LWEO

syllabus vwo 2017

Gevolgen vernieuwde syllabus vwo voor CE 2017

Aanpassingen in de syllabus
Domein A: Vaardigheden

Nieuw:
berekenen van contante waarde en eindwaarde (geen reeksen)
Wordt toegevoegd in lesbrief Levensloop hoofdstuk 6
en lesbrief Vraag en Aanbod hoofdstuk 6.

Domein D: Concept markt

1.1 Betalingsbereidheid als de maximale prijs die een
vrager bereid is te betalen voor één eenheid van een goed.
Voortaan alleen grafisch.

1.3 Het verband tussen de individuele vraaglijn en de collectieve vraaglijn.
Was alleen grafisch, nu ook berekenen.

1.4b Verschuiving van de collectieve vraaglijn als gevolg van
verandering van het inkomen, de 
behoeften, prijzen van andere
goederen en het aantal 
vragers.
Nieuw, alleen grafisch.

1.8 Het onderscheid tussen inferieure, normale en luxe goederen,
in relatie met de waarde van de 
inkomenselasticiteit.
Alleen berekenen, grafisch hoeft niet meer.

1.14 De samenhang tussen prijs, afzet en totale opbrengst (omzet);
1.15 De betekenis van de prijselasticiteit van de vraag voor
de verandering van de totale opbrengst (omzet) 
bij prijsveranderingen.
Voortaan alleen rekenkundig, dus het arceren van omzet
hoeft niet meer.

1.18 Het verband tussen de individuele aanbodlijn en het verloop
van de marginale kosten(lijn) bij 
hoeveelheidsaanpassing.
Dit hoefde alleen grafisch, nu ook rekenkundig.

1.20 is vervallen
De bepaling van de break-even-afzet bij een gelijkheid
van totale kosten en totale opbrengsten.

D2 Marktstructuur

In de syllabus 2016 die nu op de website van examenblad.nl staat, is het volgende op bladzijde 5 toegevoegd:

Het onderscheid tussen de marktvormen op basis van het aantal
marktpartijen, heterogeniteit van de goederen en
toetredingsmogelijkheden (1)
I Volledige mededinging/ volkomen concurrentie: veel
aanbieders, een homogeen goed en vrije toetreding.
Marktvormen waarbij sprake is van onvolkomen concurrentie
kennen beperkte toetredingsmogelijkheden:
II Monopolistische concurrentie: veel aanbieders en heterogene
goederen.
III Oligopolie: weinig aanbieders en een homogeen goed of
heterogene goederen.
IV Monopolie: één aanbieder.
Het bepalen van de prijs en afzet die bij volkomen concurrentie
(1,2), monopolistische concurrentie, oligopolie of monopolie
(1,2) maximale totale winst opleveren.
De gevolgen van prijsdiscriminatie voor de evenwichtsprijzen,
afzet en winst bij monopolie. (1)
(1) = alleen grafisch, (2) = alleen rekenkundig, (1,2) = beide

Domein D3: Welvaart en economische politiek

Alle surplusberekeningen komen te vervallen, dus
consumentensurplus, producentensurplus, totale
surplus, verloren surplus, enz. voortaan alleen grafisch.

Domein E2: is vervallen

2.2 De elementaire balans en resultatenrekening van
bedrijfshuishoudingen met daarbij:
– activa, eigen en vreemd vermogen als onderdelen van de
elementaire balans (voorraadgrootheden)
– kosten, opbrengsten en resultaat als onderdelen van de
elementaire resultatenrekening (stroomgrootheden)
– afschrijvingen als waardeverlies van investeringen in vaste activa
De balans en resultatenrekening komen summier aan bod in
Vraag en Aanbod.
De resultatenrekening (inclusief afschrijvingen) wordt niet
geschrapt ivm uitleg van ‘toegevoegde waarde’ in Economische Crisis.

Domein G: Risico en informatie

Vervallen is:
2.1 Onvolledige informatie leidt in een ruilsituatie tot transactiekosten
3.2 De keuze die een ondernemer maakt voor een bepaalde
rechtsvorm, zoals eenmanszaak, vennootschap onder firma,
BV of NV en de risico’s die daarmee samenhangen op het
gebied van aansprakelijkheid.
3.5 De rol van toezichthouders op financiële en op andere markten.
De verplichte context ‘faillissement en aansprakelijkheid’ is
gebleven. Het verschil in aansprakelijkheid bij de diverse
rechtsvormen moet dus wel behandeld worden, maar het is
geen examenstof.
In lesbrief Vraag en Aanbod zal het kort besproken worden.

Vervallen is:
5.3 Waardeverandering van beleggingen als gevolg van
(verwachtingen ten aanzien van) renteverandering en
inflatie.

Domein H: Welvaart en groei

Aangepast:
H1 Algemeen evenwicht
1.2 Bij de reële en monetaire kringloop en de nationale
rekeningen moeten de financiële instellingen als aparte
sector worden toegevoegd (wat feitelijk onjuist is).
H2 Het meten en verdelen van welvaart
Toegevoegd is het Netto Binnenlands Product.

2.2 is nader gespecificeerd:
De vorming van het BBP (Bruto Binnenlands Product) en
NBP (Netto Binnenlands Product) waarbij de volgende
methoden kunnen worden onderscheiden:
– objectieve methode;
– bestedingsmethode;
– subjectieve methode.
Staat al in lesbrief Economische Crisis

2.3 is nieuw:
De relatie tussen Nationaal Inkomen en Nationaal Product
(bruto en netto).
Wordt toegevoegd aan hoofdstuk 3 van Economische Crisis.

2.4 nader gespecificeerd:
de omvang van het BBP en NBP als een beperkte
welvaartsmaatstaf rekening houdend met:
– nominaal en reëel
– eng versus ruim welvaartsbegrip
– welvaartsbegrip per capita
– de rol en omvang van de informele sector
– Human Development Index en groen BBP (inclusief externe
effecten)
Human Development Index staat al in lesbrief Wereldeconomie
hoofdstuk 1 en groen bbp komt in lesbrief Economische Crisis
hoofdstuk 3. De andere aspecten staan al in Economische Crisis.

Nieuw 2.6:
De betalingsbalans (boekhoudkundig) als overzicht van de
handel en betalingen tussen landen;
– lopende rekening (inclusief saldi)
– kapitaalrekening (inclusief saldi)
Stond iets anders opgeschreven in domein I en staat in
lesbrief Wereldeconomie hoofdstuk 4.

Nieuw 2.7 en 2.8:
De relatie tussen het nationale spaarsaldo en het saldo op
de lopende rekening.
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 3.
De relatie tussen de wisselkoers en de betalingsbalans en
de wijze waarop een wisselkoers tot stand komt.
Staat al in lesbrief Wereldeconomie hoofdstuk 4.

2.9 lorenzcurve
Toegevoegd zijn de termen:
Gini coëfficiënt
percentage, percentielen, kwintielen (groepen van 20%)
nivelleren en denivelleren
Komt in lesbrief Levensloop hoofdstuk 2.

2.10 nader gespecificeerd:
De categoriale inkomensverdeling, als de verdeling van het
BBP over de verschillende inkomenscategorieën pacht,
loon, rente/huur en winst, zijnde de beloningen voor de
inzet van productiefactoren (arbeid, natuur, kapitaal,
ondernemerschap) in het productieproces.

2.11 nieuw:
De arbeidsinkomensquote (=AIQ) als het deel (of het
percentage) van het nationaal inkomen dat dient als
beloning voor de verschaffing van de productiefactor
arbeid.
Staat al in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.
Domein H: Welvaart en groei

2.12 en 2.13 over belastingstelsels zijn nader
gespecificeerd.
Toegevoegd zijn:
– gemiddelde belastingtarief
– heffingskortingen zoals de algemene korting en de
arbeidskorting
– boxenstelsel
Het meeste staat al in lesbrief Levensloop hoofdstuk 4.
Box 2 wordt toegevoegd.

Vervallen is:
– het bestaan van productiviteitsverschillen tussen landen.
– convergentie en divergentie van ontwikkelingslanden en
ontwikkelde landen aan de hand van de ontwikkeling van
en determinanten voor het BBP.
We laten het staan in lesbrief Wereldeconomie.

Bij H3 is nieuw:
3.1 structuurontwikkeling en de groei van het BBP door
inzet van de productiefactoren arbeid , natuur, kapitaal,
ondernemerschap en de relatie tussen de zowel de
kwantitatieve als kwalitatieve veranderingen van deze
productiefactoren (aanbodfactoren).
Staat al in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.

Bij H3 is nieuw:
3.2 Indicatoren die de kwaliteit van de productiefactor
arbeid en/of arbeidsproductiviteit bepalen, zoals:
– scholing
– know-how / ervaring
– gezondheid
– specialisatie
Staat al in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.

Bij H3 is nieuw:
3.3 Indicatoren die de kwantiteit van de productiefactor
arbeid bepalen, zoals:
– arbeidstijd en deeltijdwerk
– personen en arbeidsjaren en/of arbeidsuren –
arbeidsparticipatie
– vergrijzing
– wig
– (potentiële) beroepsbevolking
– leerplicht en pensioengerechtigde leeftijd
– loonkosten per eenheid product
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.

Bij H3 is nieuw:
3.4 Indicatoren die de kwaliteit van de productiefactor
kapitaal en/of productiviteit bepalen, zoals:
– onderzoek en ontwikkeling
– internationalisering
– creatieve destructie en (duurzame) innovatie
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.

Bij H3 is nieuw:
3.5 Indicatoren die de kwantiteit van de productiefactor
kapitaal bepalen, zoals;
– investeringen (uitbreiding- en/of vervangingsinvesteringen)
– investeringsklimaat
– stimuleringsmaatregelen
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 4.

Bij H3 is nieuw:
3.6 De motieven voor het al dan niet aangaan van
internationale samenwerkingsvormen in relatie tot
welvaart en economische groei:
– vrijhandel
– protectie (zoals invoerrechten, contingentering,
dumping, infant industry)
Staat al in lesbrief Wereldeconomie hoofdstuk 2.
Infant industry heet bij de LWEO nieuwe industrieën in de
beginfase.

Domein I: Goede tijden, slechte tijden

Vervallen:
dat een economie met geld als ruilmiddel kan vervallen tot
een ruileconomie als hyperinflatie optreedt

Veel eindtermen zijn geherformuleerd, zoals:
1.1 Geaggregeerde vraag als de relatie tussen de
gevraagde hoeveelheid productie en nationaal prijsniveau
op alle markten samen (op de korte en lange termijn);
– consumptieve bestedingen
– investeringen
– overheidsbestedingen
– netto vraag uit het buitenland
2.1 Veranderingen van het evenwicht op de korte termijn
en de lange termijn in relatie tot hoogconjunctuur,
laagconjunctuur en trendmatige ontwikkelingen
– consumenten- en producentenvertrouwen
– werkloosheid en vacatures
– aantal uitzenduren
– conjunctuurklok

Nieuw:
2.3 Phillipscurve en de korte-termijn afruil tussen inflatie
en werkloosheid in relatie tot hoogconjunctuur en
laagconjunctuur
2.4 de mogelijkheden en beperkingen van het gebruik en
toepassing van de Phillipscurve
Komt in lesbrief Economische Crisis.

Nieuw:
3.2 fiscaal beleid (bedoeld wordt overheidsbeleid) als het
beïnvloeden van de conjunctuur middels de
– belastingen
– overheidsuitgaven
– inverdieneffecten
– uitverdieneffecten
In hoofdstuk 5 van lesbrief Economische Crisis wordt
uitverdieneffecten toegevoegd.

Nieuw:
4.1 Monetair beleid als het beïnvloeden van de
conjunctuur middels
– rentebeleid
– wisselkoersbeleid
– Geldhoeveelheidsbeleid
Staat al in de lesbrieven Economische Crisis en Wereldeconomie.
4.2 De beperkingen die gesteld kunnen worden aan de
effectiviteit van monetair beleid zoals de zero lower bound
(waarom niet nulondergrens?) en de liquiditeitsval.
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 6.

Nieuw:
4.3 De Europese Centrale Bank of de Centrale banken die
niet onder de ECB vallen als
– toezichthouder op de infrastructuur van financiële
markten en betalingsinstrumenten
– beheerder van eigen externe reserves
– uitgever van bankbiljetten
– toezichthouder op aanbieders van risicomijdende en
risicozoekende beleggingen
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 6.

Nieuw:
4.4 De betekenis van de Non Accelerating Inflation Rate of
Unemployment voor het monetair beleid.
Komt in lesbrief Economische Crisis hoofdstuk 6.

in de lesbrieven
Er komen aanpassingen in de lesbrieven:
– Levensloop
– Vraag en Aanbod
– Economische Crisis

Levensloop

Hoofdstuk 2: Gini-coëfficiënt

ginicoefficient

Hoofdstuk 4: toegevoegd berekening cpi en box 2.
Hoofdstuk 6: toegevoegd berekenen van contante waarde
en eindwaarde.
Bij de inkomensverdeling in hoofdstuk 2 iets meer
aandacht voor kwintielen, decielen etc.
Verder wordt er geactualiseerd (bijv. Wlz ipv AWBZ en
Participatiewet ipv WBB).

Vraag en Aanbod

Toegevoegd in hoofdstuk 2: rekenkundig uit individuele
vraagfuncties de collectieve vraagfunctie afleiden (domein D1.3).
Hoofdstuk 4: balans en resultatenrekening worden summier
besproken en de paragraaf over rechtsvormen is aangepast.
Er is een transferopdracht toegevoegd.
Hoofdstuk 6: berekening contante waarde en eindwaarde.

Economische Crisis

Phillipscurve staat nu, zonder de naam te noemen, in
hoofdstuk 2 (blz. 30) en gaat naar hoofdstuk 1.
Toegevoegd in hoofdstuk 3:
De relatie tussen Nationaal Inkomen en Nationaal Product
(bruto en netto)
Het groen BBP (inclusief externe effecten)
De relatie tussen het nationale spaarsaldo en het saldo op de
lopende rekening.

Toegevoegd in hoofdstuk 4:
Indicatoren die de kwaliteit van de productiefactor arbeid
en/of arbeidsproductiviteit bepalen, zoals know-how,
ervaring, gezondheid, specialisatie.
Indicatoren die de kwantiteit van de productiefactor arbeid
bepalen, zoals arbeidstijd en deeltijdwerk, personen en
arbeidsjaren en/of arbeidsuren, vergrijzing, wig, loonkosten
per eenheid product.

Toegevoegd in hoofdstuk 4:
Indicatoren die de kwaliteit van de productiefactor kapitaal
en/of productiviteit bepalen, zoals: internationalisering,
creatieve destructie en (duurzame) innovatie.

Toegevoegd in hoofdstuk 5:
Fiscaal beleid als het beïnvloeden van de conjunctuur middels
de uitverdieneffecten.

Toegevoegd in hoofdstuk 6:
De beperkingen die gesteld kunnen worden aan de effectiviteit van
monetair beleid zoals de zero lower bound en de liquiditeitsval.
De Centrale Bank als
– toezichthouder op de infrastructuur van financiële markten en
betalingsinstrumenten
– beheerder van eigen externe reserves
– uitgever van bankbiljetten
– toezichthouder op aanbieders van risicomijdende en
risicozoekende beleggingen
De betekenis van de Non Accelerating Inflation Rate of
Unemployment voor het monetair beleid.

Wereldeconomie

Geschrapt kan worden:
convergentie en divergentie van ontwikkelingslanden en
ontwikkelde landen aan de hand van de ontwikkeling van
en determinanten voor het bbp.
We laten het in de lesbrief staan omdat de begrippen
gebruikt worden in de context van de EU.
Lesbrief Wereldeconomie wordt dus niet aangepast.

leerlingen die nu in vwo 4 of vwo 5 zitten
De leerlingen die nu in vwo 4 of vwo 5 zitten, missen de
uitleg van een aantal concepten. De LWEO maakt hiervoor
een appendix.

De appendix komt op de docentenwebsite en is ook tegen
kostprijs te bestellen bij de LWEO.
Meer informatie komt te staan in de nieuwsbrief.
De appendix zal eind januari beschikbaar zijn.