemaal in de eerste schijf. Het tarief is daarvan 36,5%. Het voordeel bedraagt 36,5% van € 5.000 = € 1.825.

4.19 Antwoord moet zijn (ook bij Hints):
4.19a
Anne: 28,15% van € 33.589 = € 9.455.
Karel: 28,15% van € 33.589 = € 9.455.
4.19b
Anne: € 9.455 / € 50.000 x 100 = 18,91%.
Karel: € 9.455 / € 100.000 x 100 = 9,46%.

 

Lesbrief Vraag & Aanbod 2e druk 2016
Op blz. 63 begint de zelftest met opdracht 4.11. Dat moet zijn 4.13.

Opdracht 6.22 : begin jaar 2 € 5.000 wordt bijgestort. Dat moet zijn begin jaar 11.

 

Lesbrief Economische Crisis 2e druk 2016
Blz. 30, aan de kennenlijst toevoegen: afremmend beleid.

Blz. 125, voorlaatste regel: Inflatie moet deflatie zijn, dus: De deflatie wordt niet veroorzaakt door de lonen,

Blz. 126, opdracht 7.13f. f: Markeer in figuur 7.11 het punt op de Phillipscurve waar de economie in de VS zich bevindt.
Het punt ligt namelijk niet op de Phillipscurve.

Blz. 130, Hint bij 7.2e moet zijn: Doorstrepen: kleiner, kleiner, hogere.

Uitwerkingen
opdracht 5.7c Er staat :reële rente -1%. Er moet staan: reële rente +1%.

7.2e Antwoord moet zijn: Een stijging van het prijspeil gaat gepaard met een groter geaggregeerd aanbod, een groter reëel bbp en een lagere werkloosheid.

Uitwerkingen zelftest
7.13e: toevoegen: De impuls wordt dus versterkt.
7.13f. Zie figuur. Het punt (5,0).

Lesbrief Arbeid 1e druk 2014

De opdrachten 1.11, 2.3d en 2.19c komen te vervallen.

 

Lesbrief Ongelijkheid 1e druk 2016

Blz. 12, figuur 1.6. De letters X en Y zijn verwisseld.

Blz. 12, opdracht 1.13a is niet te berekenen. Deze opdracht komt te vervallen.

Blz. 34, figuur 4.3. Kapitaalinkomen en arbeidsinkomen zijn verwisseld. De doorgetrokken lijn is het arbeidsinkomen en de stippellijn is het kapitaalinkomen.

Uitwerkingen Ongelijkheid

1.13a komt te vervallen.


 

 

 

Levensloop  2013/2
De uitwerking van opdracht 4.11c moet zijn:

Knipsel

Vraag & Aanbod 2015
vraag 6.2b in het uitwerkingenboekje moet zijn:
Dalen. Bij een ruime arbeidsmarkt is de vraag klein in verhouding tot het aanbod. Bedrijven kunnen makkelijk aan personeel te komen en willen lagere lonen betalen. Werklozen zullen eerder een lager loon accepteren als ze daardoor weer aan werk komen.

Mobiliteit 2014
1.15 Het antwoord op vraag 1.15 van de zelftest moet D zijn, zoals het ook in de docentenhandleiding staat. Voor alle duidelijkheid: abusievelijk heeft hier bij de errata enige tijd A gestaan.

3.3l Uitwerking 3.3l op blz. 16. De figuur was niet helemaal duidelijk. Hieronder de juiste figuur.

Mobiliteit uitwerking opgave 3.31

Arbeid 2015-16
Opdracht 2.3d en opdracht 2.19c moeten vervallen.

Arbeid 2014
Het CBS hanteert vanaf 1 januari 2015 een nieuwe definitie van werkloosheid. Volgens het CBS tellen mensen als werkloze mee als ze geen werk hebben en werk zoeken voor minimaal één uur per week. De beroepsbevolking is door de gewijzigde definitie groter geworden. Voortaan telt iedereen mee die minimaal één uur per week betaald werk verricht. Door de gewijzigde definitie is het werkloosheidspercentage gedaald, omdat het noemereffect groter is dan het tellereffect.

Arbeid   2014 Uitwerkingen
Opdracht 3.2  De juiste uitwerking is: 95,4/106,8 × 100 ─ 100 = -10,7. Dus een afname van 10,7%.

Wereldeconomie 2012
Op bladzijde 44 de regel boven opdracht 4.10d. Daar staat juli 2008 en dat moet zijn april 2008.
Op bladzijde 73: Exclusief moet zijn inclusief aflossingen.
Hints
4.14a Hier moet staan: LR: 1 en 3, KR 2, 4 en 5.
Uitwerkingen wereldeconomie
Bladzijde 3, opdracht 1.6a: B = 6,31 yuan.

Kleding 2013/2
Grafiek 2.5 is fout. Deze moet als volgt zijn:
Lesbrief Kleding01

Uitwerkingen Kleding
2.10b 3e regel: Vraagverandering = (20.000 – 30.000)/30.000 × 100% = -33,3%. Dus daalt  de gevraagde hoeveelheid met 33,3%.
2.14c Toevoegen: De vraaglijn loopt dus verticaal.
3.19e Voor de laatste regel invoegen:  LEa = %Δ aanbod / %Δ loon → 0,5 = 13,6 / %Δ loon → %Δ loon = 13,6 / 0,5 =  27,2%.  Het loon zal dus met 13,6%/0,5 = 27,2% moeten toenemen.
4.16 TO = P × q = 16 × 12 = 192; TK = 0,5 × 122 + 4 × 12 + 40 = 72 + 48 + 40 = 160.
4.17 TW = 16q – 0,5q2 – 4q – 40 = -0,5q2 + 12q – 40 → TW’ = -q + 12.
6.9a Door een capaciteitsuitbreiding kan de productie toenemen en dat  kan leiden tot verdere schaalvoordelen. De constante kosten  kunnen  dan over een groter aantal producten worden verdeeld.

 
Erratalijst Vwo 2012/2013/2014

Uitwerking Economische Crisis
Bij opdracht 2.18 moet staan: Bij een crisis daalt de afzet, de productie en de werkgelegenheid.

Lesbrief Levensloop 2014: Aanvulling Levensloop hoofdstuk 4: KLIK HIER

Lesbrief Vraag & Aanbod druk 2014
Op blz. 44 is afleider D van opdracht 3.23 fout. Er had moeten staan: GVK = 1,5q + 3 en MK = 3q + 3.

Lesbrief Mobiliteit druk 2014
Het antwoord op vraag 1.15 van de zelftest staat foutief in de docentenhandleiding. Het antwoord moet A zijn.
Uitwerking 3.3l op blz. 16. De figuur was niet helemaal duidelijk. Hieronder de juiste figuur.

Mobiliteit uitwerking opgave 3.31
Lesbrief Levensloop
Blz. 60: de zin boven opdracht 4.10 ‘Ze betaalt maandelijks € 409 aan hypotheekrente.’ moet doorgestreept worden.

Lesbrief Arbeid 2014 (antwoorden Zelftest)
Op pagina 138 bij 2.27b staat: “De beroepsbevolking = 750.000 + 500.000 = 8.000.000. Dit klopt natuurlijk niet. 750.000 moet zijn 7.500.000.

Lesbrief Arbeid 2014
Het CBS hanteert vanaf 1 januari 2015 een nieuwe definitie van werkloosheid. Volgens het CBS tellen mensen als werkloze mee als ze geen werk hebben en werk zoeken voor minimaal één uur per week. De beroepsbevolking is door de gewijzigde definitie groter geworden. Voortaan telt iedereen mee die minimaal één uur per week betaald werk verricht. Door de gewijzigde definitie is het werkloosheidspercentage gedaald, omdat het noemereffect groter is dan het tellereffect.

Lesbrief Arbeid
Opdracht 3.5b moet luiden:
Beredeneer of ondernemingen bij nieuwe investeringen kiezen voor een arbeidsintensievere of een kapitaalintensievere productie als de kapitaalkosten gelijk blijven en de arbeidskosten per uur dalen.
Bij opdracht 4.28a staat a. Bereken met hoeveel procent de gemiddelde arbeidsproductiviteit reëel steeg in 2013 ten opzichte van 2010. Dat moet zijn ten opzichte van 2012.
Bij opdracht 5.18c moet het negatieve verband van onderdeel 2 verklaard worden. In de regel boven vraag 5.18e wordt verwezen naar onderdeel b. Dat moet zijn onderdeel 2.
Op blz. 35 staat onder tabel 3.2 bij het 2e toelichtingspuntje een foute formule. De juiste formule luidt: Indexcijfer productiewaarde = (indexcijfer productievolume × prijsindexcijfer) / 100%.

Uitwerkingen boekje Lesbrief Arbeid  druk 2014
Opdracht 3.2  De juiste uitwerking is: 95,4/106,8 × 100 ─ 100 = -10,7. Dus een afname van 10,7%.

 

Lesbrief Wereldeconomie 2013
Op bladzijde 44 de regel boven opdracht 4.10d. Daar staat juli 2008 en dat moet zijn april 2008.
Op bladzijde 73: Exclusief moet zijn inclusief aflossingen.
Hints
4.14a Hier moet staan: LR: 1 en 3, KR 2, 4 en 5.
Uitwerkingen wereldeconomie
Bladzijde 3, opdracht 1.6a: B = 6,31 yuan.

Lesbrief Kleding 2013
Grafiek 2.5 is fout. Deze moet als volgt zijn:
Lesbrief Kleding01

 

Uitwerkingen Kleding
2.10b 3e regel: Vraagverandering = (20.000 – 30.000)/30.000 × 100% = -33,3%. Dus daalt  de gevraagde hoeveelheid met 33,3%.
2.14c Toevoegen: De vraaglijn loopt dus verticaal.
3.19e Voor de laatste regel invoegen:  LEa = %Δ aanbod / %Δ loon → 0,5 = 13,6 / %Δ loon → %Δ loon = 13,6 / 0,5 =  27,2%.  Het loon zal dus met 13,6%/0,5 = 27,2% moeten toenemen.
4.16 TO = P × q = 16 × 12 = 192; TK = 0,5 × 122 + 4 × 12 + 40 = 72 + 48 + 40 = 160.
4.17 TW = 16q – 0,5q2 – 4q – 40 = -0,5q2 + 12q – 40 → TW’ = -q + 12.
6.9a Door een capaciteitsuitbreiding kan de productie toenemen en dat Een grotere  productieomvang kan leiden tot verdere schaalvoordelen. De constante kosten  kunnen  dan over een groter aantal producten worden verdeeld.

 

Lesbrief Levensloop 2013
Blz. 43 Figuur 3.1 is onjuist. Dit is de juiste figuur:
Blz. 43 Vierde en derde regel boven opdracht 3.8 moeten zijn:De verzekeraar ontvangt maar (2 × € 50 =) € 100 aan premies. Als een van de twee schade krijgt dan moet de verzekeraar € 1.000 uitkeren.
Blz. 50 In figuur 3.4 moet naast de linkse pijl “inkomensafhankelijke premie” staan.
Blz. 61 Tabel 4.3, de regel blijft over in schijf 3: 17.223
Blz. 62 Inkomen Joke moet zijn € 65.000.
Blz. 72 na 4e regel toevoegen: De algemene heffingskorting bedraagt € 2.001 en de arbeidskorting is voor de heer Bosse € 1.723 en voor de heer Plaforte € 550. In de eerste en tweede schijf bestaat de heffing uit belasting en premies voor de volksverzekeringen. Het premiepercentage voor de volksverzekeringen is 31,15%.
Blz. 72 Opdracht 4.37e: Bereken voor beide heren de gemiddelde heffingsdruk op hun inkomen uit vermogen.
Blz. 85 Opdracht 5.18. Bij uitspraak I en aflossing doorstrepen.

 

Uitwerkingen Levensloop
2.18 De laatste twee rijen van 2.18a (blz. 13) zijn fout. Daar moet staan:
38e t/m 66e jaar € 435.000 € 735.000 € 696.000  € 956.000
Totaal                 € 735.000         –      € 956.000        –      
Hierdoor is de grafiek op blz. 14 ook niet helemaal correct. De meest rechtse punten moeten staan bij 956 en 735.
3.6c Moet zijn:
3.12b Moet zijn:  In de grote steden is de kans op fietsendiefstal hoger dan op het platteland. Het stelen van fietsen is daar vaak gemakkelijker, omdat er veel minder sociale controle is.
 3.21b Moet zijn: Omdat zorgverzekeraars alleen maar op prijs concurreren, willen zij  zorg inkopen van zorgaanbieders tegen de laagste/lagere prijzen. Daardoor zullen de zorgaanbieders meer op prijs gaan concurreren en dus de kosten willen beperken. De overheid verwacht dat er uiteindelijk lagere prijzen voor zorg komen.
 3.31 Moet zijn B.
 4.11a Moet zijn: (12 × 594,67)/27.747 × 100% = 25,7%.
 4.11c Knipsel
 4.13a 3e regel: € 2.600 ipv 2.650.
 4.14a Toevoegen: Uit de algemene heffingskorting. Het bedrag aan korting is in euro’s voor iedereen even hoog. Voor iemand met een laag inkomen stijgt daardoor het netto inkomen procentueel meer dan voor iemand met een hoog inkomen.
 4.22a Moet zijn: Vennootschapsbelasting 2009 = 0,20 × 200.000 + 0,25 × (550.000 – 200.000) = 40.000 + 87.500 = € 127.500.
 4.22b Gemiddeld tarief = 127.500/550.000 × 100% = 23,2%.
 4.32 Alleen maatregel 3 is geschikt.
 4.34a Toevoegen: (9.744,98 – 10.000) / 10.000 × 100% = -2,55%. De reële waarde van zijn spaargeld is met 2,55% gedaald.
 5.20 Moet A zijn.
 6.3c Het antwoord moet zijn: 5002/0,179 = € 27.944,13.
 6.4d Antwoord is € 12.524,80.
 6.4e Moet zijn: 2.678.000 × 0,47 × € 12.524,80 + 2.678.000 × 0,53 × € 8.755,20 = € 28,2 miljard.
7.12a Moet zijn:In 2006 staan er 62,9 jongeren en ouderen ( 39,6 + 23,3) tegenover 100 mensen uit de groep 20-65 jarigen. Van de 100 mensen uit de groep 20-65 jarigen zijn 70 mensen actief en 30 mensen niet-actief. Dus tegenover 70 actieven staan 62,9 + 30 =92,9 niet-actieven; op 100 actieven zijn er 100/70 × 92,9 = 132,7 niet-actieven. 132,7 personen zijn afhankelijk van 100 actieven.
Of
In 2006 zijn er 0,243 × 16,3 miljoen = 3,9609 miljoen jongeren tussen 0 en 20 jaar. Er zijn 0,143 × 16,3 miljoen = 2,3309 miljoen 65-plussers. De groep 20-65 bestaat uit 0,614 × 16,3 miljoen = 10,0082 miljoen mensen. Hiervan werkt 70%, dat zijn 0,7 × 10,0082 miljoen = 7,00574 miljoen mensen. Van deze groep werkt dus 30% niet en dat zijn 0,3 × 10,0082 miljoen = 3,00246 miljoen mensen. Totaal zijn 3,9609 + 2,3309 + 3,00246 = 9,29426 mensen afhankelijk van 7,00574 miljoen werkenden. Van 100 actieven zijn dus 9,29426 / 7,00574 × 100 = 132,7 personen afhankelijk.

 

Lesbrief Mobiliteit
2.3c Het tweede antwoord op deze vraag (Of: de welvaart….) schrappen.
3.5a Schrappen: Omdat bij een markt van volledige mededinging geldt dat P = MO en MO = MK, is de marginale kostenfunctie: MK = 2,5q + 5.
Toevoegen: Een ondernemer is pas bereid te leveren als hij zijn marginale kosten terugverdient. Dat betekent dat de MK-lijn samenvalt met de aanbodlijn, dus MK = 2,5q + 5.
4.1e  Omdat P = Mk de aanbodlijn samenvalt met de MK-lijn geldt MK = 2,5q + 5.
4.5a  Schrappen: • prijsverschil tussen enkele reis en retour.  Toevoegen: • prijsverschil tussen voltarief en tarief met kortingskaart.
5.19d Huidige antwoord schrappen en vervangen door:  Nee. Van elke geleverde ton moeten de vissers nu een deel van de opbrengst  (€ 200) aan de overheid afstaan in de vorm van een heffing. Aannemende dat de  verkoopprijs niet verandert, blijft er per geleverde ton minder over om de kosten te  dekken. De vissers zullen daarom juist meer in plaats van minder vis vangen om  quitte  te kunnen spelen. Ze zullen de visvangst eerder uitbreiden dan beperken.
6.13e  De arcering is onduidelijk. Gearceerd moet worden de rechthoek tussen de punten (0  ; 0),  (2,4 ; 0), (2,4 ; 10) en (0 ; 10). Zie grafiek hieronder.
6.13f  Het dubbel gearceerde driehoekje in het uitwerkingenboekje is het juiste antwoord. In  de figuur hieronder is dat het \\\\ gearceerde driehoekje.
 Figuur bij 6.13e en 6.13f
 Lesbrief Mobiliteit01

 

Lesbrief Economische Crisis
5.9a Moet zijn: Als iemand zonder uitkering een baan krijgt nemen de bestedingen meer toe, dan wanneer iemand met een uitkering een baan krijgt. Relatief is de toename dan minder. De conjunctuurgolf vlakt af. Er is sprake van automatische stabilisatie.
6.33 Invoegen als vraag c: Moet bij een krap monetair beleid de rente verhoogd of verlaagd worden om de inflatie te beperken? Verklaar het antwoord.
Vraag c wordt dan d en vraag d wordt e.

 

Uitwerkingen Economische Crisis
1.8c Het eerste deel van het antwoord moet zijn: Bij het kopen van het huis is hij aanbieder op de vermogensmarkt. Hij belegt zijn geld in onroerend goed.
3.34 Moet A zijn.
4.23a Moet zijn: De conjuncturele situatie is verslechterd.
4.24a Tabel, onderste regel: 11,3% moet zijn 11,8%.
6.33d De vraag 6.33d veranderen in 6.33e. Het antwoord op 6.33d moet zijn: Beide hebben een dominante strategie. Bij begrotingsbeleid is dit een tekort, want 2 < 4 en 0 < 2. Bij monetair beleid is dit krap: 2 < 4 en 0 < 2. Dus de uitkomst van het spel is tekort (begrotingsbeleid) en krap (monetair beleid), de cel links boven.

 

Lesbrief Kleding
Blz. 14 Hier dient onder tabel 2.2 de volgende tekst ingevoegd te worden.
Van individuele naar collectieve vraaglijn
De individuele vraagvergelijking van Ilse is informatie waar een verkoper weinig aan heeft. Die wil weten hoeveel broeken alle vragers samen willen aanschaffen bij een bepaalde prijs. Deze gezamenlijke vraag van alle consumenten noemen we de collectieve vraag. De collectieve vraagvergelijking geeft het verband weer tussen de prijs van een product en de totale vraag naar dat product. De collectieve vraaglijn is de grafische weergave van de collectieve vraagvergelijking. De collectieve vraaglijn vinden we door de individuele vraaglijnen van alle vragers samen te voegen. Hoe dit samenvoegen in zijn werk gaat laten we zien in een voorbeeld met twee vragers.
Opdracht 1
Behalve Ilse is ook haar vriendin Sanne vrager van EasyBlue broeken. De individuele vraag van Ilse geven we het symbool Qv1 en die van Sanne Qv2. De individuele vraagfunctie van Ilse, die we nog kennen we uit opdracht 2.1 luidt: Qv1 = -0,05P + 6. De individuele vraagfunctie van haar vriendin Sanne is als volgt: Qv2 = -0,0625P + 5.
a. Teken de individuele vraaglijn van Sanne in figuur 2.4.
Hoeveel de twee samen vragen bij een bepaalde prijs onderzoeken we in tabel 2.3.tabel 2.3

Als  P = dan is de vraag van Ilse en de vraag van Sanne de gezamenlijke vraag
0
80
120

b. Vul tabel 2.3 verder in.
c. Teken met behulp van de tabel de gezamenlijke vraaglijn van Ilse en Sanne in figuur 2.4.

Figuur 2.4
Lesbrief Kleding02

Opdracht 2
Sung en Nokki zijn de enige afnemers van de chip die fabrikant PNX voor mobiele telefoons heeft ontwikkeld. Nokki koopt alleen als de prijs lager is dan € 5. In grafiek 1 staat de collectieve vraagcurve. Alle vraagvergelijkingen zijn lineair.
Qv = hoeveelheid
P = prijs in euro’s
a. Teken de individuele vraag van Sung in de grafiek 2.
b. Teken de individuele vraag van Nokki in grafiek 3.
Kledinggrafiek01

Kledinggrafiek02

De methode van samenvoegen, hier toegepast op twee vragers, kunnen we ook toepassen op alle vragers. We vinden dan de collectieve vraaglijn.

 
 Uitwerkingen van de ingevoegde opdrachten
Opdracht 1
a. Zie grafiekb. Zie tabel

Als  P = dan is   de vraag van Ilse en de   vraag van Sanne de   gezamenlijke vraag
0 6 5 11
80 2 0 2
120 0 0 0

 

 

 

c. Zie grafiek
Kledinggrafiek03

Opdracht 2
Kledinggrafiek04

 

Blz. 23 Tweedealinea na opdracht 3.3, laatste zin: verzonken kosten, kosten die hij niet meer kan terugverdienen als de productie stopt, omdat er geen andere gebruiksmogelijkheden zijn.
Blz. 33 Derde bolletje: Ze kopen voor € 2.000 spijkerbroeken in. Dat moet zijn voor € 3.000.
Blz. 55 Opdracht 55:
Fout in opgave 4.18 bladzijde 55 of in de uitwerking bladzijde 22
Uitwerking veranderen:
Qa = Qv → 2,5P – 40 = 1,5P + 60 → 4P = 100 → P = 25. Voor de aanbieder geldt MO = 25.
TK = q² + 7q + 144, dus MK = TK’ = 2q + 7.
Bij MO = MK is er maximale winst of minimaal verlies → MO = MK → 25 = 2q + 7 → 2q = 18 → q = 9.
TO = 9 × 25 = 225.
TK = 9² + 7 × 9 + 144 = 288.
TW = 225 – 288 = -63: dit is kleiner dan een verlies van 11 (TCK = 144), dus tijdelijk doorgaan.

 

Uitwerkingen Kleding
Blz. 11 3.15b. De juiste balans is:

Balans J&M per 31 januari 2011

activa passiva
inventaris

11.900

eigen vermogen

16.400

voorraad spijkerbroeken

16.000

lang vreemd vermogen

10.000

debiteuren

1.000

kort vreemd vermogen

8.000

bank

4.500

kas

1.000

totaal

34.400

totaal

34.400

 

Uitwerkingen zelftesten Kleding
7.11 Het antwoord moet zijn A.
8.45 Het antwoord moet zijn A.