LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Spijkerbroeken te koop

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 De reis van de spijkerbroek
3.2 Het aanbod en de verkoopprijs bij een kledingzaak
3.3 Het aanbod bij veranderingen van de verkoopprijs
3.4 Welke andere factoren dan de prijs beïnvloeden het aanbod
3.5 De administratie van kledingzaak J&M
3.5.1 De balans
3.5.2 De resultatenrekening
3.6 Ondernemingsvormen
3.7 Transfer
3.8 Zelftest

Specialisatie, parallellisatie, verticale integratie en differentiatie
De bedrijfskolom omvat de schakels die nodig zijn bij de productie van een goed van oerproducent tot consument. Bij specialisatie stoot een bedrijf activiteiten af naar een andere bedrijfskolom. Bij parallellisatie (horizontale integratie) breidt een bedrijf haar activiteiten uit naar een andere bedrijfskolom. Als een bedrijf haar activiteiten uitbreidt naar hogere of lagere schakels in de bedrijfskolom is er sprake van verticale integratie. Bij differentiatie wordt een productiefase uit de bedrijfskolom afgestoten.
Bij verticale integratie wordt een tussenliggende markt uitgeschakeld. Ondernemingen kunnen verschillende redenen hebben om verticaal te integreren zoals:
– Het wegnemen van onzekerheid en het veilig stellen van de aanvoer van grondstof.
– Het zelf produceren goedkoper is dan de marktprijs plus de transactiekosten.

Het aanbod
Het (collectieve) aanbod is afhankelijk van de prijs en van andere factoren zoals de toe of afname van het aantal aanbieders, de toe of afname van de productiekosten, de toe of afname van heffingen door de overheid, etc.
De (collectieve) aanbodlijn of aanbodfunctie geeft het verband weer tussen de prijs en de hoeveelheid die producten bereid zijn om tegen die prijs aan te bieden. Ook hierbij geldt de ceteris paribus voorwaarde: de relatie tussen het aanbod en de prijs kan pas vastgesteld worden als alle ander factoren die van invloed zijn niet veranderen.
Verschuiving over of langs de aanbodlijn en verschuiving van de aanbodlijn.
Als de prijs van een product verandert, vindt er een verschuiving plaats over of langs de aanbodlijn. In dit geval is er sprake van een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid. Stijgt de prijs dan zal er meer aangeboden worden, daalt de prijs dan wordt er minder aangeboden.
De aanbodlijn verschuift naar links (boven) of naar rechts (onder) als de andere factoren die van invloed zijn op het aanbod veranderen. Zo zal een prijsstijging van katoen de kosten voor het maken van spijkerbroeken doen toenemen. Bij een gegeven prijs zullen minder fabrikanten spijkerbroeken aanbieden. De kosten zullen voor een aantal fabrikanten dan hoger zijn dan de opbrengsten. De aanbodlijn verschuift in dit geval naar links (boven). Omgekeerd zal het aanbod van spijkerbroeken toenemen als katoen goedkoper wordt aangeboden. De aanbodlijn verschuift dan naar rechts (onder).
Prijselasticiteit van het aanbod

Procentuele verandering van de aangeboden hoeveelheid (gevolg)
Ea = ——————————————————————————–
Procentuele verandering van de verkoopprijs (oorzaak)

De prijselasticiteit van het aanbod is altijd positief. Een hogere prijs leidt tot een groter aanbod. Is de prijselasticiteit van het aanbod kleiner dan 1, dan is het aanbod prijsinelastisch. Bij een waarde groter dan 1 is het aanbod prijselastisch. Op lange termijn is het aanbod elastischer dan op korte termijn.
De balans
De balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen op één bepaald moment. De bezittingen, ook wel activa genoemd, staan links op de balans. Het vermogen of de passiva, staan rechts. Op de balans staan voorraadgrootheden, want ze worden geregistreerd op een bepaald tijdstip. De activa worden onderscheiden in vaste, vlottende en liquide activa. Vaste activa zijn bezittingen die langer dan een jaar meegaan. De vlottende activa gaan korter dan een jaar mee. Liquide activa zijn geld in de kas en geld op een bankrekening bij een bank. Aan de vermogenskant (passiefzijde) wordt er onderscheid gemaakt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden). Vreemd vermogen wordt onderscheiden in lang en kort vreemd vermogen. Lang vreemd vermogen betreft leningen met een looptijd langer dan een jaar. Kort vreemd vermogen is geleend geld dat binnen een jaar terug betaald moet worden.

debet Balans 1 januari 2010 credit
vaste activa eigen vermogen 281.200
gebouwen 300.000
machines 260.000 lang vreemd vermogen
inventaris 120.000 7% hypothecaire lening 240.000
bedrijfskrediet 40.000
vlottende activa onderhandse lening 160.000
debiteuren 30.000
voorraden 60.000 kort vreemd vermogen
vooruitbetaalde huur 6.000 crediteuren 66.000
Nog te betalen interest 4.800
liquide activa te betalen garagerekening 4.000
bank 12.000
kas 8.000
totaal 796.000 totaal 796.000

De resultatenrekening
De resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten (omzet) en de kosten in een bepaalde periode (vaak één jaar). Opbrengsten en kosten zijn periodegrootheden. De omzet min alle kosten geeft de winst in een bepaalde periode.

Kosten Resultatenrekening 2010 Opbrengsten
inkoopwaarde omzet 560.000 Omzet 910.000
rentekosten 32.000
huurkosten 32.000
loonkosten 150.000
energiekosten 21.000
winstsaldo 105.000
Totaal 910.000 Totaal 910.000

Ondernemingsvormen
De vier belangrijkste rechtsvormen voor bedrijven zijn de eenmanszaak, de vennootschap onder firma (vof), de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv).
Eenmanszaak
Kenmerkend voor de eenmanszaak is het feit dat deze geleid wordt door één persoon die tevens eigenaar is van het bedrijf. Daarnaast is er geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Dit betekent dat de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf. Kan het bedrijf haar schulden niet betalen, dan wordt het privévermogen (huis, auto, etc.) van de eigenaar aangesproken. Veel kleine bedrijven zijn eenmanszaken die geen personeel in dienst hebben. We spreken in dat geval van zelfstandigen zonder personeel (zzp’er).
Vennootschap onder firma
Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn samen eigenaar. Omdat er meerdere firmanten zijn is specialisatie mogelijk. Zo kan de ene firmant de marketing doen, de ander personeelszaken en een derde de financiering. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.
Besloten vennootschap
Met het oprichten van een besloten vennootschap kan het privévermogen afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. De vennoten nemen elk voor een bepaald bedrag deel in het eigen vermogen van de onderneming. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze hebben ingelegd. Dat is mogelijk omdat de bv (net als de nv) een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig schulden aangaan. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk, waardoor hun privévermogen buiten schot blijft.
Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de bv, maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst: het zogenaamde dividend. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.
Naamloze vennootschap
Als een onderneming grote bedragen aan kapitaal nodig heeft is de bv minder geschikt en is de nv een beter alternatief. De aandelen van de nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De bezitters van de aandelen, aandeelhouders genoemd, hebben letterlijk een aandeel in het eigen vermogen van de onderneming en zijn voor de grootte van dat aandeel, eigenaar van de onderneming. Het aandeel geeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst. Bij de nv is de dagelijkse leiding verder losgekoppeld van de eigenaars dan bij de bv. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur (de directie) van de onderneming controleert. De directie voert de dagelijkse leiding van het bedrijf. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.
Fiscale verschillen
De winst van een bv/nv valt onder de vennootschapsbelasting terwijl de winst van de eenmanszaak en de vof onder de inkomensheffing valt. De inkomensheffing kan oplopen tot 52 procent, terwijl de vennootschapsbelasting ongeveer 25 procent is.

Links
Vraag en aanbod: videofilmpje (9 min).
Hoe teken ik een aanbodlijn? videofilmpje (9 minuten).
Ondernemingsvormen: videofilm 20 min.
Rechtsvormen: videofilm van de Kamer van Koophandel (4 min).
Uitleg over de balans en resultatenrekening (YouTube: 13 min).

Leerdoelen hoofdstuk 3
• Met behulp van transactiekosten verklaren waarom bedrijven samengaan of waarom bedrijven werkzaamheden afstoten.
• Voorbeelden geven van verzonken kosten en uitleggen wat de mogelijke gevolgen kunnen zijn voor benadeelde partijen die verzonken kosten hebben bij onderhandelingen.
• Voorbeelden geven van kosten in geval van specifieke investeringen en deze in relatie brengen met het berovingsprobleem.
• Algebraïsch en grafische bewerkingen uitvoeren met de omzet, de totale kosten en de totale winst.
• De samenhang analyseren tussen prijs en aanbod.
• De prijselasticiteit van het aanbod berekenen en de uitkomst interpreteren.
• Grafisch en rekenkundig analyseren welke invloed veranderingen van de ceteris-paribus-voorwaarden hebben op de aanbodcurve.
• Een balans en een resultatenrekening opstellen en interpreteren.
• Met voorbeelden toelichten dat er op de balans van ondernemingen voorraadgrootheden staan en op de verlies-en-winstrekening stroomgrootheden.
• De keuze over het aantrekken van eigen en vreemd vermogen van een onderneming (eenmanszaak, vof, bv of nv) toelichten.
• Uitleggen dat de te kiezen rechtsvorm invloed heeft op de (privé)aansprakelijkheid en daarmee op de toedeling van het ondernemersrisico.
Kernbegrippen hoofdstuk 3
Bedrijfskolom – parallellisatie (horizontale integratie) – specialisatie – verticale integratie – differentiatie – transactiekosten – verzonken kosten – berovingsprobleem (hold-upprobleem) – totale kosten – totale opbrengst – totale winst – winstmarge – gemiddelde opbrengst (verkoopprijs) – gemiddelde totale kosten (kostprijs) – individuele aanbodfunctie (individuele aanbodvergelijking) – prijselasticiteit van het aanbod – collectieve aanbodvergelijking – kapitaalgoederen – investeren – eigen vermogen – vreemd vermogen – balans – voorraadgrootheden – resultatenrekening (verlies-en-winstrekening) – stroomgrootheden – afschrijven – eenmanszaak – vennootschap onder firma (vof) – besloten vennootschap (bv) – naamloze vennootschap (nv) – zelfstandige zonder personeel (zzp’er) – rechtspersoon – aandeelhouder – vennootschapsbelasting.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3

aandeelhouder
Iemand die aandelen (eigendomsbewijzen) bezit van een bedrijf en dus voor het deel van zijn aandeel mede-eigenaar is.
afschrijven
De waardevermindering van duurzame productiemiddelen (meestal per jaar gerekend).
balans
Een overzicht van de bezittingen (activa) en schulden (passiva) van een bedrijf op een bepaald moment.
bedrijfskolom
Bestaat uit alle bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen van oerproduct tot eindproduct (boer………bakkerswinkel).
berovingsprobleem
Bij een samenwerkingsverband investeert de ene partij meer in de samenwerking dan de andere partij, waardoor de machtsverhouding verandert.
besloten vennootschap
Ondernemingsvorm waarbij er een scheiding is tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. De eigenaren (aandeelhouders) zijn niet met hun privévermogen aansprakelijk. Bij een bv staan de aandelen op naam.
collectieve aanbodvergelijking
Het aanbod van alle individuele producenten van een bepaald goed of dienst bij elkaar geteld.
differentiatie
Bij differentiatie wordt een bepaalde schakel in de bedrijfskolom, een productiefase, afgestoten door een bedrijf dat eerder deze schakel omvatte.
eenmanszaak
Ondernemingsvorm waarbij er maar één eigenaar is. Deze is persoonlijk aansprakelijk voor eventuele schulden. De eigenaar moet zelf zorgen voor het startvermogen.
eigen vermogen
Het door de eigenaren ingebrachte geld.
gemiddelde opbrengst
De opbrengst per product. De gemiddelde opbrengst is gelijk aan de totale opbrengst gedeeld door het aantal verkochte goederen of diensten. Als alle consumenten dezelfde prijs betalen voor een product is de gemiddelde opbrengst gelijk aan de prijs.
gemiddelde totale kosten
(GTK) (Productie)kosten per stuk. Dit bedrag bestaat uit de optelsom van de gemiddelde constante kosten (GCK) en de gemiddelde variabele kosten (GVK): GTK = GCK + GVK .
hold-upprobleem
Zie: berovingsprobleem.
horizontale integratie
(= parallellisatie) Bedrijven zijn actief in meerdere bedrijfskolommen.
individuele aanbodfunctie
Het verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid van een producent.
individuele aanbodvergelijking
Zie individuele aanbodfunctie.
investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven.
kapitaalgoederen
Goederen van een onderneming waarmee geproduceerd wordt om een inkomen te verkrijgen.
naamloze vennootschap
Ondernemingsvorm waarbij er een scheiding is tussen de leiding en de personen die eigenaar zijn. De eigenaren (aandeelhouders) zijn niet met hun privévermogen aansprakelijk. Bij een nv staan de aandelen niet op naam.
parallellisatie
Bedrijven zijn actief in meerdere bedrijfskolommen.
prijselasticiteit van het aanbod
De prijselasticiteit van het aanbod (Ea) geeft aan hoe sterk het aanbod reageert op veranderingen in de prijs. Deze kan als volgt worden berekend: Ea = procentuele verandering van het aanbod (gevolg) / procentuele verandering van de verkoopprijs (oorzaak). Ea is over het algemeen positief, omdat de productie bij gelijkblijvende kosten winstgevender wordt.
rechtspersoon
Juridische onafhankelijke eenheid met eigen rechten en verplichtingen, los van de eigenaar/eigenaren.
resultatenrekening
Een overzicht van de opbrengst, de kosten en het resultaat (winst of verlies) over de afgelopen periode.
specialisatie
Toeleggen op één activiteit.
stroomgrootheden
Grootheden die over een bepaalde periode, een maand of een jaar, worden gemeten.
totale kosten
De som van de totale constante (TCK) en de totale variabele kosten (TVK).
totale opbrengst (= omzet)
De waarde van de verkochte producten. Is te berekenen door: verkoopprijs × afzet.
totale winst
Het verschil tussen de totale opbrengst (TO) en de totale kosten (TK).
transactiekosten
Alle kosten die samenhangen met het tot stand komen en afwikkelen van een ruil.
vennootschap onder firma (= vof)
Ondernemingsvorm waarbij er meerdere eigenaren van een bedrijf zijn. De eigenaren zijn met hun privévermogen aansprakelijk voor de schulden. De winst wordt verdeeld over de eigenaren.
vennootschapsbelasting
Belasting die geheven wordt over de winst van een bv en nv.
verlies-en-winstrekening
Een overzicht van de opbrengst, de kosten en het resultaat (winst of verlies) over de afgelopen periode.
verticale integratie
Bedrijven omvatten meerdere schakels uit een bepaalde bedrijfskolom. Een kledingconcern heeft bijvoorbeeld eigen fabrieken: ontwerp, productie en verkoop van kleding zijn geïntegreerd.
verzonken kosten
Kosten die als ze eenmaal zijn gemaakt niet meer kunnen worden terugverdiend als een activiteit wordt gestaakt.
voorraadgrootheden
Grootheden die op een bepaald moment of tijdstip wordt gemeten.
vreemd vermogen
Het door schuldeisers ingebrachte geld.
winstmarge (= winst per product)
Een positief verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs.
zelfstandige zonder personeel
(= zzp’er) Een eenmanszaak zonder personeel.
zzp’er
Zie: zelfstandige zonder personeel.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.