LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Structuur en conjunctuur

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Inleiding
3.2 Structuur
3.3 Conjunctuur
3.4 Transfer
3.5 Zelftest

Economische groei
Economische groei wordt gemeten aan de hand van de ontwikkeling van reële bruto binnenlands product (bbp). Het bbp wordt bepaald door de bestedingen en de productiecapaciteit. De productiecapaciteit geeft aan wat er maximaal geproduceerd kan worden. De bestedingen bepalen de bezettingsgraad, dat wil zeggen de mate waarin de productiecapaciteit wordt benut.
De bestedingen vormen de vraagkant ofwel de conjuncturele kant van de economie. De productiecapaciteit is onderdeel van de aanbodkant of structurele kant van de economie.
Structuur
De gemiddelde groei van de productie over een langere periode noemen we de structurele ontwikkeling, de trendmatige groei of kortweg de trend. De groei van de productiecapaciteit wordt bepaald door de ontwikkeling van de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap, ook wel aanbodfactoren of groeifactoren genoemd. Hierbij gaat het zowel om de kwantiteit als de kwaliteit van de productiefactoren.
Arbeid
Zowel de kwaliteit als de omvang van de beroepsbevolking heeft invloed op de productiecapaciteit. Een betere kwaliteit van de beroepsbevolking ontstaat door scholing, specialisatie, ervaring/knowhow en gezondheid, en komt tot uitdrukking in een hogere arbeidsproductiviteit. De omvang van de beroepsbevolking (kwantiteit) wordt bepaald door de omvang en de samenstelling van de bevolking, de participatiegraad en wetgeving over bijvoorbeeld leerplichtleeftijd en pensioenleeftijd. Arbeidsproductiviteit en loonkosten bepalen de loonkosten per eenheid product, een belangrijke graadmeter voor de concurrentiepositie. Volgens sommigen zijn de loonkosten te hoog door het bestaan van de wig..
Kapitaal
De hoeveelheid kapitaalgoederen en de kwaliteit ervan bepalen mede de omvang van de productiecapaciteit. Uitbreidingsinvesteringen, maar ook vervangingsinvesteringen, kunnen leiden tot een grotere capaciteit. Door de kwaliteit van de vaste kapitaalgoederen te verbeteren stijgt de arbeidsproductiviteit. De kwaliteit verbetert door toepassingen van nieuwe technologieën, die resulteren in nieuwe productieprocessen en nieuwe producten (innovatie). Technologische vernieuwing leidt tot creatie en destructie van werkgelegenheid (creatieve destructie).
Natuur
Ook natuurlijke omstandigheden zoals geografische ligging, bodemgesteldheid, winbare bodemschatten en klimaat bepalen de productiecapaciteit van een land.
Ondernemerschap
Goed ondernemerschap kan zorgen voor een efficiënte organisatie van het productieproces waardoor de productiecapaciteit positief beïnvloed wordt.
N.B. In de praktijk wordt de productiecapaciteit van een land bepaald door de productiefactor die het minst beschikbaar is. Dit noemen we de knelpuntfactor.

Conjunctuur
Op korte termijn bepalen de bestedingen de hoogte van het bbp en dus ook van het inkomen. De bestedingen, ook wel vraagfactoren genoemd, bestaan uit consumptie, investeringen en export. De bestedingen kennen geen stabiel verloop, soms zijn ze hoger dan de gemiddelde groei (trend) en soms zijn ze lager. We noemen dit de conjunctuurbeweging of kortweg de conjunctuur. Bij een groei boven de trend is er sprake van hoogconjunctuur, bij een groei lager dan de trend is er sprake van laagconjunctuur. Twee bijzondere vormen van laagconjunctuur zijn een recessie en een depressie.
Categoriale inkomensverdeling en conjunctuur
De verdeling van het inkomen over de verschillende inkomenscategorieën (rente, pacht, winst, huur en loon) noemen we de categoriale inkomensverdeling. We maken hieronder onderscheid tussen de arbeidsinkomensquote (aiq) en de overig inkomensquote (oiq). Tlz staat voor toegerekend loon zelfstandigen.
eccr-3
Het niveau van de aiq verschilt per bedrijfstak. Dat komt door de grote verschillen in verhouding van de inzet van arbeid en kapitaal. De ontwikkeling van de aiq in de loop van de tijd is een graadmeter voor de ontwikkeling van de winstgevendheid van het bedrijfsleven. Een stijgende aiq kan wijzen op minder winstgevendheid bij de bedrijven, waardoor investeringen in gevaar kunnen komen en daarmee de werkgelegenheid. Door loonmatiging, dit wil zeggen dat de lonen minder stijgen dan op basis van inflatie en arbeidsproductiviteitsstijging mogelijk is, daalt de aiq en stijgt de beloning voor kapitaal, vooral de winst.
Conjunctuurindicatoren
Conjunctuurindicatoren zijn statische instrumenten die het verwachte en het feitelijke conjunctuurverloop weergeven. Het CBS onderscheid drie soorten indicatoren:
– vertrouwensindicatoren: ze lopen op de feitelijke bestedingen en feitelijke productie vooruit en geven zicht op de te verwachten conjunctuur. Voorbeelden van vertrouwensindicatoren zijn het consumentenvertrouwen, het producentenvertrouwen, orders en grote aankopen). De vertrouwensindicator wordt berekend door het percentage optimisten te verminderen met het percentage pessimisten
– economische indicatoren: ze geven de feitelijke ontwikkeling van de conjunctuur weer. Voorbeelden zijn de (industriële) productie, het bbp, de investeringen, de uitvoer en de consumptie.
– arbeidsmarktindicatoren: ze lopen achter op de conjunctuur, ze geven een beeld van de gevolgen die de conjuncturele ontwikkeling heeft voor de arbeidsmarkt. Voorbeelden hiervan zijn het arbeidsvolume, uitzenduren, werkloosheid, vacatures en faillissementen.
Tussen deze indicatoren bestaat een verband in de tijd. Een stijging van het consumentenvertrouwen leidt pas na enige tijd tot een toename van de consumptie en de productie. De feitelijke conjunctuur loopt op haar beurt weer vooruit op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheid reageert vertraagd op de conjunctuur. Een ondernemer ontslaat zijn werknemers niet meteen aan het begin van een conjuncturele neergang.

Conjunctuurklok
In de conjunctuurklok zijn de vier conjunctuurfasen als volgt te karakteriseren:
– linksonder: laagconjunctuur, groei onder de trend en afnemend.
– rechtsonder: conjunctureel herstel (opleving), groei onder de trend en toenemend.
– rechtsboven: hoogconjunctuur, groei boven de trend en toenemend.
– linksboven: conjuncturele neergang (teruggang), groei boven de trend en afnemend.
conjunctuurklok

Links

De categoriale inkomensverdeling: video 9 minuten.
Conjunctuur en conjunctuurindicatoren: video 10 min.
Hoe werkt de conjunctuurklok (Youtube/CBS/4 minuten).

Leerdoelen hoofdstuk 3

  • Uitleggen hoe ontwikkelingen van de verschillende productiefactoren de samenstelling en omvang van de productiecapaciteit kunnen beïnvloeden.
  • Uitleggen wat de invloed is van de verschillende productiefactoren op de hoogte en groei van het bruto binnenlands product.
  • Het verschil uitleggen tussen nominale en reële economische groei.
  • Uitleggen hoe zowel de productiecapaciteit als de bestedingen de hoogte van het bruto binnenlands product beïnvloeden.
  • Structuurontwikkeling en groei van het bbp door inzet van de productiefactoren verklaren en met voorbeelden uitleggen dat menselijk kapitaal en technologische vooruitgang van steeds groter belang zijn.
  • Uitleggen door welke factoren de arbeidsproductiviteit bepaald wordt.
  • Factoren noemen die de omvang van de beroepsbevolking bepalen.
  • Verklaren wat de invloed van investeringen is op de arbeidsproductiviteit.
  • Verklaren wat de invloed van investeringen is op de productiecapaciteit.
  • Uitleggen door welke factoren de arbeidsproductiviteit en daarmee de kwaliteit van de productiefactor arbeid bepaald wordt.
  • Uitleggen door welke factoren de kwantiteit van de productiefactor arbeid bepaald wordt.
  • Uitleggen door welke factoren de kwaliteit van de productiefactor kapitaal bepaald wordt.
  • Uitleggen door welke factoren de kwantiteit van de productiefactor kapitaal bepaald wordt.
  • Verklaren wat de invloed is van de verschillen in de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit op de omvang van de productie en de prijzen van producten.
  • De feitelijke groei van het bnp vergelijken met de trendmatige groei (laagconjunctuur en hoogconjunctuur).
  • Beschrijven wat de gevolgen zijn van laagconjunctuur.
  • Beschrijven wat de gevolgen zijn van hoogconjunctuur.
  • Met voorbeelden uitleggen dat ontwikkelingen op een bepaalde markt gevolgen kunnen hebben voor de uitkomsten op een andere markt.
  • De verschillende inkomenscategorieën classificeren en ontwikkelingen in de categoriale inkomensverdeling verklaren.
  • Uitleggen waarom de arbeidsinkomensquote (aiq) een belangrijke maatstaf is bij loononderhandelingen.
  • Het verband uitleggen tussen een veranderende arbeidsinkomensquote en de gevolgen voor de winstgevendheid en het investeringsbeleid van bedrijven.
  • Voorbeelden geven van conjunctuurindicatoren en aantonen dat deze indicatoren aanwijzingen kunnen zijn voor veranderingen in de groei van het bbp.
  • Aan de hand van de conjunctuurklok vaststellen of een economie in een situatie van hoogconjunctuur, laagconjunctuur, conjunctureel herstel (opleving) of conjuncturele neergang (teruggang) verkeert.

Kernbegrippen hoofdstuk 3
Productiecapaciteit – bezettingsgraad – trendmatige groei (trend) –arbeidsproductiviteit – wig – potentiële beroepsbevolking – beroepsgeschikte bevolking – beroepsbevolking – netto participatiegraad –bruto participatiegraad – deeltijdbaan – arbeidsjaar – ondernemingsklimaat – innovatie – creatieve destructie – wederuitvoer – toegerekend loon zelfstandigen – arbeidsinkomensquote (aiq).

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3

afschrijvingen
De bedragen die elk jaar opzij worden gezet om vaste kapitaalgoederen op het einde van de economische levensduur te kunnen vervangen door nieuwe kapitaalgoederen. De afschrijvingen zijn gelijk aan de vervangingsinvesteringen.
bedrijfskolom
Bestaat uit alle bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen van oerproduct tot aanbieder van het eindproduct (boer………bakkerswinkel).
bedrijfstak
Alle bedrijven die eenzelfde soort productie verzorgen, bijvoorbeeld alle bakkerswinkels. Zo heb je ook de bedrijfstak bouw of metaal.
bruto binnenlands product
De toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid bij elkaar opgeteld.
bruto investeringen
Som van alle investeringen in kapitaalgoederen. De bruto investeringen zijn gelijk aan de uitbreidingsinvesteringen plus de investeringen in voorraden plus de vervangingsinvesteringen.
bruto toegevoegde waarde
Omzet min de inkoopwaarde van de omzet.
duurzame ontwikkeling
Een ontwikkeling van de economie die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van toekomstige generaties aan te tasten.
economische groei
De stijging van het reëel bruto binnenlands product.
externe effecten
Een gevolg van productie en/of consumptie voor de welvaart van anderen die niet in de prijs van het product is doorberekend.
finale bestedingen
Bestedingen aan eindproducten die geen verdere bewerking behoeven en gereed zijn voor gebruik bij consumptie of productie.
financiële instellingen
Instellingen die geld ontvangen van gezinnen en bedrijven met een overschot en dit uitlenen aan gezinnen en bedrijven met een tekort.
monetaire kringloop
Een schematische weergave van de geldstromen in een land.
netto investeringen
De uitbreidingsinvesteringen en de investeringen in voorraden.
netto toegevoegde waarde
De bruto toegevoegde waarde min de afschrijvingen.
primair inkomen
Het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Voorbeelden: loon, rente, huur, pacht en winst.
reële kringloop
Een schematische weergave van de goederen- en dienstenstromen in een land.
uitbreidingsinvesteringen
Investeringen in extra vaste kapitaalgoederen om zo meer te kunnen produceren.
vaste kapitaalgoederen
Kapitaalgoederen die meerdere jaren meegaan, zoals gebouwen en machines.
vervangingsinvesteringen
Investeringen om versleten kapitaalgoederen te vervangen.
vlottende kapitaalgoederen
Kapitaalgoederen die tijdens één productieproces of binnen een jaar worden verbruikt.
voorraadinvesteringen
Niet verkochte goederen bij bedrijven.
welvaart
De mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.