LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Werkloosheid

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 Wie is er werkloos?
5.2 Soorten werkloosheid
5.3 Conjunctuurbeleid
5.4 Transfer
5.5 Zelftest

Dynamiek op de arbeidsmarkt
Aan het aantal werklozen kun je niet zien of iemand korte of lange tijd werkloos is. Het werkloosheidscijfer is een momentopname (een voorraadgrootheid). Om zicht te krijgen op de arbeidsmarkt zijn de instroom en uitstroom van het aantal werklozen belangrijk. Op een dynamische arbeidsmarkt is een vlotte doorstroming van werkloosheid naar werk en omgekeerd. Werklozen zijn dan gemiddeld maar korte tijd werkloos.
Natuurlijke werkloosheid
Natuurlijke werkloosheid is werkloosheid die niet toe te schrijven is aan verminderde economische activiteit. Al draait de economie als een tierelier, ook dan heb je werklozen. De natuurlijke werkloosheid kan onderverdeeld worden in frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid.
Frictiewerkloosheid is werkloosheid gedurende het zoekproces naar een baan. De belangrijkste oorzaak van frictiewerkloosheid is onvolledige informatie bij zowel vragers als aanbieders op de arbeidsmarkt.
Structurele werkloosheid ontstaat door veranderingen in de economie zoals het vervangen van arbeid door machines, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en door te hoge lonen.
De omvang van de natuurlijke werkloosheid is ook afhankelijk van de arbeidsmobiliteit. Arbeidsmobiliteit is de mate waarin mensen bereid zijn te veranderen van werkgever, beroep of regio. Dit is weer afhankelijk van factoren die betrekking hebben op de inrichting van de arbeidsmarkt zoals de ontslagregeling, de hoogte en duur van de werkloosheidsuitkering, de mogelijkheden tot omscholing, etc.
Conjuncturele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid ontstaat door vraaguitval: de bestedingen dalen en daardoor daalt de productie en de werkgelegenheid. De werkloosheid neemt toe. We spreken dan van laagconjunctuur. De vraag naar arbeid daalt en de bezettingsgraad van de productiecapaciteit neemt af. De bezettingsgraad wordt gemeten door de feitelijke productie te delen door de productiecapaciteit. De productiecapaciteit is de maximaal haalbare productie.
Conjunctuurbeleid
In een periode van hoogconjunctuur is er krapte op de arbeidsmarkt. De vraag naar arbeid stijgt, het aantal vacatures loop op en de werkloosheid is laag. De economische bedrijvigheid leidt tot een hoge bezettingsgraad van de productiecapaciteit.
Het conjunctuurbeleid van de overheid is erop gericht de conjunctuur af te zwakken. In perioden van hoogconjunctuur is het beleid van de overheid gericht op het afremmen van de bestedingen door consumenten en producenten en het beperken van de eigen uitgaven. In een periode van laagconjunctuur zal de overheid de bestedingen juist willen stimuleren door haar eigen uitgaven te vergroten en/of de belastingen te verlagen.
Ook de rente is een instrument om de bestedingen te beïnvloeden. Bij hoogconjunctuur verhoogt de centrale bank de rentestand. Door de hogere rente wordt lenen duurder en zullen gezinnen en bedrijven minder lenen en dus minder besteden. Bij onderbesteding (laagconjunctuur) verlaagt de centrale bank de rentestand.

Links
Werkloos …en dan (videofilmpje van SchoolTV: 7 minuten)
Ik wordt werkloos: wat te doen? Uitleg van UWV.
Onvrijwillig werkloos, De Regel Neef Van Koot en Bie: 8 min.
Kernindicatoren van de Nederlandse economie (CBS).
Geactualiseerde CPB-raming 2013-2014: website.

Leerdoelen hoofdstuk 5
• Het onderscheid tussen voorraadgrootheden en stroomgrootheden toepassen.
• De voorwaarden noemen voor geregistreerde werkloosheid.
• De verschillende soorten werkloosheid onderscheiden naar hun oorzaak.
• De maatregelen beschrijven voor de bestrijding van de natuurlijke werkloosheid.
• Het beleid om de conjuncturele werkloosheid te verminderen analyseren.
• De werking van de loon-prijsspiraal beschrijven.
• Uitleggen hoe de overheid conjuncturele werkloosheid kan verminderen.
• Uitleggen hoe bestedingen via de rente kunnen worden beïnvloed.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
voorraadgrootheid – stroomgrootheden – natuurlijke werkloosheid – frictiewerkloosheid – structurele werkloosheid – arbeidsmobiliteit – arbeidsbemiddeling – conjuncturele werkloosheid – conjunctuur – laagconjunctuur – bezettingsgraad – productiecapaciteit – hoogconjunctuur – loon-prijsspiraal

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

arbeidsbemiddeling
Het bij elkaar brengen van werkgevers die personeel zoeken en werklozen die een baan zoeken.
arbeidsmobiliteit
De mate waarin mensen bereid zijn te veranderen van werkgever, beroep of regio.
bezettingsgraad
De mate waarin de productiecapaciteit van een land of van een onderneming wordt benut. Of: De verhouding tussen de werkelijke productie en de productiecapaciteit uitgedrukt in procenten.
conjunctuur
De op- en neergang in de economie als gevolg van schommelingen in de bestedingen (vraag).
conjuncturele werkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het tekort schieten van de bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit, waardoorde vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid.
frictiewerkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het feit dat er tussen het ontstaan van een vacature en het vervullen ervan tijd verloren gaat omdat een werkzoekende tijd nodig heeft om de baan te vinden en een werkgever tijd nodig heeft om een persoon te vinden. Dit komt onder andere voor bij schoolverlaters.
hoogconjunctuur
Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei.
laagconjunctuur
De bestedingen zijn lager dan de trend.
loon-prijsspiraal
Een ontwikkeling waarin een loonstijging (via doorberekening) de prijzen opdrijft, met als gevolg dat de prijzen via de prijscompensatie de lonen weer opdrijven. Als gevolg daarvan stijgen weer de prijzen, enzovoort.
natuurlijke werkloosheid
Werkloosheid die niet het gevolg is van veranderingen in de economie. Bijvoorbeeld: structurele werkloosheid en frictiewerkloosheid.
productiecapaciteit
De hoeveelheid goederen die een land of een bedrijf maximaal kan produceren in een periode (meestal een jaar).
stroomgrootheden
Grootheden die over een bepaalde periode worden gemeten.
structurele werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat door blijvende veranderingen in de economie zoals het vervangen van arbeid door machines, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en door te hoge lonen.
voorraadgrootheid
Grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.