LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Jeugd

Inhoudsopgave hoofdstuk 2
2.1 Inleiding
2.2 Kinderjaren
2.3 Je eerste eigen geld
2.4 De verdeling van de inkomens
2.5 De herverdeling van de inkomens
2.6 Ruilen over de tijd
2.7 Werken of doorleren
2.8 Transfer
2.9 Zelftest

Inkomensverdeling
Niet iedereen heeft eenzelfde inkomen. Sommige mensen hebben een laag inkomen en anderen een hoog inkomen. Een inkomensverdeling laat zien welk deel (percentage) van het totale inkomen een bepaald groep (percentage) van de mensen heeft. In een grafiek getekend, levert dit een lorenzcurve op. Een lorenzcurve geeft de mate van ongelijkheid van de inkomensverdeling over personen weer. Hoe dikker de buik van de lorenzcurve hoe ongelijker (schever) de inkomensverdeling. In de grafiek van de lorenzcurve zetten we op de horizontale as het cumulatief percentage personen en op de verticale as het cumulatief percentage van inkomen. Op de horizontale as van de lorenzcurve komen eerst de personen met de laagste inkomens en daarna de personen met de hogere inkomens. De personen met de laagste inkomens vind je dus links en de personen met de hoogste inkomens rechts op de as.
Wanneer de relatieve of procentuele inkomensverschillen als gevolg van een herverdeling kleiner worden, is er sprake van nivellering. Als de relatieve of procentuele inkomensverschillen groter worden, is er sprake van denivellering. Denivelleren betekent dat de verhouding tussen hoge en lage inkomens groter wordt. Economen doen geen uitspraak over de (on)rechtvaardigheid van een verdeling, politici doen dat wel.

Ruilen over de tijd
Consumeren is het kopen van producten voor de bevrediging van je behoeften. Bij sparen wordt de consumptie uitgesteld. Het moment van consumptie wordt verplaatst naar de toekomst. Bij sparen wordt het moment van consumptie verplaatst naar de toekomst. Hierbij is sprake van intertemporele ruil of ruilen over de tijd. Ook bij consumeren met geleend geld is er sprake van ruilen over de tijd. Door te lenen wordt het moment van de koop vervroegd, het koopmoment wordt in de tijd naar voren gehaald. Hierbij ontstaat er een schuld.
De opofferingskosten van consumeren met geleend geld zijn gelijk aan de rente die over de lening moet worden betaald.
Werken en doorleren
De intertemporele ruil speelt ook bij de keuze voor werken of doorleren. Wie op jonge leeftijd kiest voor een baan, de ‘vroegverdiener’, heeft al op jonge leeftijd een inkomen en volop mogelijkheden om te consumeren. Wie kiest voor doorleren, de ‘laatverdiener’ zal zijn consumptie moeten matigen. De kans is groot dat de laatverdiener geld moet lenen om zijn studie te kunnen betalen. Zijn studie is een investering in menselijk kapitaal en dat betaalt zich uit in een hoger loon dan de vroegverdiener.

Links
Lorenzcurve en de inkomensverdeling: video 13 min.
Ruilen over de tijd: video 15 min NTR.

Leerdoelen hoofdstuk 2
• Voorbeelden geven van voorraadgrootheden en stroomgrootheden.
• Gegevens over inkomens bewerken zodat er een lorenzkromme mee kan worden getekend.
• Een lorenzkromme tekenen en deze interpreteren.
• Uitleggen of maatregelen een nivellerend of een denivellerend effect hebben op de inkomensverdeling.
• De opofferingskosten bepalen bij de keuze tussen doorleren of meteen werken na het voortgezet onderwijs.
• De prijs van sparen en lenen verklaren.
• De keuze tussen sparen en lenen uitleggen.
• Berekenen wat de gevolgen zijn van de keuze tussen sparen of lenen.
• De invloed van inflatie op sparen en lenen verklaren.
• De begrippen ruilen over de tijd en opofferingskosten toepassen bij de afweging tussen sparen en consumeren.
Kernbegrippen
inkomensafhankelijk, kinderbijslag, stroomgrootheid, voorraadgrootheid, loonheffing, brutoloon, algemene heffingskorting, cumuleren, besteedbare inkomens, herverdeling van inkomens, nivellering, denivellering, consumeren, sparen, ruilen over de tijd, intertemporele ruil, transactiekosten, menselijk kapitaal, verdiencapaciteit, schuldaversie.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

algemene heffingskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing.
besteedbaar inkomen
Inkomen na aftrek van belastingen en premies, maar inclusief de overdrachtsinkomens (bijvoorbeeld kinderbijslag).
brutoloon
Het loon voor aftrek van belastingen en premies.
consumeren
Het kopen van goederen en diensten door de eindgebruiker.
cumuleren
Het voorafgaande erbij optellen.
denivellering
Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.
herverdeling van inkomens
Verdeling van de inkomens na loonheffing. Iemand die veel verdient moet meer belasting en sociale premies betalen dan iemand die weinig verdient. Hierdoor ontstaat er een gelijkmatiger inkomensverdeling.
inkomensafhankelijk
De hoogte van een subsidie of bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.
intertemporele ruil
(= ruilen over de tijd) Geld verdienen en geld uitgeven gebeuren in verschillende periodes.
kinderbijslag
Bijdrage van de overheid voor ouders van kinderen tot 18 jaar, die elk kwartaal wordt betaald, niet inkomensafhankelijk.
loonheffing
Het bedrag dat als voorheffing van de inkomstenbelasting en de premie volksverzekering wordt ingehouden op het brutoloon.
menselijk kapitaal
Het geheel aan kennis en vaardigheden van een persoon.
nivellering
Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.
ruilen over de tijd
(= intertemporele ruil) Geld verdienen en geld uitgeven gebeuren in verschillende periodes.
schuldaversie
Een afkeer hebben tegen schuld.
sparen
Het niet besteden van een deel van het inkomen.
stroomgrootheid
Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten. Bijvoorbeeld inkomen.
transactiekosten
Alle kosten die worden gemaakt om de ruil tot stand te brengen en af te wikkelen.
verdiencapaciteit
Het bedrag dat iemand maximaal kan verdienen.
voorraadgrootheid
Grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten. Bijvoorbeeld vermogen.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.