LWEO

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6

Het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel

Inhoudsopgave hoofdstuk 6

6.1 De geaggregeerde vraag
6.2 Het geaggregeerde aanbod op korte termijn
6.3 Het korte-termijnevenwicht
6.4 Het geaggregeerde aanbod op lange termijn
6.5 Het lange-termijnevenwicht
6.6 Van korte-termijnevenwicht naar lange-termijnevenwicht
6.7 Verschuiving van de macrovraaglijn en de macroaanbodlijn
6.8 Aanbodschokken en vraagschokken verstoren het evenwicht
6.9 Het geaggregeerde aanbod bij de klassieken en bij Keynes
6.10 Transfer
6.11 Zelftest

De geaggregeerde vraag
De geaggregeerde vraag of macro-economische vraag is de totale hoeveelheid goederen en diensten die consumenten producten, overheid en buitenland in een jaar willen kopen = C + I + O + E – M. Er bestaat een negatief verband tussen het algemeen prijspeil (CPI) en de omvang van de geaggregeerde vraag. De geaggregeerde vraag heeft een(dalend verloop. Er zijn hiervoor 3 verklaringen:

1. Een stijging van het algemeen prijspeil leidt tot een aantasting van de reële financiële vermogens. De koopkracht daalt hierdoor.
2. Als het algemeen prijspeil stijgt, stijgt de behoefte aan het aanhouden van geld om transacties te doen. Dit leidt tot meer vraag naar geld, waardoor de rente stijgt. Als gevolg van een rentestijging zullen gezinnen meer gaan sparen en minder consumeren. Ook bedrijven zullen minder geld lenen omdat lenen duurder wordt. Daardoor dalen de investeringen.
3. Als de prijzen in een land sterker stijgen dan in het concurrerende buitenland, heeft dat invloed op de bestedingen en dus de macrovraag.

eccr6_1

Het geaggregeerde aanbod op korte termijn
Het geaggregeerde aanbod of macroaanbod is de totale hoeveelheid goederen en diensten die bedrijven in een jaar aanbieden. De geaggregeerde aanbodlijn geeft weer hoe het macro economische aanbod afhangt van het prijspeil.
Op korte termijn heeft de geaggregeerde aanbodlijn een stijgend verloop. Er is dus sprake van een positief verband tussen het algemeen prijspeil en het geaggregeerde aanbod op korte termijn.

eccr6_2

In elk punt van de aanbodlijn geldt dat – gegeven de hoogte van het algemeen prijsniveau – bedrijven geen aanleiding zien de productie uit te breiden of in te krimpen. Bij het gegeven algemeen prijsniveau hoort dus een bepaald aanbod. Bij dit aanbod wordt een bepaalde hoeveelheid productiefactoren, zoals arbeid en kapitaal, gebruikt.
Maar waarom zou een stijging van het algemeen prijspeil op korte termijn leiden tot een groter aanbod? Dit is te verklaren uit de zogenoemde loonrigiditeit (starre lonen). Als het algemeen prijspeil op korte termijn stijgt, stijgen de lonen niet mee (loonhoogte ligt vast in cao). Hierdoor stijgt de winstmarge voor de bedrijven en zullen bedrijven hun aanbod uitbreiden.

Het korte termijnevenwicht
Op korte termijn is de geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod in evenwicht. De productie die bij dit evenwicht tot stand komt (Ye) is het reëel bbp.

eccr6-3

Als het algemeen prijsniveau daalt, ontstaat er een onevenwichtige situatie. Er ontstaat dan een vraagoverschot en vragers zijn dan bereid een hogere prijs te betalen, waardoor het algemeen prijsniveau weer stijgt, het aanbod toeneemt en de vraag afneemt tot er opnieuw evenwicht wordt bereikt.

Het geaggregeerde aanbod op lange termijn
Op lange termijn heeft een verandering van het prijsniveau geen invloed op de aangeboden hoeveelheid goederen en diensten. De geaggregeerde aanbodlijn op lange termijn verloopt verticaal. Het verticale verloop van de geaggregeerde aanbodlijn kan verklaard worden uit het feit dat op lange termijn de lonen wel flexibel zijn en zich dus aanpassen aan een prijsverandering. Als het algemeen prijsniveau is gestegen, zullen vakbonden in de nieuwe cao-onderhandelingen hogere looneisen stellen waardoor de reële winstmarge van de bedrijven weer terug komt op het oorspronkelijke niveau.

Het lange termijnevenwicht
Het macroaanbod op lange termijn wordt bepaald door de productiecapaciteit van een land. In het evenwicht op lange termijn hoeft er geen evenwicht op de arbeidsmarkt te zijn. De werkloosheid die zich dan voordoet, is natuurlijke werkloosheid.

Van korte-termijnevenwicht naar lange-termijnevenwicht
Als het korte-termijnevenwicht onder de productiecapaciteit ligt is er sprake van werkloosheid boven het niveau van natuurlijke werkloosheid. Bij de nieuwe cao-onderhandelingen zullen de lonen minder stijgen of zelfs dalen, zodat de loonkosten per product dalen en de winstmarge stijgt. De bedrijven zullen hun aanbod vergroten en de geaggregeerde aanbodlijn op korte termijn (GA-KT) verschuift zover naar rechts tot het lange-termijnevenwicht is bereikt. Het evenwicht op korte termijn valt dan samen met het evenwicht op lange termijn.

eccr6-4

Verschuiving van de macrovraaglijn en macroaanbodlijn
De macrovraaglijn en macroaanbodlijnen laten zien hoe de geaggregeerde vraag het geaggregeerde aanbod reageren op veranderingen in het algemeen prijspeil. Ze geldt ceteris paribus. Als de overige factoren veranderen, zal de geaggregeerde vraaglijn of aanbodlijn naar links of naar rechts verschuiven.
Veranderingen in de geaggregeerde vraag kunnen worden veroorzaakt door het beleid van de overheid en conjunctuurschommelingen.
Bij verschuivingen van de geaggregeerde aanbodlijnen maken we onderscheid tussen de korte en de lange termijn. Als het geaggregeerde aanbod tijdelijk verandert, bijvoorbeeld door een misoogst en de productiecapaciteit onveranderd blijft, verschuift de macroaanbodlijn op korte termijn naar links.
De macroaanbodlijn op lange termijn zal naar rechts verschuiven als de productiecapaciteit van een land door betere scholing en hogere arbeidsproductiviteit toeneemt. Door het aanpassingsproces zal dan ook de macroaanbodlijn op korte termijn naar rechts verschuiven.

Aanbodschokken en vraagschokken verstoren het evenwicht
Aanpassingen bij toename export via prijsstijgingen en loonstijging.

eccr6-5

Aanpassingsproces bij recessie via prijsdaling en toename van de werkloosheid.

eccr6-6

Het geaggregeerde aanbod bij de klassieken en keynesianen

Bij de klassieken is de ontwikkeling van de productiecapaciteit bepalend. Veranderingen in macrovraag en macroaanbod worden opgevangen doordat lonen en prijzen flexibel zijn. De aanbodlijn loopt verticaal. Veranderingen leiden niet tot een verandering van het reële bbp, maar uitsluitend tot een aanpassing van het algemeen prijspeil.
Keynes zag dat de prijzen en de lonen zich bij laagconjunctuur vrijwel niet aanpassen, dus star zijn. Als de economie in een recessie zit, wordt de productiecapaciteit niet volledig benut en geldt het horizontale deel van de geaggregeerde aanbodlijn. Het stimuleren van de vraag door de overheid is dan zeer effectief en leidt tot een toename van het reëel bbp terwijl het algemeen prijspeil gelijk blijft. Als het geaggregeerde aanbod de productiecapaciteit heeft bereikt, heeft stimuleren geen zin meer en leidt slechts tot bestedingsinflatie, omdat het reëel bbp niet verder kan toenemen.

eccr6-7

Zowel bij de klassieken als bij Keynes ontbreekt het korte termijn geaggregeerde aanbod. Dit korte-termijnaanbod is kenmerkend voor het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel. Het model laat zien dat prijzen en lonen op korte termijn niet volledig flexibel zijn, maar ook niet volledig star. Daarom heeft de geaggregeerde aanbodlijn op korte termijn geen verticaal en geen horizontaal verloop, maar is hij stijgend. Het model legt de nadruk op het aanpassingsproces van de prijzen en de lonen na veranderingen in de macrovraag en macroaanbod.

Links
Geaggregeerde vraag en aanbod op korte termijn: video 5 min.
Geaggregeerde vraag en aanbod op lange termijn: video 3 min.
De geaggregeerde vraag: video 8 min.

Leerdoelen hoofdstuk 6
• De samenhang verklaren tussen het algemeen prijspeil en de geaggregeerde vraag.
• Verklaren dat lonen en prijzen op korte termijn rigide zijn.
• De samenhang verklaren tussen het algemeen prijspeil en het geaggregeerde aanbod op korte termijn uit de rigiditeit van lonen en prijzen op korte termijn.
• Analyseren dat er via een aanpassingsproces op korte termijn evenwicht komt tussen de geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod.
• Verklaren dat lonen en prijzen op lange termijn flexibel zijn.
• Verklaren dat veranderingen in het algemeen prijspeil door de flexibiliteit geen invloed hebben op het geaggregeerde aanbod op lange termijn.
• Het geaggregeerde aanbod op lange termijn (de productiecapaciteit) verklaren uit de kwantiteit en kwaliteit van productiefactoren.
• Analyseren dat er via een aanpassingsproces op lange termijn evenwicht komt tussen de geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod.
• Uitleggen dat de omvang van de natuurlijke werkloosheid samenhangt met het geaggregeerde aanbod op lange termijn.
• Onderscheid maken tussen vraagschokken, korte termijn aanbodschokken en lange termijn aanbodschokken.
• Bepalen welke gebeurtenissen een vraag- en/of een aanbodschok veroorzaken.
• Met het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel de gevolgen analyseren van vraag- en aanbodschokken op de werkloosheid.
• Met het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel de gevolgen analyseren van vraagschokken en aanbodschokken op het algemeen prijspeil.
• Met het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel een verklaring geven voor stagflatie.
• Met het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel analyseren hoe na een schok een aanpassingsproces op gang wordt gebracht dat leidt tot een nieuw lange-termijnevenwicht.
• Met het geaggregeerde-vraag-aanbodmodel de gevolgen analyseren van overheidsbeleid dat gericht is op vermindering van de werkloosheid.

Kernbegrippen hoofdstuk 6

Geaggregeerde vraag of macrovraag of macro-economische vraag – geaggregeerde vraaglijn – geaggregeerde vraaglijn – geaggregeerde aanbod of macroaanbod of macro-economisch aanbod – geaggregeerde aanbodlijn – prijsrigiditeit of prijsstarheid – loonrigiditeit of loonstarheid – loonflexibiliteit – prijsflexibiliteit – natuurlijke werkloosheid – stagflatie.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 6

actief geld
Geld dat door het publiek wordt gebruikt voor transacties.
chartaal geld
Munten en bankbiljetten in handen van het publiek.
geldbeleid
Door een beperkte groei van de liquiditeitenmassa stabiliseert de ECB de interne waarde van de euro (koopkracht in Eurozone).
geldhoeveelheid
Het chartale en girale geld in handen van het publiek.
giraal geld
Tegoeden van klanten bij banken in de vorm van een betaalrekening (rekening-couranttegoed). Je kunt op verschillende manieren giraal betalen: met een overschrijvingskaart, met een elektronische overschrijving, met een pinpas of met een creditkaart.
hyperinflatie
Extreem hoge prijsstijgingen.
inactief geld
opgepot geld. De omloopsnelheid is nul.
krap-geldbeleid
Afremmen van de geldgroei door een verhoging van de refirente die de ECB aan de banken die bij haar geld lenen in rekening brengt. Hierdoor wordt lenen duurder en sparen aantrekkelijker.
liquide
Iemand is liquide als hij/zij in staat is aan alle direct opeisbare betalingsverplichtingen te voldoen.
minimale dekkingspercentage
De minimale hoeveelheid liquide middelen die een bank in verhouding tot de verleende kredieten moet hebben.
monetair beleid zie geldbeleid
neutraliteit van het geld
Op de lange termijn heeft een verandering van de geldhoeveelheid geen invloed heeft op de groei van de reële productie (Yr). Dit komt omdat op de lange termijn de groei van de productie bepaald wordt door de groei van de productiecapaciteit (door de groei van de productiefactoren). Dus als de geldhoeveelheid stijgt krijg je inflatie.
omloopsnelheid van het geld
Het aantal keer dat het geld van hand tot hand gaat in een periode.
openmarktpolitiek
De ECB kan de hoeveelheid dekkingsmiddelen van de banken beïnvloeden.
oppotmiddel
Functie van geld: je kunt het bewaren.
oppotten
Geld bewaren zonder dat het iets oplevert (renteloos bewaren).
ruim-geldbeleid
Stimuleren van de geldgroei door een verlaging van de refirente die de ECB aan de banken die bij haar geld lenen in rekening brengt. Hierdoor wordt lenen goedkoper en sparen minder aantrekkelijker.
ruilmiddel
Functie van geld: je kunt ermee betalen.
transactievraag
De vraag naar actief geld.
Verkeersvergelijking van Fisher
Een vergelijking waarmee de invloed van het geld op de economie op de korte en lange termijn kan worden geanalyseerd (M × V = P × Y).

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.