LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Inkomen, hoe verdien je dat

Inhoudsopgave hoofdstuk 2
2.1 Toegevoegde waarde, productie en inkomen
2.2 Van micro naar macro
2.3 Welvaart en bruto binnenlands product
2.4 Economische kringloop
2.5 Nationale rekeningen
2.6 Nogmaals het bbp
2.7 Transfer
2.8 Zelftest

Toegevoegde waarde, productie en inkomen
De netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde min de afschrijvingen = productiewaarde.
De netto toegevoegde waarde = som van de beloningen van de productiefactoren = primair inkomen.
De netto toegevoegde waarde = omzet – inkoopwaarde – afschrijvingen.
Toegevoegde waarde = productie = inkomen

Bedrijfskolom en bedrijfstak
Bedrijven die de opeenvolgende productiestadia van een product verzorgen, vormen samen de bedrijfskolom (van oerproducent tot detaillist). Bedrijven die dezelfde soort productie in een bedrijfskolom verrichten vormen samen een bedrijfstak.

Bruto binnenlands product (bbp) en netto binnenlands product

Het bruto binnenlands product is gelijk aan de bruto toegevoegde waarde van de particuliere bedrijven in de marktsector en van de niet-commerciële instellingen in een land. De toegevoegde waarde van niet-commerciële instellingen is gelijk aan het totale loon dat uitgekeerd wordt en wordt gelijk gesteld aan de toegevoegde waarde van de overheid.

Bruto toegevoegde waarde = bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen

Netto binnenlands product/ inkomen = bruto binnenlands product/ inkomen – afschrijvingen

 Bruto nationaal product

Het bruto nationaal product/inkomen = bruto binnenlands product/inkomen + saldo primair inkomen buitenland

Welvaart en bbp
Het reële bbp per persoon is een maatstaf voor de welvaart van een land. Het is geen goede maatstaf omdat het reële bbp per persoon een aantal beperkingen heeft:
• Het gemiddeld inkomen zegt niets over de verdeling van het inkomen in een land.
• Vrijwilligerswerk en huishoudelijk werk worden niet meegeteld.
• Zwartwerk wordt niet meegeteld.
• Negatieve externe effecten worden niet in mindering gebracht.
• Er wordt geen rekening gehouden met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen.

Welvaart in enge zin
De welvaart wordt gemeten door te kijken naar het bbp.

Welvaart in ruime zin
Bij het meten van de welvaart in ruime zin wordt niet alleen gekeken naar het bbp, maar ook naar kwalitatieve aspecten zoals negatieve externe effecten en uitputting van natuurlijke hulpbronnen.
Onder duurzame ontwikkeling verstaan we een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten. Het groen bbp is een maatstaf die rekening houdt met de instandhouding van natuurlijke hulpbronnen en met het milieu.

 Bruto en netto investeringen
Bij de investeringen van bedrijven maken we onderscheid tussen vervangingsinvesteringen, uitbreidingsinvesteringen en voorraadinvesteringen.
Uitbreidingsinvesteringen en voorraadinvesteringen vormen samen de netto investeringen. Netto investeringen plus vervangingsinvesteringen noemen we bruto investeringen.

Overheid, het binnenlands inkomen en het buitenland
De totale overheidsbestedingen (O) zijn gelijk aan de overheidsinvesteringen (Io) en de overheidsconsumptie (Co). De aanleg van wegen is een voorbeeld van overheidsinvesteringen. De overheidsconsumptie bestaat uit de materiële overheidsconsumptie (Com) zoals pennen, papier en defensiematerieel en de personele overheidsconsumptie (Cop). De personele overheidsconsumptie is gelijk aan de ambtenarensalarissen. Dus mensen verdienen een inkomen bij de overheid (Cop = Yo) of  bij de bedrijven (Ybedr). Het netto binnenlands inkomen is dan Y = Ybedr + Yo.
De inkomsten van de overheid zijn de belastingen. Het verschil tussen de belastingen en de overheidsbestedingen (B – O) is het overheidssaldo of het spaarsaldo van de overheid.
Export (E) – Import (M) = saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans. Als E > M is er een overschot op de lopende rekening en als E < M is er een tekort op de lopende rekening.

De economische kringloop met overheid en buitenland

In onderstaande figuur is een geldkringloop getekend.

eccr02a

Door het beschikbaar stellen van productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap) ontvangen de gezinnen inkomen. Dit inkomen wordt door de gezinnen aangewend om consumptiegoederen te kopen en belastingen te betalen. Wat gezinnen niet besteden/uitgeven, sparen ze.
Y = binnenlands product = binnenlands inkomen.
Y = C + B + S (bestedingsvergelijking): het inkomen van de gezinnen is gelijk aan de som van consumptie, belastingen en besparingen.
Y = C + I + O + E – M (vergelijking van inkomensvorming): bestedingen van gezinnen, overheid en buitenland.
S = I + (O – B) + (E – M): de besparingen van de gezinnen worden gebruikt om de netto investeringen van de bedrijven, de tekorten van de overheid en het tekort van het buitenland te financieren.
(S – I) + (B – O) = (E – M): de macro-economische balansvergelijking, geeft aan dat het particuliere spaarsaldo (S – I) en het overheidssaldo (B – O) samen het nationaal spaarsaldo vormen. Het nationaal spaarsaldo is weer gelijk is aan het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans.

Nationale rekeningen
De kringloop kan ook boekhoudkundig beschreven worden. Per sector (gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland) wordt via een rekening aangegeven hoe men aan inkomen komt (middelen) en hoe dat inkomen wordt besteed (bestedingen)

De staat van middelen en bestedingen
De nationale rekeningen samengevat in één rekening noemen we de staat van middelen en bestedingen. Hierbij bestaan de middelen uit Yb + M en de bestedingen uit C + I + Iv + O + E.

Berekenen van het bbp
Het bbp kan op drie manieren bepaald worden:
De objectieve methode ( productiebenadering):
bbp = totale omzet van bedrijven en overheid min de inkoopwaarde van goederen en diensten.
De subjectieve methode ( inkomensbenadering):
bbp = beloningen die de productiefactoren ontvangen plus de afschrijvingen.
De bestedingsmethode (bestedingsbenadering)
bbp = C + I + Iv + O + E – M.

Links

 

leerdoelen en kernbegrippen

Leerdoelen hoofdstuk 2

  • Onderscheid maken tussen de verschillende inkomenscategorieën: loon, pacht, rente en winst.
  • Resultatenrekening opstellen.
    De bruto toegevoegde waarde berekenen met behulp van gegevens uit de bedrijfskolom.
    • De productie van de overheid bepalen.
    • De relatie beschrijven tussen het bruto binnenlands product en de toegevoegde waarde.
    • Het bruto binnenlands product/inkomen berekenen als de som van de netto toegevoegde waarde plus de afschrijvingen.
    • Toelichten waarom de omvang van het bruto binnenlands product een beperkte maatstaf is voor het meten van de welvaart.
    • Het bruto binnenlands product en het netto binnenlands product beschrijven vanuit de objectieve methode, de subjectieve methode en de bestedingsmethode en dit rekenkundig onderbouwen.
    • Het bruto (netto) binnenlands product/inkomen berekenen als de som van de bruto (netto) toegevoegde waarden van bedrijven en overheid.
    • Het bruto binnenlands product/inkomen berekenen als de som van de beloningen voor de productiefactoren plus de afschrijvingen.
    • Het bruto binnenlands product/inkomen berekenen als de som van consumptie, bruto investeringen, overheidsbestedingen en export minus import.
    • Het verband tussen de productie, het inkomen en de bestedingen verklaren en rekenkundig onderbouwen.
  • Het bruto (netto) nationaal product/inkomen berekenen als de som van het bruto (netto) binnenlands product/inkomen en het saldo primaire inkomens buitenland.
    Het systeem van de nationale rekeningen uitleggen en daarbij de sectoren gezinnen, ondernemingen, overheid, buitenland en financiële instellingen onderscheiden.
    • Met behulp van berekeningen de nationale rekeningenopstellen..
    • Onderscheid maken tussen de reële kringloop en de monetaire kringloop.
    • Uitleggen wat een reële kringloop en een monetaire kringloop is.
    • Een reële kringloop en een monetaire kringloop grafisch en rekenkundig onderbouwen.
    • Verklaren dat de voorraden veranderen als de voorgenomen productie van bedrijven afwijkt van de feitelijke bestedingen.
  • Verband leggen tussen het nationaal spaarsaldo en het saldo van de lopende rekening van de betalingsbalans.
  • Het nationaal spaarsaldo berekenen als som van het particuliere spaarsaldo en het overheidssaldo.

Kernbegrippen hoofdstuk 2

Bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen – netto toegevoegde waarde – primair inkomen – bedrijfskolom – bedrijfstak – bruto (netto) binnenlands product /inkomen – bruto (netto) nationaal product/inkomen – welvaart – economische groei – duurzame ontwikkeling – groen bbp  – reële kringloop – monetaire kringloop – nationaal spaarsaldo – investeren – uitbreidingsinvesteringen (in vaste activa) – investering in voorraden – vervangingsinvesteringen – bruto investeringen – netto investeringen – staat van middelen en bestedingen.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door hier te klikken.