LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Monetair beleid

Inhoudsopgave hoofdstuk 5

5.1 Vraag en aanbod van geld
5.2 Monetair beleid
5.3 De verkeersvergelijking van Fisher
5.4 Geld is neutraal op lange termijn
5.5 Transfer
5.6 Zelftest

Vraag naar geld
Geld is in de eerste plaats een ruilmiddel, het is nodig voor transacties. Het geld dat gebruikt wordt voor transacties is actief geld. De behoefte aan actief geld noemen we de transactievraag naar geld. De vraag naar actief geld hangt af van de hoogte van het inkomen.
Daarnaast houden mensen ook geld in kas voor onvoorziene omstandigheden en als ze een rentestijging verwachten. Het geld wordt dan gebuikt als oppotmiddel. Het opgepotte geld heeft een omloopsnelheid van nul en heet daarom inactief geld. Het voordeel van oppotten is dat de eigenaar onmiddellijk over het geld kan beschikken. Het nadeel is dat het opgepotte geld geen rente oplevert. Oppotten is een manier van sparen die geen inkomen oplevert. De opofferingskosten van het aanhouden van geld in liquide vorm is de gederfde rente. En hoe hoger de rente hoe hoger de opofferingskosten.
Geldaanbod
Het aanbod van geld is afkomstig van de centrale bank en de kredietverlenende banken. De centrale bank zorgt voor de munten en bankbiljetten die in omloop zijn, het chartale geld.
Giraal geld wordt geschapen door banken die krediet verlenen. Kredietverlening is voor banken een winstgevende activiteit, omdat het rente oplevert.
Het totale geldaanbod of de geldhoeveelheid bestaat uit het chartale en girale geld in handen van gezinnen en bedrijven.
Monetair beleid
Voor de Europese Centrale Bank (ECB) is het beperken van de inflatie de hoofddoelstelling. De ECB wil de inflatie beperken tot 2%. Om de geldhoeveelheid niet te veel te laten groeien, stelt de ECB eisen aan de kredietverlening door banken. De banken moeten tegenover de verleende kredieten een minimaal bedrag aan liquide middelen in kas houden: het minimale dekkingspercentage. De centrale bank kan het minimale dekkingspercentage verhogen of verlagen.
De ECB stuurt de groei van de geldhoeveelheid vooral via de officiële rente op de geldmarkt, dat is de rente die banken betalen aan de ECB als zij daar geld lenen. Door het verhogen van de officiële rente neemt de vraag naar kredieten af en het aanbod toe. De verminderde vraag naar kredieten remt de groei van de geldhoeveelheid.
Tijdens een recessie verlaagt de ECB de rente om de geldmarkt te verruimen. Een verlaging heeft geen zin zodra de nominale rente negatief wordt, want dan wordt het geld niet langer uitgeleend maar cash aangehouden. Bij deze nulondergrens (zero lower bound) zit de economie in een liquiditeitsval (liquidity trap).

Bij een liquiditeitsval kan de ECB overgaan tot openmarktpolitiek. Ze koopt dan  obligaties van de banken of van bedrijven. Daardoor daalt de kapitaalmarktrente.
Een ruim-geldbeleid leidt tot een daling van de rente en stimuleert de kredietverlening, waardoor de bestedingen zullen stijgen. Dit bevordert economische groei. Een krap-geldbeleid leidt tot een stijging van de rente waardoor de kredietverlening afneemt. De bestedingen dalen hierdoor en de bestedingsinflatie wordt afgeremd.

De verkeersvergelijking van Fisher
M × V = P × T of MV = PT
MV = geldstroom in een bepaald jaar en PT is de waarde van de goederenstroom die daar tegenover staat. MV is de monetaire sector en PT de reële sector van de economie. De verkeersvergelijking verklaart niets, het is een noodzakelijke gelijkheid.
De huidige monetaire theorie maakt gebruik van het reële bbp en komt tot de volgende vergelijking:
M × V = P × Yr, met Yr = het reële bbp.
Op lange termijn is geld neutraal
Volgens de klassieken wordt op lange termijn de productiecapaciteit volledig benut en is de omloopsnelheid van het geld constant. Als bij volledige bezetting van de productiecapaciteit de geldhoeveelheid verdubbelt, kan dat alleen maar leiden tot een verdubbeling van het prijsniveau omdat de omloopsnelheid van het geld constant is. Een verdubbeling van de geldhoeveelheid leidt wel tot een nominale verdubbeling van de productiewaarde (P × Yr) maar niet tot een verandering van de reële productie (Yr). De neutraliteit van het geld houdt in dat een verandering van de geldhoeveelheid geen invloed heeft op de reële productie maar alleen op het prijsniveau.
Hyperinflatie
Hyperinflatie ondermijnt het vertrouwen in het geld. Het geld verliest dan zijn functies als oppotmiddel, ruilmiddel en rekenmiddel.
Geldgroeiregel
Op basis van de neutraliteit van het geld is de volgende geldgroeiregel geformuleerd: op lange termijn moet de groei van de geldhoeveelheid gelijke tred houden met de groei van de productiecapaciteit. Groeit de geldhoeveelheid harder dan de productiecapaciteit dan ontstaat er inflatie.
Keynesiaanse economen benadrukken dat de omloopsnelheid kan variëren, omdat ze analyseren op de korte termijn. Een recessie kan gepaard gaan met een daling van de omloopsnelheid.

Links

De monetaire unie: schooltv 15 minuten.
Monetair beleid ECB: video 4 min.
Monetaire beleidsinstrumenten ECB: 6 min.
Verkeersvergelijking van Fisher: video 8 min.
Prijsstabiliteit: propagandafilmpje van DNB: 8 min.
Hyperinflatie: video 5 min.

Leerdoelen hoofdstuk 5

  • De vraag naar geld herleiden tot de motieven voor het aanhouden van geld.
  • De invloed van de rente analyseren op de vraag naar geld.
  • De werking van de instrumenten analyseren waarmee de centrale bank het aanbod van geld kan beïnvloeden.
  • De overwegingen analyseren van de centrale banken bij het voeren van een ruim-geldbeleid of van een krap-geldbeleid.
  • Uitleggen op welke wijze een centrale bank monetair beleid kan inzetten om de inflatie te beteugelen en welke andere effecten dit beleid op de conjunctuur kan hebben.
  • De verkeersvergelijking van Fisher en de verschillende variabelen van deze vergelijking interpreteren.
  • De neutraliteit van geld verklaren en toelichten aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher.
  • Verklaren dat de geldfuncties in gevaar komen of vervallen bij hyperinflatie en dat een economie dan overgaat tot ruil in natura.
  • verklaren dat het verlagen van de reële rente wordt beperkt door de nul ondergrens.
  • uitleggen dat een liquiditeitsval het beleid van een centrale bank bemoeilijkt.
  • mede aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher verklaren hoe een liquiditeitsval (liquidity trap) kan ontstaan.
  • uitleggen hoe een centrale bank de rente op de kapitaalmarkt kan beïnvloeden.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
Liquide – ruilmiddel – actief geld – transactievraag – oppotmiddel – inactief geld – oppotten – chartale geld – giraal geld – geldhoeveelheid – monetair beleid – minimaal dekkingspercentage – officiële rente – openmarktpolitiek – ruim-geldbeleid – krap-geldbeleid – omloopsnelheid van het geld – verkeersvergelijking van Fisher – neutraliteit van het geld – hyperinflatie – nulondergrens (zero lower bound) – liquiditeitsval (liquidity trap).

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

anticyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat tegen de conjunctuurgolf ingaat om zo de conjunctuurschommelingen te dempen. Als het slecht gaat met de economie dan stimuleert de overheid de economie door de belastingen te verlagen en/of de overheidsbestedingen te verhogen.
automatische conjunctuurstabilisatoren
Mechanismen in het overheidsbeleid die vanzelf zorgen voor een vlakker verloop van de conjunctuur zoals sociale uitkeringen en progressieve belastingen.
incidentele uitgaven
Uitgaven die niet regelmatig gedaan worden.
overheidssaldo
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar.
overheidsschuld
De schuld van de overheid.
overheidsschuldquote
De overheidsschuld als percentage van het bbp.
overheidstekort
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar, waarbij de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten.
overheidsoverschot
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar, waarbij de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven.
procyclisch 
Het versterken van de conjunctuurbeweging.
ruilen over de tijd
Geld verdienen en geld uitgeven gebeurt in verschillende periodes.
structurele uitgaven 
Uitgaven die jaarlijks terugkomen.
uitgestelde belastingheffing
Hiervan is sprake bij het ontstaan van overheidstekorten: huidige overheidsuitgaven worden dan niet betaald door de belastingbetalers van nu maar uit toekomstige belastinginkomsten.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.