LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Geld om van te leven

In dit hoofdstuk staat rekenen met procenten centraal. Via het begrip ’zakgeld’ zal duidelijk worden dat het belangrijk is om goede afspraken te maken over de precieze inhoud van begrippen.

De volgende rekenvaardigheden komen aan bod:

– het afronden van getallen;

– het berekenen van gewogen en ongewogen gemiddelden;

– het omrekenen van bedragen, bijvoorbeeld van week naar maand;

– het rekenen met procenten.

Links bij hoofdstuk 2
Een eigen kledingbudget beheren.
Uitleg over gewogen en ongewogen gemiddelde.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

begroting
Een overzicht van schattingen van inkomsten en uitgaven.
bijbaantjes
Een baantje (werk) van enkele uren.
budget
Een begroting van inkomsten en uitgaven.
effectieve rente
De feitelijke rente die je moet betalen op jaarbasis.
gewogen gemiddelde
Gemiddelde waarbij rekening wordt gehouden met de afzonderlijke gewichten.
huishoudgeld
Het geld om het huishouden (gezin) mee te onderhouden.
inkomsten
Het totale inkomen.
keuzeprobleem
Omdat de middelen (het geld waarover je kunt beschikken) beperkt zijn, ben je gedwongen om voortdurend keuzes te maken. Het geld kun je maar 1 keer uitgeven.
kredietlimiet
Het maximale bedrag dat geleend kan worden (hangt onder meer af van het inkomen).
kruisproduct
Het kruiselings vermenigvuldigen.
leenbedrag
Het bedrag dat geleend wordt.
lenen
Geld krijgen dat je later moet terugbetalen.
looptijd
De duur van de lening.
ongewogen gemiddelde
Gemiddelde waarbij geen rekening wordt gehouden met de afzonderlijke gewichten.
rente
De beloning die betaald moet worden voor het lenen van geld en die ontvangen wordt voor het uitlenen van geld.
rente over rente
Over de rente die wordt bijgeschreven op je (spaar-)rekening ontvang je ook weer rente.
rentebedrag
Het bedrag aan rente.
rentepercentage
Het percentage aan interest of rente dat je ontvangt of moet betalen.
reserveringsuitgaven
Uitgaven – meestal grotere uitgaven – waarvoor je geld moet reserveren (opzij leggen of sparen).
sluitende begroting
Indien de ontvangsten in een jaar gelijk zijn aan de uitgaven in dat jaar spreken we van een sluitende begroting.
spaarrekening
Een rekening waarop je kunt sparen. Over het gespaarde geld krijg je rente. Met een spaarrekening kun je geen betalingen verrichten.
tekort op de begroting
De begrote uitgaven zijn groter dan de begrote inkomsten.
termijnbedrag
Het bedrag dat je minimaal per periode moet terugbetalen. Dit bedrag bestaat voor een deel uit aflossing van de lening en voor een deel uit betaling van rente.
vaste lasten
De maandelijks (of jaarlijks) terugkerende uitgaven (lasten) zoals de uitgaven voor de huur van het huis, het afbetalen van een lening, de uitgaven voor water en stroom, etc.
zakgeld
Geld dat je krijgt van je ouders zonder dat je daar iets voor moet doen.