LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

De grote recessie

Inhoudsopgave hoofdstuk 1
1.1 Van kredietcrisis naar recessie
1.2 Financiële markten
1.3 Banken
1.4 Crisisbestrijding
1.5 Transfer
1.6 Zelftest

Inleiding

Een terugval in de economische groei noemen we een recessie; officieel spreken we van een recessie als het bruto binnenlands product (bbp) twee kwartalen achter elkaar krimpt. Een langdurige krimp noemen we een crisis. Als oorzaak wordt vaak gewezen op de lage rente. De lage rente wordt weer verklaard uit de toename van de besparingen en de afname van de investeringen, waardoor op de vermogensmarkt het aanbod toeneemt en de vraag afneemt. De toename van de besparingen ontstaat onder andere door grotere pensioenbesparingen als gevolg van de vergrijzing in veel landen.

Vermogensmarkt
De vermogensmarkt is het geheel van vraag en aanbod van vermogen. De vermogensmarkt bestaat uit de geldmarkt (kortlopend kredieten tot 2 jaar) en de kapitaalmarkt (langlopend en permanent vermogen).

De klassieke theorie
Aanhangers van de klassieke visie vertrouwen op de werking van het marktmechanisme. Ze vinden dat een vrije werking van alle verschillende markten (goederenmarkt, arbeidsmarkt, vermogensmarkt en valutamarkt) de meeste welvaart oplevert. Deze theorie is in hoofdzaak micro-economisch. Het marktmechanisme (prijsmechanisme) zal altijd zorgen voor evenwicht tussen vraag en aanbod op een markt. Een economische crisis ontstaat door ingrijpen in het marktmechanisme, door de overheid, of organisaties van werknemers of werkgevers. De overheid moet zich volgens deze economen niet bemoeien met de economie. De productiecapaciteit zal volgens de klassieken op termijn volledig benut worden. De productie bij de bedrijven leidt tot inkomen bij gezinnen. De gezinnen consumeren dit inkomen grotendeels; ze kopen de producten die de bedrijven aanbieden. Het gespaarde deel komt terecht bij bedrijven, die dit vervolgens gebruiken voor investeringen. De bestedingen (consumptie en investeringen) zijn macro-economisch gelijk aan het aanbod van producten. De Wet van Say: er kan geen vraag ontstaan zonder aanbod.

Keynesiaanse visie
In de jaren dertig van de vorige eeuw ontwikkelde Keynes zijn theorie, waarin hij aangaf dat de klassieke economische benadering niet in staat was de toenmalige crisis op te lossen. Keynes stelt dat rationele micro-economische keuzes, zoals het sparen van gezinnen in slechte tijden, voor de samenleving als geheel slecht uit kunnen pakken. Zijn theorie is in hoofdzaak macro-economisch; hij kijkt naar geaggregeerde grootheden. Het belangrijkste begrip voor Keynes is de effectieve vraag, de vraag die tot bestedingen leidt. In tijden van recessie zakt deze vraag in waardoor de bedrijven hun producten moeilijker kwijt kunnen. Het marktmechanisme werkt dan niet goed, bijvoorbeeld omdat prijsdalingen er toe leiden dat de consumenten niet meer, maar juist minder kopen, omdat ze hun bestedingen uitstellen. Als de bestedingen verder afnemen neemt de productie en  de werkgelegenheid af en neemt de werkloosheid toe. Er kan een neerwaartse spiraal ontstaan van deflatie, krimpende bestedingen en werkloosheid en verdere deflatie.

Als de effectieve vraag kleiner is dan die normale bezetting spreken we van onderbesteding of laagconjunctuur. Bij een effectieve vraag die groter is, spreken we van overbesteding of hoogconjunctuur. De conjunctuur is de golfbeweging van de productie in de tijd, waarbij de op- en neergang wordt veroorzaakt door veranderingen in de effectieve vraag. In een ideale situatie is er bestedingsevenwicht: de effectieve vraag is dan gelijk aan de (normale bezetting, ongeveer 85% van de productiecapaciteit. Dit evenwicht komt niet automatische tot stand. De overheid moet volgens Keynes ingrijpen om het bestedingsevenwicht te bereiken. Dit houdt in dat de overheid de bestedingen bij laagconjunctuur stimuleert en bij hoogconjunctuur afremt, zodat de conjunctuurgolven worden afgezwakt (anticyclische conjunctuurbeleid). Het is daarbij wel uitkijken geblazen, want als bijvoorbeeld de timing verkeerd is, werken maatregelen juist versterkend op die golfbeweging (procyclisch). Het monetair beleid kan het anticyclisch beleid ondersteunen. Bij laagconjunctuur moet de centrale bank de rente verlagen; daarmee ontmoedigt ze het sparen en stimuleert ze het besteden met geleend geld.

Door de sociale zekerheid zijn de conjunctuuruitslagen minder groot. Bij laagconjunctuur stijgt de werkloosheid; dankzij de werkloosheidsuitkeringen zakken de bestedingen echter niet ver in. De sociale zekerheid fungeert als een automatische conjunctuurstabilisator. Voor de overheid betekent een verslechtering van de conjunctuur dat haar uitgaven automatisch toenemen. Er moeten immers meer uitkeringen worden betaald. Tegelijkertijd nemen haar belastinginkomsten af. De financiën van de overheid verslechteren door een laagconjunctuur.

Na WO II volgden veel westerse regeringen de benadering van Keynes. Pas in de jaren zeventig was er een crisis, waarbij inflatie samenging met een inzakkende economie. Dit was niet met keynesiaans beleid op te lossen. De klassiek opvattingen kregen toen weer de overhand. De crisis die in 2008 begon luidde weer een revival in van de theorie van Keynes. Aanvankelijk pompen regeringen geld in de economie om te voorkomen dat de effectieve vraag te veel zou dalen. Dat leidde er toe dat de overheden met enorme schulden kwamen te zitten. De staatschuldquotes (staatsschuld t.o.v. bbp) liepen zo hoog op dat overheden weer overgingen tot bezuinigen.

Links

leerdoen en kernbegrippen

Leerdoelen hoofdstuk 1

  • de wisselwerking tussen de rente, de vraag en het aanbod op de vermogensmarkt analyseren.
  • de invloed verklaren van tijdsvoorkeur op de hoogte van rente.
  • verschillen in rente verklaren uit verschillende soorten risico.
  • de geldmarkt en de kapitaalmarkt onderscheiden.
  • het begrip geldillusie verklaren aan de hand van nominale en reële ontwikkelingen.
  • kenmerken noemen van aandelen en obligaties.
  • de afweging van beleggers tussen rendement en risico analyseren.
  • de (verwachte) beleggingsrendementen verklaren met de (verwachte) rentestand, inflatie en winst.
  • de hefboomwerking analyseren.
  • het belang van liquiditeit en solvabiliteit van banken uitleggen en analyseren aan de hand van bankbalansen.
  • de gevolgen van een crisis voor de overheidsfinanciën uitleggen.
  • omschrijven wat de klassieke theorie is en hoe deze theorie op verschillende markten kan worden toegepast.
  • omschrijven wat de keynesiaanse theorie is en hoe deze theorie in het kader van anticyclisch conjunctuurbeleid wordt toe­gepast in situaties van onder- en over­besteding.
  • het verschil uitleggen tussen anticyclisch en procyclisch conjunctuurbeleid.
  • verschillen tussen de klassieke en de keynesiaanse theorie noemen.
  • de werking van het marktmechanisme beschrijven.
  • keynesiaanse en klassieke elementen in actuele bronnen herkennen.
  • voorbeelden van conjunctuur­maat­regelen noemen en hun werking verklaren.

Kernbegrippen hoofdstuk 1

recessie – selffulfilling prophecy – rendement – geldillusie – tijdsvoorkeur – sparen –vermogensmarkt – eigen vermogen – aandeel – dividend –hypothecaire lening – obligatie – geldmarkt – kapitaalmarkt – reële rente – centrale bank – liquiditeit – solvabiliteit – hefboomwerking – arbeidsdeling – marktmechanisme (prijsmechanisme) – inflatie – deflatie – effectieve vraag – onderbesteding (laagconjunctuur) – overbesteding (hoogconjunctuur) – bestedingsevenwicht – anticyclisch conjunctuurbeleid – procyclisch conjunctuurbeleid.

 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door hier te klikken.