LWEO

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Model met overheid zonder buitenland

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1 De rol van de overheid
4.1.1 Overheidsbestedingen en belastingen
4.1.2 Model met spaarfunctie
4.1.3 Conjunctuurbeleid
4.1.4 De belastingfunctie
5.1.5 Enkele grote modelsommen met overheid zonder buitenland
4.2. Zelftest

Het model
In het model met overheid maar zonder buitenland zijn de overheidsbestedingen exogeen, omdat ze voornamelijk bepaald worden door overheidsbeleid.
O = Oo
Hierdoor verandert de vergelijking voor de effectieve vraag (hier nationale bestedingen).
EV = C + I + O
De belastingen zijn voor een deel exogeen (Bo) en voor een deel endogeen, afhankelijk van het nationaal inkomen.
B = bY + Bo
Het model met overheid zonder buitenland ziet er als volgt uit:

(1) W = EV evenwichtsvoorwaarde
(2) Y = W identiteit
(3) EV = C + I + O definitievergelijking
(4) C = c(Y – B) + Co gedragsvergelijking
(5) I = Io gedragsvergelijking
(6) O = Oo institutionele vergelijking
(7) B = bY + Bo institutionele vergelijking

Het model oplossen geeft de volgende vergelijking:

-c 1
Y = ———— Bo + ———– (Co + Io + Oo)
(1 – c + cb) (1-c + cb)

De absolute waarde van de multiplier van de autonome belastingen is kleiner dan de multiplier van de autonome bestedingen.

Model met spaarfunctie
Bovenstaand model kan herleid worden tot een model met een spaarfunctie. Dat ziet er als volgt uit:

(1) S + B = I + O evenwichtsvoorwaarde
(2) I = Io gedragsvergelijking
(3) O = Oo institutionele vergelijking
(4) S = c(Y – B) + Co gedragsvergelijking
(5) B = bY + Bo institutionele vergelijking

Het saldo (S – I) geeft aan of gezinnen en bedrijven meer sparen dan investeren of meer investeren dan sparen. Dit saldo wordt het particulier spaarsaldo genoemd. (B – O) is het overheidssaldo of begrotingssaldo dat weergeeft of de overheid meer uitgeeft dan ze ontvangt of juist meer ontvangt dan ze uitgeeft.
Als je het particulier spaarsaldo en het overheidssaldo bij elkaar optelt, krijg je het nationaal spaarsaldo. Bij inkomensevenwicht is het nationaal spaarsaldo in een model zonder buitenland altijd gelijk aan 0.

Conjunctuurbeleid
Bij onderbesteding zal de overheid conjunctuurbeleid voeren door de autonome overheidsbestedingen te verhogen en/of de autonome belastingen en de marginale belastingquote te verlagen. Het overheidstekort zal daardoor toenemen. In goede tijden zal de overheid overgaan tot bezuinigingen en lastenverzwaring waardoor het overheidstekort daalt en kan omslaan in overschot.
Als de overheid de economie stimuleert, zijn de kosten van de maatregel kleiner dan het bedrag van de stimulering. Door het stimuleren van de economie, bijvoorbeeld door hogere uitgaven van de overheid, stijgt de effectieve vraag, stijgt de nationale productie en het nationaal inkomen en daarmee stijgen de belastinginkomsten. De stijgende belastinginkomsten als gevolg van de stimulering noemen we een inverdieneffect (?B = b?Y). Een negatief inverdieneffect of uitverdieneffect doet zich voor als door ingrijpen van de overheid het nationaal inkomen daalt, waardoor de belastinginkomsten ook dalen.

De belastingfunctie
Als iedereen in procenten evenveel belasting betaalt, is er een evenredig (proportioneel) belastingstelsel. De belastingfunctie ziet er dan als volgt uit:
B = bY
Bij een progressief belastingstelsel betaalt iemand naarmate hij meer inkomen heeft relatief meer belasting. De gemiddelde belastingdruk (B/Y) neemt in een progressief belastingstelsel toe als het inkomen stijgt. De belastingfunctie ziet er als volgt uit:
B = bY + Bo waarbij Bo <0.
De autonome belasting is negatief en dat betekent dat er een heffingskorting is. Pas vanaf een bepaald inkomen moet belasting betaald worden.
Bij een de degressief belastingstelsel zal iemand naarmate zijn inkomen hoger is, in procenten van zijn inkomen minder belasting betalen. De gemiddelde belastingdruk neemt af, als zijn inkomen stijgt. De belastingfunctie kan er als volgt uitzien:
B = bY + Bo waarbij Bo > 0.

Links
Het kringloopmodel met overheid: video 9 min.
Multiplier en inverdieneffect: video 7 min.
.
Leerdoelen hoofdstuk 4

De vergelijkingen van een model omschrijven en benoemen of er sprake is van een definitievergelijking, een gedragsvergelijking, een evenwichtsvoorwaarde of een institutionele vergelijking.
De grootheden en variabelen in modellen benoemen en daarbij onderscheid maken tussen endogeen en exogeen, autonoom en geïnduceerd, voorraadgrootheden en stroomgrootheden, instrumentvariabelen en doelvariabelen.
Op basis van een gegeven model de multiplierwerking beschrijven die optreedt na een voortdurende impuls.
Gegeven multipliers in een bepaald model analytisch toepassen.
Aan de hand van een oplossingsvergelijking de multiplier van een autonome grootheid bepalen en daarmee berekeningen uitvoeren.
Uitleggen waarom in bepaalde modellen de ene multiplier groter is dan de andere.
Uitleggen hoe vanuit een situatie van onder- of overbesteding bestedingsevenwicht kan worden bereikt en dit onderbouwen met behulp van berekeningen en grafieken.
Aan de hand van een belastingfunctie uitleggen of er sprake is van een proportioneel, een progressief of een degressief belastingstelsel.
Aan de hand van een model en de oplossingsvergelijking bepalen wat en hoe groot het inverdieneffect (of uitverdieneffect) is van een bepaalde maatregel.
Aan de hand van een model en de oplossingsvergelijking bepalen wat het gevolg is van bepaalde maatregelen voor het particulier spaarsaldo en/of het overheidssaldo en daarbij uitleggen of er sprake is van een vraagverkleinend of een vraagvergrotend effect.
Aan de hand van een voorbeeld uitleggen hoe anticyclisch beleid moet worden gevoerd.
begrippenlijst


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.