LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Nederland en de wereld

In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen aan de orde:
– hoe belangrijk is de wereld voor Nederland?
– wisselkoersen
– waarom handel met het buitenland?
– factoren die de internationale handel bepalen
– de Europese Unie (EU) en de Economische en Monetaire Unie (EMU)
– invoer en uitvoer van goederen van Nederland
– het belang van de export voor de Nederlandse economie
Van oudsher is Nederland sterk gericht op het buitenland. Omdat Nederland een klein land is, is het voor diverse producten aangewezen op het buitenland. Maar er zijn ook producten die Nederland wel zelf kan maken en die toch uit het buitenland komen. Dit heeft te maken met de kosten. Het is slimmer om producten die in andere landen goedkoper gemaakt worden uit die landen in te voeren en je als land toe te leggen op producten die wij goedkoper kunnen produceren. Dit noemen we internationale arbeidsverdeling. Dit wil zeggen ieder land legt zich toe op het maken van die producten waar zij een concurrentievoordeel in hebben. Dit heeft te maken met een aantal factoren zoals:
– de natuurlijke omstandigheden;
– de loonkosten;
– de infrastructuur;
– historische omstandigheden.
De landen van de Europese Unie zijn de belangrijkste handelspartners van Nederland.

Links bij hoofdstuk 1
Arbeidsproductiviteit in Nederland.
Valuta- en goudkoersen
Benzineprijzen  in België, Luxemburg en Nederland.

Begrippenlijst

Begrippenlijst Hoofdstuk 1

arbeidsproductiviteit
De productie per persoon per tijdseenheid (bijvoorbeeld per uur of per arbeidsjaar)
deviezen
(= vreemde valuta) Buitenlandse munten en internationale betaalmiddelen.
Economische en Monetaire Unie (EMU)
De EMU is bedoeld om in de Europese Unie een monetaire unie in te richten. De invoering van de euro hoort hierbij. In 1999 werd de EMU gerealiseerd.
Europese Unie (EU)
Samenwerkingsverband op economisch gebied van 28 landen (in 2013). Centraal staat: vrij verkeer van persoenen, goederen, diensten en kapitaal.
Eurozone
De verzameling landen die de euro als munt hebben.
export
( = uitvoer) Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland.
import
(= invoer) Het kopen van goederen en diensten in het buitenland.
internationale arbeidsverdeling
Arbeidsverdeling (specialisatie) tussen landen.
internationale concurrentiepositie
De mate waarin het bedrijfsleven in een land beter of slechter kan concurreren (wedijveren) met het bedrijfsleven in een ander land.
loonkosten per product
De loonkosten per product wordt bepaald door de totale loonkosten te delen door het aantal gemaakte producten.
productie per arbeider
Wat een persoon per tijdseenheid produceert (bijvoorbeeld per uur of jaar). Is vergelijkbaar met arbeidsproductiviteit.
vreemde valuta
(= deviezen) Buitenlandse munten en internationale betaalmiddelen.
wederuitvoer
Goederen die geïmporteerd worden in Nederland en vervolgens weer worden geëxporteerd naar een derde land.
wisselkoers
De prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt.