LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

De overheid om ons heen

In ons land mag je over veel dingen zelf beslissen: van welke clubs je lid wordt of je wel of niet naar de kerk gaat of je wel of geen hond neemt, etc. Toch kun je niet altijd je eigen gang gaan. Uit onderzoek blijkt dat een op de zeven Nederlanders last heeft van ernstige geluidshinder veroorzaakt door buren. Vaak slagen mensen erin om goede afspraken te maken met elkaar, maar soms lukt het niet alles zelf te regelen. In zo’n situatie moeten er regels komen, waaraan iedereen zich moet houden, ook al ben je het er niet mee eens. Deze regels worden gemaakt door de gemeentelijke overheid. Zo kunnen mensen naast en met elkaar leven.
De overheid bemoeit zich ook op andere manieren met ons. De landelijke overheid zorgt bijvoorbeeld voor de aanleg van dijken, het onderwijs, de gezondheidszorg, de uitkeringen, de politie en de rechtspraak. Wie is die overheid en waarom doet de overheid dat? Waarom laten wij particuliere ondernemers niet voor de productie van alle goederen en diensten zorgen?

Links bij hoofdstuk 2

prinsjesdag van het ministerie van Financiën

Begrippenlijst

Begrippenlijst De Samenleving hoofdstuk 2

accijns
Een indirecte belasting die wordt geheven op  producten met als doel het gebruik van die producten af te remmen. Bijvoorbeeld: accijns op tabak.
ambtenaren
Mensen die in loondienst werken bij de overheid.
collectieve goederen
Goederen die niet aan individuele personen geleverd kunnen worden. De goederen zijn, als ze geleverd worden, automatisch voor iedereen beschikbaar, bijvoorbeeld een dijk.
collectieve sector
De overheid, de instellingen van de sociale zekerheid én bedrijven en instellingen waarvan de volledige kosten door de overheid worden betaald en die geen winst willen maken.
degressief belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij het percentage belasting dat moet worden afgedragen daalt als het inkomen toeneemt.
directe belastingen
De directe belastingen worden geheven over de inkomens van burgers en bedrijven: de loon- en inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.
i/a-ratio
Verhouding tussen inactieven (mensen met een uitkering) en actieven (werkenden).
indirecte belastingen
Een kostprijsverhogende belasting.
individuele goederen
Goederen die via een markt verhandeld worden.
inkomensoverdrachten
Inkomen dat je ontvangt zonder dat hiervoor een tegenprestatie is geleverd.
miljoenennota
Algemene toelichting op de rijksbegroting.
omslagstelsel
Ontvangen (sociale) premies in een jaar worden gebruikt om de uitkeringen in dat jaar te betalen.
omzetbelasting (btw)
Als consument betaal je btw over de verkoopprijs. Dit is een vorm van indirecte belasting.
overheidstekort (= begrotingstekort)
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar, waarbij de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten. Binnen de EMU is afgesproken dat het begrotingstekort maximaal 3% van het bbp mag bedragen.
overige kostprijsverhogende belastingen
Naast btw en accijns. Bijvoorbeeld invoerrechten, bpm (belasting op personenauto’s en motorrijwielen).
particuliere sector
Alle bedrijven die geen eigendom zijn van de overheid.
Prinsjesdag
Derde dinsdag van september, op die dag wordt de overheidsbegroting gepresenteerd.
progressieve belastingheffing
Hogere inkomens betalen een hoger belastingpercentage dan de lagere inkomens.
proportioneel belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij alle inkomens hetzelfde percentage belasting betalen.
quasi-collectieve goederen
Individuele goederen die de overheid levert, bijvoorbeeld het onderwijs. Dit zijn goederen die de overheid levert omdat de samenleving als geheel er belang bij heeft. De goederen worden tegen de kostprijs, daar beneden of zelfs gratis geleverd. Het product kan worden gesplitst in individuele eenheden.
Rijksbegroting
De plannen van de regering, met inkomsten en uitgaven.
semi-ambtenaren
Mensen in dienst van bedrijven waarvan de volledige kosten door de overheid worden betaald.
staatsobligatie
Burgers die aan de overheid een geldbedrag lenen, krijgen hiervoor een staatsobligatie. Het gaat om leningen aan de overheid met een vast rentepercentage en een looptijd van meestal tien jaar. Dit houdt in dat het geleende bedrag na tien jaar wordt terugbetaald door de overheid.
staatsschuld (= overheidsschuld)
De schuld van de overheid. In de EMU is afgesproken dat de staatsschuld maximaal 60% van het bbp mag bedragen.
staatsschuldquote
De staatsschuld uitgedrukt als percentage van het bbp.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.