LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Keynes’ basismodel

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Inleiding
3.2 De vraagkant van het conjunctuurmodel
3.2.1 Inkomensevenwicht (Y = EV)
3.2.2 Modellen in tabelvorm, algebraïsch en grafisch
3.2.3 De multiplierwerking
3.3 De aanbodkant van het conjunctuurmodel
3.3.1 Het model met arbeid als knelpunt
3.3.2 Bestedingsevenwicht (Y = Y*): de productiecapaciteit volledig benut
3.3.3 Conjuncturele en structurele werkloosheid
3.3.4 Kapitaal als knelpunt
3.4 Zelftest
Het basismodel dat hier besproken wordt, is gebaseerd op de theorie van Keynes. Het is een vraagmodel voor de korte termijn ook wel genoemd een conjunctuurmodel. De productiecapaciteit wordt daarbij als een gegeven (constant) verondersteld. In dit hoofdstuk komt een model aan de orde met een gesloten economie en zonder overheid.
De vraagkant van het conjunctuurmodel
Het inkomen waarbij de productie gelijk is aan de effectieve vraag wordt het evenwichtsinkomen genoemd. Achteraf (ex post) zijn de besparingen altijd gelijk aan de investeringen (S = Iep). De gedwongen voorraadvorming zorgt er voor dat de investeringen zich aanpassen aan de besparingen van de gezinnen. De gedwongen voorraadvorming is het verschil tussen de vooraf geplande investeringen (Iea) en de achteraf gerealiseerde investeringen (Iep).
Het algebraïsch model van een economie zonder overheid en buitenland.

(1) W = EV evenwichtsvoorwaarde
(2) Y = W identiteit
(3) EV = C + Iea definitievergelijking
(4) C = 0,75Y + 20 gedragsvergelijking
(5) Iea = 25 gedragsvergelijking

Dit model kan ook verkort worden weergegeven.

(1) Y = C + I evenwichtsvoorwaarde
(2) C = 0,75Y + 20 gedragsvergelijking
(3) I = 25 gedragsvergelijking

Omdat altijd geldt dat I = S kan het model ook als volgt worden weergegeven:

(1) S = I
(2) S = 0,25Y – 20
(3) I = 25

Endogene, exogene en autonome variabelen
Exogene variabelen zijn de gegeven grootheden die bepaald worden buiten het model. Voorbeelden van exogenen in een conjunctuurmodel zijn de coëfficiënten en de autonome grootheden. Autonome variabelen zijn niet afhankelijk van andere grootheden, zoals Iea.
Endogene variabelen worden binnen het model bepaald met behulp van de exogene variabelen. Voor elke endogene is er een vergelijking. Er zijn in het model dus altijd evenveel vergelijkingen als endogenen. De endogenen worden bij de oplossing uitgedrukt in de exogenen.
Gemiddelde en marginale consumptiequote

C totale consumptie
gemiddelde consumptiequote = ——————
Y nationaal inkomen
delta C verandering van de totale consumptie
marginale consumptiequote = — — ——————–
delta Y verandering van het nationaal inkomen

Multiplierwerking
De multiplier geeft aan hoe sterk een verandering van de autonome bestedingen doorwerkt in de evenwichtswaarde van het nationaal inkomen. De kracht van de multiplierwerking wordt in het model van dit hoofdstuk bepaald door de hoogte van de marginale consumptiequote (c): het deel van het extra verdiende inkomen dat extra wordt besteed. Het andere deel wordt gespaard en lekt weg uit de kringloop. Dat is het spaarlek. De multiplier kan als volgt berekend worden:

verandering van het inkomen 1
multiplier = —————————————— = ——
verandering van de autonome consumptie 1 – c

De multiplier geeft aan met hoeveel euro het nationaal inkomen (Y) verandert als gevolg van een verandering van de autonome bestedingen (Co of Io) met één euro. De aanbodkant van een model beschrijft hoe de productiecapaciteit van een land wordt bepaald. De omvang van de productiecapaciteit is afhankelijk van de kwantiteit en de kwaliteit van de vier productiefactoren: arbeid, natuur, kapitaal en ondernemersactiviteit. De productiecapaciteit wordt bepaald door de productiefactor die het meest schaars is. We noemen dit de knelpuntsfactor of bottleneck. Met productiecapaciteit wordt de normale bezetting van de productiecapaciteit bedoeld. De kwaliteit van arbeid komt tot uitdrukking in de arbeidsproductiviteit, dat is de productie per arbeider per periode.

Model met vraagkant en aanbodkant en arbeid als knelpuntsfactor
Vraagkant

(1) W = EV evenwichtsvoorwaarde
(2) Y = W identiteit
(3) EV = C + I definitievergelijking
(4) C = 0,75Y + 20 gedragsvergelijking
(5) I = 25 gedragsvergelijking

Aanbodkant

(6) Y* = 50Aa productiefunctie Y* = productiecapaciteit
(7) Aa = 4,4 beroepsbevolking Aa = arbeidsaanbod (beroepsbevolking)
(8) Av = Y/50.000 werkgelegenheidsfunctie Av = arbeidsvraag (werkgelegenheid)
(9) U = Aa – Av definitievergelijking U = werkloosheid

• Alle variabelen luiden in miljarden euro’s behalve Aa, Av en U, die luiden in miljoenen arbeidsjaren.
• Het getal 50 in de vergelijkingen 6 en 8 geeft de arbeidsproductiviteit weer in duizenden euro’s.
• De productiecapaciteit wordt bepaald door de beroepsbevolking (er is voldoende kapitaal).

Bestedingsevenwicht
De situatie waarin de effectieve vraag, de productie en het nationaal inkomen gelijk is aan de productiecapaciteit (Y*), noemen we bestedingsevenwicht. Volgens de klassieken zou er altijd bestedingsevenwicht ontstaan. Keynes was van oordeel dat er inkomensevenwicht kan zijn, terwijl de productiecapaciteit niet volledig is benut. Volgens Keynes zijn er geen automatische aanpassingen die tot volledige benutting leiden. De markt werkt niet altijd perfect.
Bij laagconjunctuur is de effectieve vraag kleiner dan de productiecapaciteit. Er is dan onderbesteding. De productiefactoren worden dan niet volledig benut, wat betekent dat er (conjuncturele) werkloosheid is en de bezettingsgraad kleiner is dan 100%. Bij hoogconjunctuur is de effectieve vraag groter dan de productiecapaciteit. Dan is er overbesteding. Er is een tekort aan productiefactoren. Dat betekent een gespannen arbeidsmarkt, overwerk en een meer dan normale bezetting van de kapitaalgoederenvoorraad. De prijzen en lonen zullen stijgen.
Onderbesteding en overbesteding kunnen opgelost worden door het veranderen van de bestedingen. De productiecapaciteit werd door Keynes als een gegeven aangenomen en is in het model constant.

Structurele werkloosheid
Als de productiecapaciteit niet volledig wordt benut is er sprake van onderbesteding. Deze situatie kenmerkt zich door conjuncturele werkloosheid. Conjuncturele werkloosheid omdat door het verhogen van de bestedingen die werkloosheid opgelost kan worden.
Er is sprake van structurele werkloosheid als de productiecapaciteit wel volledig wordt benut (bestedingsevenwicht) en er toch nog werklozen zijn. Deze mensen zijn dan werkloos omdat de kapitaalgoederenvoorraad in dat geval de knelpuntsfactor is.

Links
Basismodel: video 7 min.
Economisch model en werkloosheid: video 9 min.
Werking multiplier: video 7 min.

Leerdoelen hoofdstuk 3

Bepalen hoe een model gebruikt wordt: om te analyseren, om beleid voor te bereiden of om te voorspellen.
De vergelijkingen van een model beschrijven en bepalen of er sprake is van een definitievergelijking, gedragsvergelijking, evenwichtsvoorwaarde of een identiteit.
Uitleggen wat het verschil is tussen ex ante en ex post.
De variabelen in modellen benoemen en daarbij onderscheid maken tussen endogeen/exogeen, autonoom/geïnduceerd, voorraadgrootheid/stroomgrootheid.
Het proces beschrijven hoe een onevenwichtige situatie tendeert naar inkomensevenwicht.
Op basis van een gegeven model de kettingreactie van het multipliereffect beschrijven die optreedt na een voortdurende impuls van de autonome bestedingen.
Gegeven multipliers in een model analytisch toepassen.
Beschrijven op welke manier een situatie van onder- of overbesteding kan leiden tot bestedingsevenwicht.
Het onderscheid tussen de korte en de lange termijn uitleggen.
Uitleggen en herkennen wat het verschil is tussen gemiddelde en marginale quoten.
Een keynesiaans model in tabelvorm, in algebraïsche vorm en in grafische vorm oplossen.
Aan de hand van een oplossingsvergelijking de multiplier van een autonome grootheid bepalen en daarmee berekeningen uitvoeren.
Uitleggen waarom de ene multiplier groter is dan de andere.
De knelpuntsfactor bepalen in een model met een gegeven aanbodkant.
Uitleggen hoe vanuit een situatie van onder- of overbesteding bestedingsevenwicht kan worden bereikt en dit onderbouwen met behulp van berekeningen en grafieken.
In een model de totale werkloosheid splitsen in conjuncturele en de structurele werkloosheid.
Begrippenlijst
aanbodkant
(= structurele kant van de economie) Alles wat te maken heeft met het produceren van goederen en diensten.
analytisch model
Economisch model waarmee beschreven wordt hoe de economische werkelijkheid in elkaar zit.
arbeidsaanbod
Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
arbeidsproductiviteit
De productie per persoon per tijdseenheid.
arbeidsvraag
De hoeveelheid arbeid(skrachten) die de werkgevers gezamenlijk in dienst willen nemen. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de vacatures.
autonoom (autonome variabele)
Een variabele waarvan de waarde niet wordt bepaald door andere grootheden in het model.
beleggen
Gezinnen en bedrijven zetten geld wat ze tijdelijk niet nodig hebben voor consumptie of investeringen om in financiële of materiële activa.
beslissingsmodel
Economisch model om te weten te komen op welke wijze de economie beïnvloed wordt door bepaalde maatregelen.
bestedingseffect (inkomenseffect) van investeringen
Investeringen maken deel uit van de (nationale) bestedingen en leiden tot productie en dus tot inkomen.
bestedingsevenwicht
De totale bestedingen in een land zijn gelijk aan de productiecapaciteit van dat land.
capaciteitseffect van investeringen
Uitbreidingsinvesteringen (toename van de vaste kapitaalgoederen) vergroten de productiecapaciteit.
conjunctuurmodel (vraagmodel)
Model dat de korte-termijnontwikkeling van de effectieve vraag beschrijft waarbij wordt verondersteld dat de productiecapaciteit gegeven en constant is. Wordt ook wel aangeduid met keynesiaans model.
definitievergelijking (= identiteit)
Een gelijkheid in een model die altijd waar is, bijvoorbeeld W = Y.
desinvestering
Een afname van de voorraad kapitaalgoederen.
economisch model
Een vereenvoudigde weergave van de economische werkelijkheid.
endogeen (endogene variabele)
Te verklaren grootheid in een model. Een endogene grootheid kan geïnduceerd of autonoom zijn.
evenwichtsinkomen
Nationaal inkomen waarbij de totale effectieve vraag gelijk is aan dat inkomen (en dus aan de productie).
ex ante
Voorgenomen.
exogeen (exogene variabele)
Verklarende grootheid in een model die de waarde van de endogene grootheden (mede) bepaalt. De waarde van de exogene grootheden wordt buiten het model bepaald en zijn in het kader van een bepaald model altijd gegeven.
ex post
Gerealiseerd (achteraf).
gedragsvergelijking
Een vergelijking die het gedrag van de verschillende sectoren in een economie, zoals gezinnen en bedrijven, weergeeft.
gedwongen voorraadverandering
Het verschil tussen de vooraf geplande en de achteraf gerealiseerde investeringen.
geïnduceerde consumptie 
Consumptieve besteding waarvan de waarde wordt bepaald door de waarde van andere grootheden binnen een model.
gemiddelde consumptiequote
(= C/Y) Het deel van het nationaal inkomen dat wordt geconsumeerd.
hoogconjunctuur
Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei.
identiteit (= definitievergelijking)
Een gelijkheid in een model die altijd waar is, bijvoorbeeld W = Y.
inkomensevenwicht
De totale vraag naar goederen is gelijk aan het nationaal inkomen.
investering in voorraden
Niet verkochte goederen bij bedrijven.
kapitaalproductiviteit
De productie per eenheid geïnvesteerd kapitaal per tijdseenheid.
knelpuntfactor
De schaarse productiefactor die volledige bezetting van de overige productiefactoren belemmert en die de feitelijke omvang van de productiecapaciteit bepaalt.
laagconjunctuur
Periode waarin de groei van het nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei.
marginale consumptiequote
Geeft aan welk deel van een extra verdiende euro wordt uitgegeven aan consumptie.
multiplier (inkomensvermenigvuldiger)
Als door een extra besteding van de overheid van bijvoorbeeld € 10 miljard het bruto binnenlands product toeneemt met m × € 10 miljard, dan is m de multiplier.
multiplierwerking (bij nationaal inkomen)
Een stijging van de autonome bestedingen leidt tot een stijging van het nationale inkomen die een veelvoud is van de oorspronkelijke stijging van de autonome bestedingen. Dat komt omdat bestedingen leiden tot productie en dus tot inkomen waarbij dat inkomen weer tot nieuwe bestedingen leidt en zo verder.
onderbesteding
De totale bestedingen zijn kleiner dan de productiecapaciteit.
oplossingsvergelijking
Vergelijking waarbij een endogene grootheid is uitgedrukt in louter exogene en autonome grootheden. De oplossingsvergelijking wordt verkregen door een model in algemene gedaante op te lossen. De oplossingsvergelijking levert ook de multiplier(s) voor de desbetreffende endogene grootheid op.
overbesteding
De totale bestedingen zijn groter dan de productiecapaciteit.
particuliere sector
De gezinnen plus de bedrijven.
spaarlek
Het deel van extra inkomen dat als gevolg van bespa¬ringen niet tot extra effectieve vraag leidt.
sparen
Het niet consumeren van een deel van het inkomen.
stroomgrootheid
Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten. Bijvoorbeeld inkomen.
uitbreidingsinvestering
Investeringen in extra vaste kapitaalgoederen om zo meer te kunnen produceren.
voorraadafname (voorraadintering)
Een daling van de voorraden. Wordt ook wel een gedwongen desinvestering genoemd.
voorraadgrootheid
Grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten. Bijvoorbeeld vermogen.
voorspellend model
Een economisch model dat gebruikt wordt om te ramen hoe de economie de komende tijd zal verlopen.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.