LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Model met overheid en buitenland

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 De economie met overheid en buitenland
5.1.1 De lopende rekening van de betalingsbalans
5.1.2 Model met spaarfunctie
5.1.3 Conjunctuurpolitiek
5.2 Zelftest

De economie met overheid en buitenland
De export wordt meestal autonoom verondersteld omdat deze voor een groot deel afhankelijk is van de ontwikkeling van de wereldhandel.
E = Eo
De import wordt meestal afhankelijk gesteld van het nationaal inkomen.
M = mY
Meer import leidt tot meer effectieve vraag in het buitenland en werkt in Nederland dus vraagverkleinend: dit is het importlek.
Het model met overheid en buitenland ziet er als volgt uit

(1) W = EV evenwichtsvoorwaarde
(2) Y = W identiteit
(3) EV = C + I + O + E – M definitievergelijking
(4) C = c(Y – B) + Co gedragsvergelijking
(5) I = Io gedragsvergelijking
(6) O = Oo institutionele vergelijking
(7) B = bY + Bo institutionele vergelijking
(8) E = Eo gedragsvergelijking
(9) M = mY gedragsvergelijking

Het model oplossen geeft de volgende vergelijking:

– c 1
Y = —————- Bo + ————— (Co + Io + Oo + Eo)
(1 – c + cb + m) (1-c + cb + m)

De lopende rekening van de betalingsbalans
In een keynesiaans model draait alles om de verklaring van de hoogte van het nationaal inkomen en daarom zijn alleen de transacties van de betalingsbalans die leiden tot inkomen, de zogenaamde inkomenstransacties, in het model opgenomen. Deze inkomenstransacties staan op de zogenaamde ‘lopende rekening van de betalingsbalans’ en zijn de geldstromen uit de export en import van goederen, diensten en primaire inkomens van productiefactoren.
Het saldo van de export van goederen en diensten en de primaire inkomens uit het buitenland (E) enerzijds en de import van goederen en diensten en de primaire inkomens naar het buitenland (M) anderzijds wordt het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans genoemd (E – M).

Als Nederland meer exporteert dan importeert, dan heeft Nederland een overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans. Als Nederland een overschot op de lopende rekening heeft, dan moet het buitenland (de rest van de wereld) een tekort op de lopende rekening hebben.
Het geld voor de financiering van dit tekort op de lopende rekening leent het buitenland uit de besparingen van de Nederlandse gezinnen. Er wordt dan door Nederland geld (kapitaal) geëxporteerd naar het buitenland. Dit is kapitaalexport. Op de kapitaalrekening staan vermogenstransacties.
De besparingen van de gezinnen worden dus gebruikt voor:
• de financiering van de investeringen van de bedrijven
• de financiering van het overheidstekort
• de financiering van het tekort dat het buitenland met ons heeft
Als de besparingen van de gezinnen tekort schieten voor de financiering van de netto investeringen van de bedrijven en het overheidstekort, wordt er door Nederland kapitaal geïmporteerd. Nederland leent dan van het buitenland voor een bedrag dat even groot is als het tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans.
Besparingen + overschot buitenland = investeringen bedrijven + tekort overheid.

Model met spaarfunctie
Bovenstaand model kan herleid worden tot een model met spaarfunctie. Dat ziet er als volgt uit:

(1) (S + I) + (B – O) = (E – M)
(2) I = Io
(3) O = Oo
(4) S = c(Y – B) + Co
(5) B = bY + Bo
(6) M = mY
(7) E = Eo

Het particulier spaarsaldo plus het overheidssaldo is het nationaal spaarsaldo. Het nationaal spaarsaldo is bij inkomensevenwicht gelijk aan het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans.

Links
Modellen met saldi: video 3 min.

Leerdoelen hoofdstuk 5

Bepalen hoe een model gebruikt wordt: voor analyse, voor beleidsvoorbereiding of voor voorspelling.
De vergelijkingen van een model omschrijven en vaststellen of er sprake is van een definitievergelijking, gedragsvergelijking, evenwichtsvoorwaarde of een institutionele vergelijking.
De grootheden/variabelen in modellen benoemen en daarbij onderscheid maken tussen endogeen en exogeen, autonoom en geïnduceerd, voorraadgrootheid en stroomgrootheid, instrumentvariabelen en doelvariabelen.
Op basis van een gegeven model de kettingreactie van de multiplierwerking beschrijven die optreedt na een voortdurende impuls.
Gegeven multipliers in een bepaald model analytisch toepassen.
Aan de hand van een oplossingsvergelijking de multiplier van een autonome grootheid bepalen en daarmee berekeningen uitvoeren.
Uitleggen waarom in bepaalde modellen de ene multiplier groter is dan de andere.
Uitleggen hoe vanuit een situatie van onder- of overbesteding bestedingsevenwicht kan worden bereikt en dit ondersteunen met behulp van berekeningen en grafieken.
Aan de hand van een model en de oplossingsvergelijking bepalen wat het gevolg is van bepaalde maatregelen voor het particulier spaarsaldo en/of het overheidssaldo en/of de lopende rekening en daarbij uitleggen of er sprake is van een vraagverkleinend of een vraagvergrotend effect.
Uitleggen hoe de drie lekken kunnen leiden tot een kleinere multiplier.
Beschrijven wat het verband is tussen de lopende rekening en de kapitaalrekening van de betalingsbalans.
Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

export (= uitvoer)
Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland.
import (= invoer)
Het kopen van goederen en diensten in het buitenland.
importlek
Een deel van het verdiende inkomen wordt besteed aan producten uit het buitenland wat leidt tot meer productie in het buitenland en niet in Nederland.
inkomenstransacties
Transacties op de betalingsbalans die leiden tot inkomen. Deze staan vermeld op de lopende rekening.
kapitaalexport
Aan het buitenland betaalde vermogen in de vorm van directe investeringen, geld- en kapitaalmarktbeleggingen, schenkingen, aflossingen et cetera.
kapitaalimport
Uit het buitenland ontvangen vermogen in de vorm van directe investeringen, geld- en kapitaalmarktbeleggingen, schenkingen, aflossingen enzovoort.
lopende rekening (van de betalingsbalans)
Onderdeel van de betalingsbalans waarop de inkomsten en betalingen als gevolg van export en import van goederen en diensten staan geregistreerd, alsmede betaalde en ontvangen (primaire) inkomens.
open economie
Er is in verhouding tot het bbp veel buitenlandse handel.
primair inkomen
Het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Voorbeelden: loon, rente, huur, pacht en winst.
stroomgrootheid
Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten. Bijvoorbeeld inkomen.
vermogenstransacties
Transacties op de betalingsbalans die verplaatsing van vermogen betekenen. Deze staan vermeld op de kapitaalrekening.
voorraadgrootheid
Grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten. Bijvoorbeeld vermogen.

 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.