LWEO

Arbeidsmarkt (2)

Inleiding
Hoofdstuk 1 tot en met 3

Inleiding

Op de arbeidsmarkt groeit de behoefte aan hoger opgeleiden omdat werk steeds specialistischer wordt. Prima kansen dus voor academici en hbo’ers.
Tegelijkertijd zal het zogenaamde elementaire werk, werk waarvoor geen diploma vereist is, flink toenemen. Tuinonderhoud, vuil ophalen, schoonmaak, verzorging en vele andere vormen van dienstverlening zijn nu eenmaal niet te automatiseren of te robotiseren.

De lesbrief Arbeidsmarkt is ten dele een centraal examen lesbrief. Per hoofdstuk krijg je een overzicht van de inhoud, de leerdoelen, de kernbegrippen en enkele oefenopdrachten. Natuurlijk is dit alles slechts een summiere opsomming en kan dat niet de lesbrief vervangen.

Van lesbrief Arbeidsmarkt kunnen de volgende paragrafen als keuzeonderwerp aangemerkt worden:
§ 2.3 Deeltijdarbeid en p/a-ratio
§ 2.4 Arbeidsparticipatie
§ 2.6 De betaalbaarheid van de uitkeringen (i/a-ratio)
§ 2.7 Kiezen tussen werk en vrije tijd
Het eerste deel van deze paragraaf gaat over opofferingskosten. Dit hoort bij het domein Schaarste en valt onder de schoolexamenstof. Opofferingskosten zijn ook al besproken in Lesbrief Levensloop.
Het tweede deel gaat over de loonelasticiteit van het arbeidsaanbod. Dat is keuzestof.
§ 3.5 De vraag naar arbeid in theorie (loonelasticiteit van de arbeidsvraag).

Hints:
Arbeid: Ik werk dus ik leef. Videofilm van Teleac (15 minuten)
Extra materiaal: voor het geval dat dit de eerste lesbrief is.

Hoofdstuk 4

Inkomen en belasting

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1. De collectieve arbeidsovereenkomst
4.2 Organisaties op de arbeidsmarkt
4.3 De loononderhandelingen
4.4 De lonen in de collectieve sector
4.5 Vaste en variabele beloningen
4.6 Het berovingsprobleem
4.7 Transfer
4.8 Zelftest

Cao en arbeidsvoorwaarden
Een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) is een overeenkomst over de arbeidsvoorwaarden die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten voor de duur van 1 (maximaal 2) jaar tussen vakbonden en werkgeversbonden. Bedrijfstakken hebben een bedrijfstak-cao, grote ondernemingen een bedrijfs-cao. De arbeidsvoorwaarden worden onderverdeeld in primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Onder de primaire arbeidsvoorwaarden vallen alleen het loon en de normale werktijd. Regelingen voor verlof, kinderopvang, scholing e.d. zijn secundaire arbeidsvoorwaarden. Als een cao algemeen verbindend wordt verklaard – dit gebeurt door de minister en is gebruikelijk – geldt deze voor alle bedrijven en alle werknemers in de bedrijfstak.

Vakbonden
Een vakbond is een organisatie die de belangen van de werknemers in een bepaalde bedrijfstak behartigt. De vakbonden zijn op hun beurt verenigd in een vakcentrale (FNV, CNV, MHP). De organisatiegraad is het percentage werknemers dat lid is van een vakbond. Vakbondsleden betalen contributie aan hun bond en dat geld wordt gebruikt voor het voeren van onderhandelingen, voor rechtsbijstand in geval van een arbeidsconflict en voor het betalen van stakingsuitkeringen. Voor werknemers kan het verleidelijk zijn om geen lid te worden van een vakbond. Je betaalt dan geen contributie, maar profiteert wel van de gunstige arbeidsvoorwaarden die dankzij de vakbond zijn verkregen. Dit gedrag, profiteren van inspanningen van anderen, wordt free-ridergedrag of meeliftersgedrag genoemd. Als alle werknemers zich opstellen als een meelifter komt er geen vakbond. Dat gaat ten koste van de arbeidsvoorwaarden waardoor uiteindelijk alle werknemers slechter af zijn.
De werkgevers zijn net als de werknemers per bedrijfstak georganiseerd in een werkgeversbond. De werkgeversbonden kunnen lid zijn van een werkgeverscentrale (CNO-NCW en MKB-Nederland)

Productiefactoren
Voor productie zijn productiefactoren of productiemiddelen nodig. We maken onderscheid tussen de volgende productiefactoren: arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Onder kapitaal verstaan we zowel geldkapitaal als kapitaalgoederen zoals gebouwen en machines.

Productiefactoren en de beloning ervoor.
Arbeid loon (salaris)
Kapitaal rente, huur
Natuur pacht
Ondernemerschap winst

Produceren is het toevoegen van waarde aan de inkoopwaarde van grondstoffen en hulpstoffen. De toegevoegde waarde is gelijk aan de omzet minus de inkoopwaarde van grondstoffen en hulpstoffen.
Met deze toegevoegde waarde worden de inkomens (huur, lonen, pacht, rente en winst) van de productiefactoren betaald. Productie leidt dus tot inkomen. De winst is dat deel van het totale inkomen dat overblijft voor de productiefactor ondernemerschap nadat de andere productiefactoren hun beloning hebben ontvangen.
Wanneer we de productie van alle bedrijven in een land optellen, vinden we het binnenlands product. In Nederland bedraagt het binnenlands product in 2010 € 600 miljard. Ongeveer 75% daarvan is looninkomen.
Loon en winst
Als de lonen stijgen of de huur of de rente hoger wordt, zal de winst afnemen. De winst is steeds een restpost. Rente, huur of pacht spelen in de loononderhandelingen geen rol. De loononderhandelingen worden daarom wel gezien als een strijd om loon en winst.
Een stijging van de lonen leidt tot hogere kosten van de onderneming. Een stijging van de arbeidsproductiviteit verlaagt de kosten van de onderneming. Als de loonstijging in procenten gelijk is aan de stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie samen, dan verandert het loonaandeel (of winstaandeel) in de productie niet. Het totale percentage waarmee de lonen kunnen stijgen terwijl het loonaandeel gelijk blijft, wordt de loonruimte genoemd. De loonruimte wordt door de vakbonden gebruikt als richtsnoer bij de cao-onderhandelingen. Is de feitelijke loonstijging kleiner dan de loonruimte dan is er sprake van loonmatiging: het loonaandeel in de productiewaarde daalt.
Prijscompensatie, initiële en incidentele loonstijging
Een loonstijging gelijk aan de stijging van het algemeen prijspeil heet prijscompensatie. Wanneer werknemers op grond van de gestegen arbeidsproductiviteit bovenop de prijscompensatie nog een algemene loonstijging krijgen, noemen we dat een initiële loonstijging. Een incidentele loonstijging geldt niet voor iedereen: het is een loonstijging per individu (promotie).
Koopkracht of reëel loon
Met behulp van de consumentenprijsindex (CPI) kan de reële verandering van een loonstijging en dus de verandering van de koopkracht worden berekend.

Indexcijfer nominale loon
Indexcijfer reëel loon = ——————————- x 100
Prijsindexcijfer (CPI)

De lonen in de collectieve sector
De overheid is de grootste werkgever van Nederland, maar voor haar diensten wordt meestal geen prijs in rekening gebracht. De loonruimte is voor de overheid niet te bepalen. Daarom stelt de overheid jaarlijks een budget vast voor verbeteringen van de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. De overheid volgt veelal de loonontwikkeling in het bedrijfsleven.
Principaal-agentrelatie
De relatie tussen werkgever en werknemer is een voorbeeld van een principaal-agentrelatie. De principaal weet niet of de agent zich maximaal inspant, maar de agent zelf weet dat wel. De informatie over de prestatie is asymmetrisch. Door een deel van de beloning variabel te maken, bijvoorbeeld afhankelijk te maken van de productie, kan de principaal de agent prikkelen om meer te presteren.
Het berovingsprobleem
De kosten die een bedrijf maakt om de kwaliteit van het personeel te verbeteren, zijn verzonken kosten. De opgedane kennis is gekoppeld aan de werknemer en kan niet meer gebruikt worden of verkocht worden als de werknemer opstapt. De investering van de werkgever is dan voor niets geweest. Op die manier houdt de werknemer zijn baas onder schot. In de economie staat dit probleem bekend als het berovingsprobleem (hold-upprobleem). Het berovingsprobleem ontstaat als in een relatie de ene partij meer investeert in de samenwerking dan de andere partij waardoor de machtsverhouding verandert. Doordat de werkgever investeert in de scholing van de werknemer heeft de werknemer meer macht omdat hij kan dreigen met opstappen en is de werkgever kwetsbaar omdat hij zijn investering kwijt kan raken.

Links
De Roemenen en Bulgaren komen: video: 22 min.
Minimum jeugdlonen per 1 juli 2013.
FNV: Federatie Nederlandse Vakbeweging: Website van het FNV met heel veel informatie over alles wat te maken heeft met arbeid in loondienst.
CNV: Christelijk Nationaal Vakverbond: idem als FNV, maar nu vanuit een christelijke optiek.
Voor actuele informatie, raadpleeg: het NRC-Handelsblad of de digitale krant.
Onderhandelen over arbeidsvoorwaarden doe je zo: website.
Nog eens onderhandelen over arbeidsvoorwaarden: website.

Leerdoelen hoofdstuk 4
• Kenmerken noemen van een collectieve arbeidsovereenkomst.
• Voordelen en nadelen noemen voor de werkgevers en de werknemers van een collectieve arbeidsovereenkomst vergeleken met een individuele arbeidsovereenkomst.
• De structuur en de activiteiten noemen van de organisaties van werknemers en werkgevers.
• Het belang van de organisatiegraad van werknemers uitleggen voor de vakbeweging.
• Uitleggen dat bij het lid worden van een vakbond sprake kan zijn van free-ridergedrag (meeliftersgedrag).
• De betekenis uitleggen van het algemeen verbindend verklaren van cao’s voor de sociale partners.
• Arbeidsvoorwaarden onderscheiden in primaire en secundaire voorwaarden.
• Loonstijgingen onderscheiden in prijscompensatie, initiële loonstijging en incidentele loonstijging en deze beschrijven.
• Uitleggen wat de betekenis is van de loonruimte.
• De loonruimte berekenen op basis van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en de prijzen.
• Analyseren wat bij een gegeven loonruimte de invloed van een loonstijging is op het loonaandeel en het winstaandeel in de productiewaarde.
• Uitleggen hoe de loonontwikkeling in de marksector invloed heeft op de loonontwikkeling in de collectieve sector.
• Analyseren wanneer er een berovingsprobleem ontstaat en oplossingen geven voor het berovingsprobleem.
• Principaal-agentrelaties herkennen en het gedrag van de principaal en de agent verklaren.
• De afwegingen noemen bij de keuze tussen prestatieloon en tijdloon.

Kernbegrippen hoofdstuk 4
collectieve arbeidsovereenkomst (cao) – primaire arbeidsvoorwaarden – secundaire arbeidsvoorwaarden – vakbond – vakcentrale – organisatiegraad – free-ridergedrag (meeliftersgedrag) – werkgeversbond – werkgeverscentrale – Stichting van de Arbeid – centraal akkoord – sociale partners – Sociaal Economische Raad – algemeen verbindend verklaren – prijscompensatie – initiële loonstijging – loonruimte – loonaandeel – incidentele loonstijging – prestatieloon – tijdloon – principaal – agent – menselijk kapitaal – berovingsprobleem

Hoofdstuk 5

Werkloosheid

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 Wie is er werkloos?
5.2 Soorten werkloosheid
5.3 Conjunctuurbeleid
5.4 Transfer
5.5 Zelftest

Dynamiek op de arbeidsmarkt
Aan het aantal werklozen kun je niet zien of iemand korte of lange tijd werkloos is. Het werkloosheidscijfer is een momentopname (een voorraadgrootheid). Om zicht te krijgen op de arbeidsmarkt zijn deinstroom en uitstroom van het aantal werklozen belangrijk. Op een dynamische arbeidsmarkt is een vlotte doorstroming van werkloosheid naar werk en omgekeerd. Werklozen zijn dan gemiddeld maar korte tijd werkloos.
Natuurlijke werkloosheid
Natuurlijke werkloosheid is werkloosheid die niet toe te schrijven is aan verminderde economische activiteit. Al draait de economie als een tierelier, ook dan heb je werklozen. De natuurlijke werkloosheid kan onderverdeeld worden in frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid.
Frictiewerkloosheid is werkloosheid gedurende het zoekproces naar een baan. De belangrijkste oorzaak van frictiewerkloosheid is onvolledige informatie bij zowel vragers als aanbieders op de arbeidsmarkt.
Structurele werkloosheid ontstaat door veranderingen in de economie zoals het vervangen van arbeid door machines, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en door te hoge lonen.
De omvang van de natuurlijke werkloosheid is ook afhankelijk van de arbeidsmobiliteit. Arbeidsmobiliteit is de mate waarin mensen bereid zijn te veranderen van werkgever, beroep of regio. Dit is weer afhankelijk van factoren die betrekking hebben op de inrichting van de arbeidsmarkt zoals de ontslagregeling, de hoogte en duur van de werkloosheidsuitkering, de mogelijkheden tot omscholing, etc.
Conjuncturele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid ontstaat door vraaguitval: de bestedingen dalen en daardoor daalt de productie en de werkgelegenheid. De werkloosheid neemt toe. We spreken dan van laagconjunctuur. De vraag naar arbeid daalt en de bezettingsgraad van de productiecapaciteit neemt af. De bezettingsgraad wordt gemeten door de feitelijke productie te delen door de productiecapaciteit. De productiecapaciteit is de maximaal haalbare productie.
Conjunctuurbeleid
In een periode van hoogconjunctuur is er krapte op de arbeidsmarkt. De vraag naar arbeid stijgt, het aantal vacatures loop op en de werkloosheid is laag. De economische bedrijvigheid leidt tot een hoge bezettingsgraad van de productiecapaciteit.
Het conjunctuurbeleid van de overheid is erop gericht de conjunctuur af te zwakken. In perioden van hoogconjunctuur is het beleid van de overheid gericht op het afremmen van de bestedingen door consumenten en producenten en het beperken van de eigen uitgaven. In een periode van laagconjunctuur zal de overheid de bestedingen juist willen stimuleren door haar eigen uitgaven te vergroten en/of de belastingen te verlagen.
Ook de rente is een instrument om de bestedingen te beïnvloeden. Bij hoogconjunctuur verhoogt de centrale bank de rentestand. Door de hogere rente wordt lenen duurder en zullen gezinnen en bedrijven minder lenen en dus minder besteden. Bij onderbesteding (laagconjunctuur) verlaagt de centrale bank de rentestand.

Links
Werkloos …en dan (videofilmpje van SchoolTV: 7 minuten)
Ik wordt werkloos: wat te doen? Uitleg van UWV.
Onvrijwillig werkloos, De Regel Neef Van Koot en Bie: 8 min.
Kernindicatoren van de Nederlandse economie (CBS).
Geactualiseerde CPB-raming 2013-2014: website.

Leerdoelen hoofdstuk 5
• Het onderscheid tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden toepassen.
• De voorwaarden noemen voor geregistreerde werkloosheid.
• De verschillende soorten werkloosheid onderscheiden naar hun oorzaak.
• De maatregelen beschrijven voor de bestrijding van de natuurlijke werkloosheid.
• Het beleid om de conjuncturele werkloosheid te verminderen analyseren.
• De werking van de loon-prijsspiraal beschrijven.
• Uitleggen hoe de overheid conjuncturele werkloosheid kan verminderen.
• Uitleggen hoe bestedingen via de rente kunnen worden beïnvloed.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
voorraadgrootheid – stroomgrootheden – natuurlijke werkloosheid – frictiewerkloosheid – structurele werkloosheid – arbeidsmobiliteit – arbeidsbemiddeling – conjuncturele werkloosheid – conjunctuur – laagconjunctuur – bezettingsgraad – productiecapaciteit – hoogconjunctuur – loon-prijsspiraal

Hoofdstuk 6

De arbeidsmarkt, geen gewone markt

Inhoudsopgave hoofdstuk 6
6.1 Is de arbeidsmarkt een markt van volledige mededinging?
6.2 De ideale arbeidsmarkt in theorie
6.3 Surplussen op de arbeidsmarkt
6.4 Loonstarheid
6.5 Transfer
6.6 Zelftest

Volkomen concurrentie
Een markt van volkomen concurrentie kenmerkt zich door:
– homogeen product (in de ogen van de afnemer is ieder product hetzelfde)
– transparantie (iedere vrager en aanbieder heeft volledig inzicht in het totale aanbod, de prijs en eventuele andere voorwaarden)
– vrije toetreding
– veel vragers en aanbieders (individuele vragers en aanbieders hebben geen invloed op de prijs).
Marktimperfecties op de arbeidsmarkt
– De arbeidsmarkt bestaat niet, het zijn allemaal deelmarkten.
– Arbeid is geen homogeen product: arbeidskrachten hebben specifieke kennis, opleiding, ervaring…
– De arbeidsmarkt is niet transparant, werkgever en werknemer beschikken niet over dezelfde informatie (de informatie is asymmetrisch).
– De vrije toetreding is beperkt: voor bepaalde beroepen heb je een diploma’s nodig.
– Door als collectief te onderhandelen, kunnen vakbonden een loon afdwingen dat hoger is dan het evenwichtsloon. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt het loon niet bepaald door vraag en arbeid. Het minimumloon legt een vloer onder de prijs van arbeid.
De ideale arbeidsmarkt in theorie
Hoewel de arbeidsmarkt niet alle kenmerken van volledige mededinging heeft, wordt in de economische theorie deze markt vaak opgevat als een markt van volkomen concurrentie. Vraag en aanbod bepalen de prijs (loon) en de hoeveelheid (werkgelegenheid). De veronderstelling is dan dat arbeid homogeen is en de arbeidsmarkt transparant. Dat is bij benadering waar voor deelmarkten binnen de arbeidsmarkt, zoals de markt van ongeschoolde arbeid of de markt voor leerkrachten in het basis¬onderwijs.

De lijn van het aanbod van arbeid geeft een beeld van de leveringsbereidheid van de werknemer. Naarmate het loon hoger is, zullen meer mensen bereid zijn arbeidskracht te leveren.
De lijn van de vraag naar arbeid is een weergave van de betalingsbereidheid van de werkgever. Naarmate het loon hoger is, zullen werkgevers minder bereid zijn werknemers in dienst te nemen, omdat de productiviteit van de werknemer dan lager kan zijn dan het loon.
Zolang de gevraagde hoeveelheid arbeid afwijkt van de aangeboden hoeveelheid arbeid zal het loon zich aanpassen. Dit aanpassingsproces, ook wel het prijs- of marktmechanisme genoemd, zorgt ervoor dat vraag en aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk worden.
Grafisch gezien vindt er zowel langs (over) de vraaglijn als langs (over) de aanbodlijn een verschuiving plaats.
We hebben tot nu toe verondersteld dat vraag naar arbeid en aanbod van arbeid alleen afhankelijk zijn van de hoogte van het loon. In werkelijkheid zijn er ook andere factoren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beïnvloeden. Als deze factoren veranderen, verschuift de vraaglijn of de aanbodlijn naar links of naar rechts.
Surplussen op de arbeidsmarkt
Het verschil tussen het evenwichtsloon en het minimale loon waartegen iemand bereid is arbeid te leveren noemen het werknemerssurplus. De welvaart van de werknemer stijgt met het surplusbedrag. Het verschil tussen de betalingsbereidheid van de werkgever en het evenwichtsloon noemen we het werkgeverssurplus. Door transacties af te sluiten op de arbeidsmarkt kunnen werkgevers en werknemers een surplus verwerven en hun welvaart vergroten. Bij het evenwichtsloon is de welvaartswinst maximaal. We noemen dit Pareto-efficiënt evenwicht. De welvaartswinst kan niet worden vergroot door een ander uurloon dan het evenwichtsloon te kiezen.
Als de arbeidsmarkt een markt van volledige mededinging zou zijn, komt onvrijwillige werkloosheid niet voor. Iemand die bij het evenwichtsloon geen baan heeft, heeft een te hoge leveringsbereidheid. Hij kiest ervoor vrijwillig werkloos te zijn.
Welvaartstheorie
In de welvaartstheorie leidt prijsregulering door de overheid en invoering van het cao-loon boven het evenwichtsloon tot een herverdeling van de surplussen en een afname van de totale welvaart. Dit welvaartsverlies is de prijs die betaald wordt om werknemers een redelijk inkomen te waarborgen.
Ook werkloosheidsuitkeringen hebben invloed op de arbeidsmarkt. Die uitkeringen zijn bedoeld om ontslagen werknemers van een inkomen te voorzien gedurende de periode dat ze werkloos zijn. Vaak is de hoogte van de uitkering gekoppeld aan het laatstverdiende loon. Een uitkering kan de prikkel verminderen om een nieuwe baan te vinden.
Loonstarheid
In een situatie van laagconjunctuur is volgens de markttheorie een daling van de lonen nodig om het evenwicht op de arbeidsmarkt te herstellen. In de praktijk blijkt dat de lonen zich op korte termijn niet neerwaarts aanpassen. Lonen zijn op korte termijn niet flexibel. We noemen dat loonstarheid. Dit komt onder andere omdat de lonen vaststaan voor de looptijd van de cao. Zodoende leidt loonstarheid bij een teruglopende conjunctuur tot werkloosheid. Op lange termijn zullen lonen zich wel aanpassen. Op lange termijn zijn lonen flexibeler dan op korte termijn.

Links
Loonvorming bij volkomen concurrentie: uitleg.
De arbeidsmarkt gesneltekend: videoclip 2 minuten.
Flexibiliteit op de arbeidsmarkt: videofilm 6 minuten.

Leerdoelen hoofdstuk 6
• De arbeidsmarkt analyseren met behulp van de welvaartstheorie.
• De oorzaken analyseren van imperfecties op de arbeidsmarkt.
• De gevolgen verklaren van de imperfecties op de arbeidsmarkt voor vraag, aanbod en surplus.
• Verklaren dat er sprake is van beperkte of ongelijke toetreding op deelmarkten van de arbeidsmarkt.
• Prijsregulering (minimumloon, cao) op de arbeidsmarkt beschrijven en dit grafisch onderbouwen.
• Uitleggen dat in situaties van laagconjunctuur door loonstarheid op korte termijn onvrijwillige werkloosheid ontstaat en op langere termijn, door werking van het marktmechanisme, het evenwicht herstelt kan worden en dit grafisch onderbouwen.
Kernbegrippen hoofdstuk 6
transactie – transparant – leveringsbereidheid – betalingsbereidheid – evenwichtsloon – krappe (gespannen) arbeidsmarkt – werknemerssurplus – werkgeverssurplus – welvaartswinst – Pareto-efficiënt evenwicht – imperfecte markt – prijsregulering – onvrijwillig werkloos – aanmoedigingsloon – loonstarheid