LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

De grote recessie

Inhoudsopgave hoofdstuk 1
1.1 Van kredietcrisis naar recessie
1.2 Financiële markten
1.3 Banken
1.4 Crisisbestrijding
1.4.1 De klassieke visie op de economie
1.4.2 De crisis van de jaren dertig
1.4.3 De theorie van Keynes
1.5 Transfer
1.6 Zelftest

Inleiding

In het begin van deze eeuw werden de huizenprijzen in de VS en in andere landen torenhoog. Ook de de hypotheken die huiseigenaren afsloten waren ongekend hoog. In 2007 steeg de rente, stortte de huizenmarkt in en kelderden de prijzen. Veel huiseigenaren konden hun hypotheeklasten niet meer betalen. Banken die hypotheken hadden verstrekt dreigden failliet te gaan. De bestedingen van consumenten en bedrijven namen af. Door de recessie, die zo’n tien jaar duurde, is de groei van de economie en de welvaart afgezwakt.

Een belangrijke oorzaak van de recessie is de lage rente. Deze veroorzaakt zeepbellen, zoals we zagen op de huizenmarkt. De rente is laag door een toename van de mondiale besparingen en een afname van de investeringen.

Vermogensmarkt
De vermogensmarkt is het geheel van vraag en aanbod van vermogen. De aanbieders, beleggers genoemd, zijn de gezinnen, de bedrijven en soms de overheid als deze een overschot heeft. Pensioenfondsen zijn institutionele beleggers die pensioenpremies beleggen of financiële markten.
De vragers naar vermogen zijn de bedrijven, de gezinnen en de overheid. Bedrijven kunnen eigen vermogen of vreemd vermogen aantrekken. Het eigen vermogen wordt verschaft door de eigenaars van de onderneming en is permanent beschikbaar voor de onderneming. Eigen vermogen wordt bij vennootschappen (nv, bv) verkregen door het uitgeven van aandelen. Een aandeel is een bewijs van mede-eigendom van een nv of bv. Een aandeel geeft recht op een winstuitkering, het zogenaamde dividend.
Tot het vreemd vermogen horen leningen die op korte termijn of lange termijn moeten worden terugbetaald. Een voorbeeld van een lening is een obligatielening. Een obligatie (deeltje van een obligatielening) is een schuldbekentenis voor een langlopende lening met een vaste rente.
De vermogensmarkt bestaat uit een aantal deelmarkten. De meest gebruikte indeling van de vermogensmarkt is die in geldmarkt en kapitaalmarkt. Op de geldmarkt worden kortlopende kredieten (leningen) verhandeld, kredieten met een looptijd tot twee jaar. Op de kapitaalmarkt gaat het om langlopend en permanent vermogen.

Ruilen over de tijd
De rente is de prijs die op de vermogensmarkt tot stand komt. Wie spaart, stelt zijn bestedingen een tijd uit en kiest voor een aanwending van middelen in de toekomst. Wie leent, wil zijn bestedingen juist vervroegen. Omdat hij daarvoor niet de benodigde middelen heeft, zal hij geld lenen op de vermogensmarkt. Daardoor ontstaat ruil in de tijd. Op de vermogensmarkt worden de middelen en de bestedingen in de tijd op elkaar afgestemd. De prijs daarvan is de rente. Wie zijn consumptie naar voren wil halen in de tijd en bereid is daarvoor rente te betalen over een lening heeft een positieve tijdsvoorkeur.

Beleggen
Omdat de prijzen van huizen begin van deze eeuw lange tijd alleen maar stegen, werd het kopen van een huis als een goede belegging gezien. Het beoordelen van een belegging gebeurt aan de hand van het rendement.
Het rendement van een belegging is de opbrengst van die belegging uitgedrukt in procenten van het belegde bedrag. Het reële rendement is het nominale rendement gecorrigeerd voor inflatie.
Er is sprake van geldillusie als mensen alleen kijken naar de nominale waarde van het geld en geen rekening houden met de verandering van de reële waarde van het geld.
Beleggen is het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling een opbrengst te verkrijgen. Het geld in een oude sok stoppen of laten staan op een betaalrekening noemen we oppotten. Sparen wordt gedefinieerd als het niet besteden van inkomen.
Risico en rendement
Het risico van wanbetaling of debiteurenrisico neemt toe met de looptijd van de lening. Ook is er meer kans op inflatie waardoor de reële waarde van de lening afneemt. Beleggers (geldgevers) willen een extra vergoeding vanwege een hoger risico. De rente stijgt met de toename van het risico.
Aandelen hebben een hoger risico dan obligaties. Een obligatiehouder heeft recht op een jaarlijkse vaste rente-uitkering. Een aandeelhouder krijgt mogelijk dividend. De hoogte van de winst is bepalend of er dividend wordt uitgekeerd en hoeveel dat is. Een risicomijdende belegger kiest daarom voor obligaties.
Inflatie en rente
De reële rente wordt berekend door het nominale rentepercentage te corrigeren voor inflatie. Bij een nominale rente van 4% en een inflatie van 2% is de reële rente (104/102) × 100 – 100 = 101,96 – 100 = 1,96%.
Huizen en hypotheken

Als de ontwikkeling van de huizenprijzen een stijgende lijn vertoont, bestaat de kans dat de stijgende lijn wordt versterkt. Kopers verwachten een verdere prijsstijging en gaan versneld over tot aankoop. Omdat het aanbod op korte termijn niet kan toenemen leidt de extra vraag tot prijsstijgingen. De verwachtingen van de kopers komen uit. Dit is een voorbeeld van een selffullfilling prophecy: een voorspelling die uitkomt omdat voorspellers zich er naar gedragen. Een plotselinge daling van de huizenprijzen leidde tot onderwaterhypotheken: hypotheken die hoger zijn dan de waarde van de woning waarop de hypotheek rust. Mensen met een dergelijke hypotheek gaan in het algemeen aflossen en zullen niet veel besteden.

Aandelen en obligaties

De koersen van aandelen zullen stijgen als de winstgevendheid toeneemt. Een winsttoename  kan een gevolg zijn van een grotere afzet, van kostendalingen of van een combinatie. De koersen van (tweedehands) obligaties reageren tegenovergesteld aan een renteverandering. Als de rente stijgt en beleggers elders dus een hogere rente kunnen verdienen wordt de waarde van een vastrentende obligatie kleiner en daalt de koers.

Solvabiliteit en liquiditeit van banken
Solvabiliteit is de mate waarin bezittingen zijn betaald met vreemd vermogen (VV / TV). Een onderneming is solvabel als er tegenover het vreemde vermogen voldoende eigen vermogen staat. Een bank die solvabel is, is in staat al haar schulden te betalen. Bij een lage rente is het aantrekkelijk veel vreemd vermogen te gebruiken. Een bedrijf kan dan sterk profiteren van een positief hefboomeffect, waarbij het rendement op het eigen vermogen groter wordt dankzij goedkoop vreemd vermogen. Maar een lage solvabiliteit vormt een groot risico.  Als een bedrijf in de verliezen komt is er weinig eigen (buffer)vermogen en dreigt al snel faillissement.
De mate waarin een onderneming in staat is de kortlopende verplichtingen na te komen, noemen we de liquiditeit.

Centrale banken
De banken staan onder toezicht van de centrale bank die dwingende regels kan opleggen aan de banken. De centrale banken van de landen die de euro hebben ingevoerd, zijn onderdeel van de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt.
De centrale banken zijn belast met toezicht op de liquiditeit, de solvabiliteit, de risico’s en op de garantieregeling. Deze laatste houdt in dat  banktegoeden tot een bedrag van € 100.000 per persoon per bank zijn gegarandeerd. Als een bank failliet gaat, draaien de andere banken op voor de kosten van de garantieregeling.

De klassieke theorie
Volgens Adam Smith, de grondlegger van de klassieke theorie, komt het najagen van eigen belang de welvaart van de hele samenleving ten goede. De onzichtbare hand zorgt ervoor dat:
• bedrijven, gedreven door onderlinge concurrentie, zullen leveren wat consumenten willen kopen;
• door de onderlinge concurrentie bedrijven geen woekerwinsten maken;
• de hulpbronnen efficiënt worden ingezet voor die producten waaraan het meeste behoefte is;
• markten bewegen naar een evenwicht tussen vraag en aanbod.
Als er een aanbodoverschot is, zullen ondernemers hun prijzen verlagen om zo hun overschotten kwijt te raken. Door de prijsdaling stijgt de vraag (daalt het aanbod) en ontstaat er weer evenwicht tussen vraag en aanbod. Het mechanisme dat zorgt voor evenwicht noemen we het marktmechanisme of het prijsmechanisme ( = onzichtbare hand).
De economen die deze visie delen noemen we klassieke economen. Hun benadering van de economie is micro-economisch. De nadruk ligt daarbij op de aanbodzijde van de economie.
Sturing of overheidsingrijpen ontregelt dit systeem en is dus uit den boze.
Volgens de klassieken zullen ondernemingen de productiecapaciteit steeds volledig benutten. Bij volledige bezetting van de productiecapaciteit profiteren bedrijven maximaal van schaalvoordelen en is de kostprijs het laagst. De afzet is bij de klassieken geen probleem, want produceren leidt tot vorming van inkomen. Een deel van het inkomen wordt geconsumeerd. De rest, het deel dat wordt gespaard, komt via banken terecht bij de bedrijven die het geld investeren in gebouwen en machines. Uiteindelijk zal het hele inkomen opgaan aan de aanschaf van consumptiegoederen en kapitaalgoederen. Vandaar ook de stelling dat elk aanbod zijn eigen vraag schept.

De keynesiaanse theorie
Volgens Keynes, de grondlegger van de keynesiaanse theorie, is de klassieke theorie ongeschikt om een economische crisis te lijf te gaan. Het individuele belang valt niet samen met het maatschappelijk belang. In onzekere tijden gaan consumenten meer sparen zodat de consumptie afneemt, de productie daalt en het inkomen daalt. Dit versterkt de crisis. Wat micro-economisch verstandig lijkt, pakt macro-economisch slecht uit. Er is hierbij sprake van een soort gevangenendilemma. Het marktmechanisme slaagt er niet in de evenwichten op de markten te herstellen en heeft juist een destabiliserende werking die leidt tot nog grotere overschotten.
Keynes benadering is macro-economisch en legt de nadruk op de vraagzijde van de economie. Het begrip effectieve vraag staat hierbij centraal.
Bij Keynes bepaalt de effectieve vraag op korte termijn hoeveel er wordt geproduceerd en verdiend en niet de productiecapaciteit. De productiecapaciteit is op korte termijn een gegeven. Bij een economische crisis wordt de productiecapaciteit niet volledige benut omdat de effectieve vraag te laag is. De effectieve vraag is dan kleiner dan de normale bezitting van de productiecapaciteit, we noemen dit onderbezetting of laagconjunctuur. In zo’n situatie stellen de consumenten en de bedrijven hun aankopen uit. De prijsverlagingen die daarvan het gevolg zijn, versterken de vraaguitval en veroorzaken een toename van de werkloosheid. Als de effectieve vraag groter is dan de normale bezetting van de productiecapaciteit, spreken we van overbesteding of hoogconjunctuur. Hier ontstaat een vraagoverschot en daardoor stijgen de prijzen.

Keynesiaans beleid bij een crisis
Bij onderbesteding moet de overheid de bestedingen stimuleren en bij overbesteding moet de overheid de vraag afremmen. Dit laatste noemen we een contractief of afremmend beleid.
De overheid kan de effectieve vraag (bestedingen) beïnvloeden door:
• overheidsbestedingen te vergroten of te verkleinen;
• te zorgen dat particulieren meer of minder gaan besteden (door sturing via belastingen, sociale premies, uitkeringen en subsidies).
Omdat de economie perioden kent van hoogconjunctuur en laagconjunctuur moet de overheid een anticyclisch conjunctuurbeleid voeren. Dit betekent dat de overheid de bestedingen bij laagconjunctuur stimuleert en deze bij hoogconjunctuur afzwakt. Bij laagconjunctuur zullen daardoor de overheidsontvangsten dalen en de overheidsuitgaven stijgen. Bij hoogconjunctuur stijgen de overheidsontvangsten en dalen de overheidsuitgaven.
Het begrotingsbeleid is een onderdeel van de keynesiaanse aanpak van de conjunctuur. De overheid financiert bij laagconjunctuur het tekort door te lenen, bijvoorbeeld door het uitgeven van staatsobligaties. De aflossing van de leningen kan plaatsvinden op het moment dat de economie in een hoogconjunctuur zit. Het lenen van geld in een situatie van laagconjunctuur is geen probleem omdat particulieren dan te weinig uitgeven en teveel sparen. De overheid leent de extra besparingen van de particuliere sector. Het particulier spaaroverschot wordt gebruikt om het tekort van de overheid te dekken.
Het keynesiaanse conjunctuurbeleid kan worden ondersteund met monetair beleid. Bij laagconjunctuur zal de centrale bank de rente verlagen of laag houden waardoor de particuliere bestedingen worden gestimuleerd.

Keynes of Smith
Tijdens de internationale crisis in 1974 doet zich een nieuw verschijnsel voor waarbij een hoge werkloosheid wordt gecombineerd met inflatie. Omdat keynesiaanse instrumenten de crisis niet oplossen, groeit de overtuiging dat de malaise niet conjunctureel maar structureel van aard is. Veel economen ruilen de keynesiaanse visie in voor de klassieke visie. De crisis van 2008 leidt tot een comeback van het keynesiaanse denken. Wereldwijd wordt in 2008 en 2009 de economie door de overheid gestimuleerd. In Nederland is actieve stimulering minder noodzakelijk door de ingebouwde conjunctuurstabilisatoren die de conjunctuurbeweging dempen.
Wel groeien de overheidstekorten sterk door het stimuleringsbeleid van de overheid (6% van het bbp) en stijgt de staatsschuld. De staatsschuldquote, de schuld in procenten van het bbp, loopt op van 45% in 2007 naar 63% in 2010. Reden om over te gaan tot bezuinigingen.

Links

De zeepbel van de woningmarkt in de VS: video.
Alles over inflatie: videofilmpje 20 minuten.
Risico en rendement: video 3 min.
Solvabiliteit en liquiditeit: video 9 minuten.
Conjuncturele ontwikkeling: schooltv 15 minuten.
Conjunctuur en structuur: videofilmpje 15 min.

Leerdoelen hoofdstuk 1

  • de wisselwerking tussen de rente, de vraag en het aanbod op de vermogensmarkt analyseren.
  • de invloed verklaren van tijdsvoorkeur op de hoogte van rente.
  • verschillen in rente verklaren uit verschillende soorten risico.
  • de geldmarkt en de kapitaalmarkt onderscheiden.
  • het begrip geldillusie verklaren aan de hand van nominale en reële ontwikkelingen.
  • kenmerken noemen van aandelen en obligaties.
  • de afweging van beleggers tussen rendement en risico analyseren.
  • de (verwachte) beleggingsrendementen verklaren met de (verwachte) rentestand, inflatie en winst.
  • de hefboomwerking analyseren.
  • het belang van liquiditeit en solvabiliteit van banken uitleggen en analyseren aan de hand van bankbalansen.
  • de gevolgen van een crisis voor de overheidsfinanciën uitleggen.
  • omschrijven wat de klassieke theorie is en hoe deze theorie op verschillende markten kan worden toegepast.
  • omschrijven wat de keynesiaanse theorie is en hoe deze theorie in het kader van anticyclisch conjunctuurbeleid wordt toe­gepast in situaties van onder- en over­besteding.
  • het verschil uitleggen tussen anticyclisch en procyclisch conjunctuurbeleid.
  • verschillen tussen de klassieke en de keynesiaanse theorie noemen.
  • de werking van het marktmechanisme beschrijven.
  • keynesiaanse en klassieke elementen in actuele bronnen herkennen.
  • voorbeelden van conjunctuur­maat­regelen noemen en hun werking verklaren.

Kernbegrippen hoofdstuk 1

recessive – selffulfilling prophecy – rendement – geldillusie – tijdsvoorkeur – sparen – oppotten – beleggen – vermogensmarkt – eigen vermogen – aandeel – dividend – vreemd vermogen – hypothecaire lening – obligatie – geldmarkt – kapitaalmarkt – risicopremie – nominale rente – reële rente – centrale bank- liquiditeit – solvabiliteit – hefboomwerking – arbeidsdeling – marktmechanisme (prijsmechanisme) – klassieke theorie – goederen- en dienstenmarkt – arbeidsmarkt – vermogensmarkt  – inflatie – deflatie – macro-economie – effectieve vraag – onderbesteding (laagconjunctuur) – overbesteding (hoogconjunctuur) – bestedingsevenwicht – keynesiaans beleid – anticyclisch conjunctuurbeleid – procyclisch conjunctuurbeleid.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 1

aandeel
Verhandelbaar bewijs van mede-eigendom van een onderneming. Als het bedrijf winst maakt, ontvangt de aandeelhouder dividend.
beleggen
Gezinnen en bedrijven zetten geld wat ze tijdelijk niet nodig hebben voor consumptie of investeringen om in financiële of materiële activa.
beurskoers
Prijs van aandelen/obligaties op een bepaald moment op de effectenbeurs. Deze koers wordt bepaald door vraag en aanbod op de beurs.
centrale bank
Een centrale bank verzorgt de aanmaak van geld (chartaal geld: bankbiljetten en munten) en houdt toezicht op de algemene banken, die het girale betalingsverkeer verzorgen.
dividend
Winstuitkering aan aandeelhouders van een nv of een bv.
eigen vermogen
Het door de eigenaren ingebrachte geld.
geldillusie
Situatie als mensen alleen kijken naar de nominale waarde van het geld en geen rekening houden met de verandering van de reële waarde.
geldmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar kredieten, leningen en dergelijke worden verstrekt en verhandeld met een looptijd korter dan twee jaar. Hieronder vallen spaarrekeningen voor particulieren bij banken, het kopen op afbetaling enzovoort.
hypothecaire lening (= hypotheeklening)
Lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
hypotheeklening (= hypothecaire lening)
Lening bij een bank met onroerend goed (huis of grond) als onderpand.
kapitaalmarkt
Deel van de vermogensmarkt waar langlopende leningen en permanent vermogen verhandeld worden.
nominale rente
Rentepercentage dat de bank geeft of vraagt voor sparen of lenen.
obligaties
Verhandelbaar bewijs van deelneming in een geldlening aan bedrijven of de overheid met een vaste rente en vaste looptijd.
oppotten
Geld bewaren zonder dat het iets oplevert (renteloos bewaren).
rendement
Opbrengst van het belegde vermogen in aandelen en obligaties.
reële rente
De nominale rente gecorrigeerd voor de inflatie.
risicopremie
De verschaffers van vermogen berekenen in de rente die zij vragen ook een vergoeding voor het risico dat zij lopen op een belegging.
ruilen over de tijd
Geld verdienen en geld uitgeven gebeurt in verschillende periodes.
selffulfilling prophecy
Een voorspelling op grond waarvan mensen zich zo gaan gedragen dat de voorspelling ook werkelijk uitkomt.
sparen
Het niet consumeren van een deel van het inkomen.
vermogensmarkt
Het geheel van vraag naar en aanbod van vermogen zowel op korte termijn als op lange termijn.
vreemd vermogen
Het door schuldeisers ingebrachte geld.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.