LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Risico en informatie

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Inleiding
3.2 De wereld van transacties
3.3 Risicoaversie
3.4 Asymmetrische informatie
3.5 Verzekeren
3.6 De principaal en zijn agent
3.7 Sociale zekerheid
3.8 De zorgverzekering (Zvw)
3.9 Transfer
3.10 Zelftest

Transactiekosten
Al de tijd, geld en moeite die het kost om een transactie tot stand te brengen, noemen we transactiekosten. Naarmate de risico’s van een transactie groter zijn, nemen in het algemeen ook de transactiekosten toe.
Een ruiltransactie mondt uit in een overeenkomst of contract (schriftelijk of mondeling). Een contract dat geen onzekerheden bevat is een volledig contract.
Risicoaversie
Het streven naar volledige contracten wordt ingegeven door het verlangen om risico’s uit te schakelen. In het algemeen zijn mensen risicomijdend en is er sprake van risicoaversie.
Asymmetrische informatie
Transactiekosten zijn alle kosten die gemaakt worden om de ruil tot stand te brengen. Transactiekosten zijn terug te voeren op het gebrek aan informatie en vertrouwen. In de relatie tussen koper en verkoper is er sprake van asymmetrische informatie: de ene partij weet dan meer dan de andere partij. De koper kan zich wapenen tegen asymmetrische informatie, maar moet dan wel extra transactiekosten maken. Teveel asymmetrische informatie kan ertoe leiden dat een markt niet goed meer functioneert. Denk in dit geval bijvoorbeeld aan de markt voor tweedehands brommers. Als een markt niet goed meer functioneert, is er sprake van marktfalen. Van averechtse selectie is sprake als een koper die uit was op een goede brommer, met een slechte brommer naar huis gaat. Het geven van garantie en het opbouwen van een goede reputatie kan averechtse selectie en daarmee marktfalen voorkomen.
Verzekeren
Als je een mooie fiets hebt, vind je het heel vervelend als die gestolen wordt. Dat de fiets gestolen wordt is een risico voor de bezitter van een fiets. Mensen houden niet van risico’s. Als fietsbezitter vertoon je – zoals dat heet – risico-avers gedrag. Omdat je het risico niet wilt lopen dat je fiets gestolen wordt, verzeker je de fiets.
Een verzekering is een overeenkomst tussen een verzekeraar en een verzekerde waarbij de verzekerde tegen betaling van een premie de garantie krijgt dat een schade aan de verzekerde door de verzekeraar wordt vergoed. De vraag naar verzekeringen is afhankelijk van de hoogte van de risico-aversie bij de consument, de hoogte van de premie en het inkomen van de consument.
De hoogte van de (verzekerings-) premie is afhankelijk van de kans dat de fiets gestolen wordt en de prijs van de fiets. Als er een kans is van 1 op 20 in één jaar dat je fiets gestolen wordt en de gemiddelde dagwaarde van een fiets is € 600 dan bedraagt de premie 1/20 × € 600 = € 30. Dit nog afgezien van de andere kosten van de verzekeringsmaatschappij zoals administratiekosten en overheadkosten en afgezien van de winstopslag voor de verzekeringsmaatschappij.
Moral hazard (moreel risico, moreel wangedrag)
Het gevolg van verzekeren is dat je het niet meer zo nauw neemt (zo voorzichtig handelt) en de fiets niet voorziet van een goed en degelijk slot. Waarom daar geld aan uitgeven als de fiets toch verzekerd is? Dit noemen we moreel wangedrag of moreel risico (moral hazard). Omdat je verzekerd bent, word je onvoorzichtig en neemt de kans toe dat de fiets gestolen wordt. Stel dat als gevolg van moreel wangedrag het risico dat een fiets gestolen wordt stijgt van 1 op 20 fietsen naar 1 op 10 fietsen. Dat betekent dan een verdubbeling van de premie van € 30 naar € 60.
Voor de fietser die wel over een degelijk fietsslot beschikt en zijn fiets altijd afsluit kan de verhoging van de premie een reden zijn om zich niet meer te verzekeren. De kans dat een fiets met een degelijk fietsslot gestolen wordt is immers 1 op 40. Bij een dagwaarde van de fiets van € 600 zou dat op een premie uitkomen van € 600/40 = € 15.
Averechtse selectie
We zien hier dat de goede (de lage) risico’s opdraaien voor de slechte (hoge) risico’s. Als de goede risico’s massaal besluiten de verzekering op te zeggen, blijven alleen de slechte risico’s over en zal de premie drastisch stijgen. Er is hier sprake van averechtse selectie: de verzekeraar wil graag de goede risico’s als klant, maar hij bereikt het tegendeel: zijn klanten zijn de slechte risico’s. De goede (lage) risico’s verzekeren zich niet meer en alleen de slechte (hoge) risico’s blijven over. Verzekeren is dan niet meer zinvol omdat de premie de grens nadert waarop het niet meer zinvol is de fiets te verzekeren.
Averechtse selectie kan voorkomen worden door:

iedereen te verplichten zich te verzekeren. De goede risico’s moeten zich dan verzekeren, waardoor de gemiddelde premie laag blijft. Iedere autobezitter moet zich WA-verzekeren. Bij een verplichte verzekering staat solidariteit tussen goede risico’s en slechte risico’s voorop.
premiedifferentiatie in te voeren. Hoge risico’s betalen dan meer premie dan lage risico’s. Zo betaal je afhankelijk van de woonplaats een hogere of lagere WA-premie als autobezitter. Premiedifferentiatie gaat veelal gepaard met hogere transactiekosten.
invoering van een (vrijwillig) eigen risico en de invoering van een maximum vergoeding. Een eigen risico houdt in dat het eerste deel van het schadebedrag voor rekening komt van de verzekerde en niet voor de verzekeraar. Door een hoger eigen risico kan de premie lager zijn.
bonus-malusregeling: je krijgt een korting op te betalen premie naarmate je meer jaren rijdt zonder een schade bij de verzekering te claimen.

Sociale zekerheid
Het stelsel van sociale zekerheid bestaat uit verzekeringen en voorzieningen. Voorzieningen worden niet betaald uit premies, maar uit belastingen. De bijstand, geregeld in de Wet Werk en Bijstand (WWB) is een voorziening.Voor de sociale verzekeringen worden wel premies betaald. Bij sociale verzekeringen onderscheiden we werknemersverzekeringen en volksverzekeringen. De volksverzekeringen gelden voor iedereen, de werknemersverzekeringen alleen voor mensen in loondienst. Sommige sociale verzekeringen dekken het verlies van inkomen bij ziekte (ZW), werkloosheid (WW), arbeidsongeschiktheid (WIA) en ouderdom (AOW), andere sociale verzekeringen dekken de kosten van geneeskundige zorg (Wlz) of kinderen (AKW). De premie bij sociale verzekeringen is inkomensafhankelijk. Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit: de rijke komt op voor de arme, de gezonde voor de zieke, de werkende voor de werkloze. Niemand kan uitgesloten worden van een sociale verzekering, iedereen wordt geaccepteerd.
Werknemersverzekeringen
De premies voor deze verzekeringen worden betaald door de werkgever. Voor de ziektewet wordt helemaal geen premie betaald.
WW: Werkloosheidwet. Geeft een uitkering bij werkloosheid. De uitkering is 70% van het laatstverdiende loon. De duur is afhankelijk van het arbeidsverleden.
ZW: Ziektewet. Bij ziekte moet de werkgever tot maximaal twee jaar het loon doorbetalen.
WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen. Bij volledige arbeidsongeschiktheid krijg je op grond van de WIA een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als een werknemer gedeeltelijk is afgekeurd, moet de werkgever zorgen voor aangepast werk.
Volksverzekeringen
Volksverzekeringen zijn verplicht voor alle Nederlanders. De uitkering is meestal een vast bedrag. Er zijn vier volksverzekeringen:
AOW: Algemene Ouderdomswet. De AOW-leeftijd wordt stapsgewijs verhoogd van 65 naar 67 jaar. De uitkering is gelijk aan het sociaal minimum. Voor een volledige uitkering moet je 50 jaar in Nederland gewoond hebben.
Wlz: Wet langdurige zorg. Vergoedt de kosten van langdurige verpleging of psychiatrie.
Anw: Algemene Nabestaandenwet. Geeft kinderen (tot 18 jaar) en partner een minimumuitkering.
AKW: Algemene Kinderbijslagwet. Komt tegemoet in de kosten die kinderen (tot 18 jaar) met zich meebrengen. De uitkering wordt betaald door de overheid uit de belastinginkomsten.
De i/a-ratio
Sociale uitkeringen worden betaald uit belastingen en premies. Om ze betaalbaar te houden, is het van belang dat er voldoende betalers zijn tegenover het aantal uitkeringsgerechtigden. De i/a-ratio, de verhouding tussen inactieven en actieven, geeft een indicatie over de betaalbaarheid van de sociale zekerheid.
Zorgverzekeringswet
De Zvw heeft kenmerken van een volksverzekering, omdat hij voor iedere ingezetene van Nederland geldt en van een particuliere verzekering, omdat iedereen verplicht maar naar eigen keuze een verzekering voor een basispakket moet afsluiten. De premie van het basispakket heet de nominale premie. Daarnaast betaalt de verzekerde een inkomensafhankelijke bijdrage, die wordt vergoed door de werkgever. Een deel van de zorgkosten is voor eigen risico. De basisverzekering vergoedt de kosten voor huisarts, medicijnen en specialistische hulp. Verzekeringsmaatschappijen hebben een acceptatieplicht. Zij mogen niemand uitsluiten (geen risicoselectie). Mensen met een laag inkomen krijgen van de overheid een zorgtoeslag als bijdrage in de premie. De zorgtoeslag is maximaal € 57 per maand en wordt betaald uit de belastingen. Naast de basisverzekering kunnen mensen een aanvullende verzekering afsluiten (tandarts). De aanvullende verzekeringen zijn particuliere verzekeringen en ze zijn vrijwillig.
Principaal en agent
De principaal is de opdrachtgever en de agent voert de opdracht uit. De belangen van de principaal en de agent kunnen verschillen. De principaal – bijvoorbeeld de werkgever – wil de agent – bijvoorbeeld de werknemer – zo weinig mogelijk loon betalen en de agent/werknemer wil juist een zo hoog mogelijk loon.

Links
Risico en verzekeren video (15 min) NTR
Asymmetrische informatie, averechtse selectie en moral hazard: video 4 min.
Moral hazard: video 9 min.
Verzekeren: filmpje (15 minuten) van Teleac uit het jaar 2006.
Averechtse selectie: Video (12 min) YouTube.
Moreel wangedrag: Video (8 min) YouTube.
De Sociale Verzekeringsbank (AOW, ANW, Kinderbijslag, etc..): website.
Meer informatie over de sociale zekerheid (ziektewet, Wajong, Wlz): website.

Leerdoelen hoofdstuk 3
• Aantonen of iemand risico-avers gedrag vertoont en uitleggen wat dat voor zijn keuze betekent bij het afsluiten van een verzekering.
• Aantonen welke afweging een verzekerde maakt tussen kosten en risico bij het afsluiten van een verzekering.
• Aantonen in welke situaties er sprake is van asymmetrische informatie.
• Verklaren hoe asymmetrische informatie kan leiden tot averechtse selectie.
• Bepalen hoe partijen inspelen op asymmetrische informatie.
• Analyseren hoe averechtse selectie kan leiden tot het falen van markten.
• Analyseren hoe aanbieders averechtse selectie trachten te beperken.
• Aantonen dat bij verzekeren sprake kan zijn van solidariteit en op welke wijze solidariteit risico’s kan verkleinen.
• De motieven beschrijven om bepaalde verzekeringen wel of niet verplicht voor te schrijven (verplichte solidariteit).
• Analyseren hoe asymmetrische informatie via moreel wangedrag kan leiden tot het falen van bepaalde markten.
• De voorwaarden analyseren die kunnen leiden tot moreel risico.
• De keuze van de verzekerde omtrent de hoogte van eigen risico uitleggen.
• Uitleggen dat verzekeraars een eigen risico invoeren om averechtse selectie en/of moreel wangedrag te beperken.
• Aantonen in welke situaties er sprake is van moreel wangedrag en bepalen hoe partijen daarop inspelen.
• Analyseren hoe asymmetrische informatie de optimale werking van de relatie tussen een principaal en zijn agent kan verstoren.
• Twee verschillen tussen werknmersverzekeringen en volksverzekeringen beschrijven.
• Verklaren dat assymetrische informatie in een principaal-agentrelatie de oorzaak is van onvolledige contracten.
• Het verband analyseren tussen de i/a-ratio en de betaalbaarheid van de sociale zekerheid.
• Uitleggen op welke manier de principaal het contract met de agent vollediger kan maken.

Kernbegrippen
transactiekosten, contract, volledig contract, risicoaversie, asymmetrische informatie, averechtse selectie (adverse selection), premiedifferentiatie, eigen risico, solidariteit, verzorgingsstaat, bonus-malusregeling, collectieve dwang,moreel wangedrag (moral hazard, moreel gevaar, moreel risico), principaal, agent, actieven, inactieven, i/a-ratio.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3

actieven
Werkzame personen van 15 jaar en ouder.
agent
De uitvoerder van de opdrachten.
asymmetrische informatie
De ene partij beschikt over meer informatie dan de andere partij.
averechtse selectie
(= adverse selection) Houdt in dat de mensen met een hoog risico (de slechte risico’s) zich wel verzekeren en de mensen met een laag risico (de goede risico’s) niet.
bonus-malusregeling
Mensen die geen of weinig schade veroorzaken krijgen een korting (bonus) op de premie en mensen die veel schade veroorzaken moeten extra premie (malus) betalen.
collectieve dwang
Druk die wordt uitgeoefend om te zorgen dat iedereen zich aan een regel houdt. Dit kan door vastgelegde regels (wetten) die met sancties (strafmaatregelen) worden gehandhaafd, maar ook met ongeschreven regels, sociale normen. Bijvoorbeeld een verplichte verzekering.
contract
Afspraak waaraan beide partijen die een overeenkomst sluiten zich moeten houden.
eigen risico
Het bedrag dat je als verzekerde zelf moet betalen bij schade.
inactieven
Alle mensen met een uitkering, in aantal omgerekend naar volledige uitkeringen.
i/a-ratio
Verhouding tussen inactieven (mensen met een uitkering) en actieven (werkenden).
moreel wangedrag
(= moral hazard) Het gevaar dat mensen of instellingen zich roekeloos en onverantwoord gaan gedragen, als ze zelf niet opdraaien voor de kosten.
premiedifferentiatie
Verschillen in premie tussen verzekerden. De slechte risico’s betalen meer premie dan de goede risico’s.
principaal
De opdrachtgever.
risico-aversie
Een hekel hebben aan risico, als gevolg van onverwachte nadelige gebeurtenissen.
sociale verzekeringen
Door de overheid verplichte verzekering tegen inkomensverlies door werkloosheid, overlijden, ouderdom en ziekte, en tegen hoge kosten door ziekte en kinderen. De overheid gaat over de hoogte van de premie en over de verzekeringsvoorwaarden.
solidariteit
Saamhorigheid of gemeenschapszin. Je bent solidair als je het belang van de groep boven het (financieel) eigenbelang stelt.
transactiekosten
Alle kosten die worden gemaakt om de ruil tot stand te brengen en af te wikkelen.
verzorgingsstaat
Een samenleving waar de overheid iedereen een aanvaardbaar bestaansminimum garandeert.
volledig contract
Alle onvoorziene gebeurtenissen zijn opgenomen in het contract.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.