LWEO

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Inkomen en belasting

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1 Klaar met de opleiding
4.2 In loondienst
4.3 Eigen baas
4.4 De inkomensheffing
4.5 Vermogensrendementsheffing
4.6 De herverdeling door de overheid
4.7 Transfer
4.8 Zelftest

Aanvulling Levensloop hoofdstuk 4 (Consumentenprijsindex): KLIK HIER.

In loondienst
De arbeidsmarkt is een abstracte markt waar werkgevers (vraag) personeel vragen en werknemers en werkzoekenden (aanbod) zich aanbieden. Het aanbod van arbeid bestaat uit de werknemers die een baan hebben, de zelfstandigen en de werklozen. Dé arbeidsmarkt bestaat niet, de arbeidsmarkt bestaat uit een groot aantal deelmarkten die min of meer met elkaar in verbinding staan.
Vakbonden (werknemersbonden) en werkgevers(-bonden) onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en leggen dit vast in een collectieve arbeidsovereenkomst (cao). In een cao worden in de eerste plaats het loon en de normale arbeidstijd geregeld en daarnaast vakantieregelingen, pensioen, overuren en reiskostenvergoedingen.

Inflatie, koopkracht(reële loon) en reële rente
Door inflatie daalt de koopkracht van het loon.

indexcijfer nominale loon
Indexcijfer koopkracht = ———————————– × 100
prijsindexcijfer

Door inflatie is de reële rente lager dan de nominale rente

indexcijfer nominale rente
Indexcijfer reële rente = ————————– × 100
prijsindexcijfer

Productiefactoren en beloningen
Om te kunnen produceren zijn productiefactoren of productiemiddelen nodig. We maken onderscheid tussen de volgende productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Onder kapitaal verstaan we zowel geldkapitaal als kapitaalgoederen zoals gebouwen en machines.

Productiefactoren en de beloning ervoor.
arbeid loon (salaris)
kapitaal rente, huur
natuur pacht
ondernemerschap winst

Loonheffing
Als werknemer verdien je een bepaald (bruto) loon. Op dat loon wordt de loonheffing (een soort voorschot op de inkomensheffing) ingehouden. De loonheffing bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen. De belastingen die de overheid int vormen de algemene middelen. Bij het afdragen van belasting weet de belastingbetaler niet waaraan de overheid de belastingen uitgeeft. De premie volksverzekeringen betaal je voor de AOW, de Anw en de Wlz. In tegenstelling tot de belasting hebben deze premies wel een duidelijke bestemming. Uit de AOW-premies worden de huidige AOW-uitkeringen betaald. Daarnaast wordt op het bruto salaris de pensioenpremie ingehouden. Hiermee wordt een bedrijfspensioen opgebouwd. Dit bedrijfspensioen is een aanvulling op de AOW-uitkering. Ten slotte wordt premie Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden voor ziektekosten zoals huisarts, medicijnen en specialistische hulp. In het brutoloon zit een tegemoetkoming van de werkgever voor deze premie. Het brutoloon min de loonheffing, min de pensioenpremie en min de premie Zvw geeft het netto of besteedbaar loon.

Berekening inkomensheffing
De inkomensheffing werkt als volgt:
bruto jaarinkomen
– aftrekposten
= belastbaar inkomen
– heffingsbedrag
= netto inkomen
Het heffingsbedrag wordt berekend over de verschillende schijven die op het inkomen van toepassing zijn. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting verlagen het bedrag dat uiteindelijk betaald moet worden.

Gemiddeld en marginaal tarief
Bij de belastingheffing past de overheid het draagkrachtbeginsel toe. Hogere inkomens betalen gemiddeld een hoger percentage belasting dan de lagere inkomens. Het belastingsysteem is daarom progressief en leidt tot nivellering van inkomens.
De gemiddelde belastingdruk of het gemiddeld belastingtarief = loonheffing/brutoloon × 100%. De marginale belastingdruk of het marginaal tarief is gelijk aan het hoogste belastingtarief dat iemand betaalt.
Een heffingskorting heeft een nivellerende invloed op de inkomensverdeling en het verlengen van de eerste belastingschijf heeft een denivellerende invloed op de inkomensverdeling.
Vermogensrendementsheffing
Net als over het inkomen uit arbeid wordt over het inkomen uit vermogen belasting geheven. Deze belasting heet vermogensrendementsheffing. Het heffingstarief bedraagt 30%. De belastingdienst hanteert echter niet het werkelijk verdiende inkomen uit vermogen, maar gaat uit van een fictief rendement van 4%. Over die 4% fictief rendement dient een heffing van 30% te worden betaald. De eigen woning valt daarbuiten en een deel van het vermogen is vrijgesteld van heffing.
Berekening:
Belastbaar vermogen = vermogen op 1 januari – vrijstelling.
Fictief rendement = 0,04 x belastbaar vermogen.
Vermogensrendementsheffing = 0,30 x fictief rendement.

Links
Inkomensheffing: video 19 min.
Arbeidsmarkt: video 36 min (Economie Academy Hilversum).
Invloed van inflatie: video 20 min.
De belastingdienst: website.

Leerdoelen hoofdstuk 4
• Verschillen noemen tussen een individuele en een collectieve arbeidsovereenkomst.
• Uitleggen wat het Free-riderprobleem (meeliftersgedrag) inhoudt voor de vakbeweging en in hoeverre collectieve dwang een oplossing kan bieden voor het Free-riderprobleem.
• Het verschil beschrijven tussen nominaal en reëel inkomen.
• Berekeningen uitvoeren met de koopkracht van inkomens en vermogens.
• De inkomensheffing berekenen bij een gegeven inkomen en gegeven belastingsysteem.
• Verschillende stelsels van inkomensheffing beschrijven en de gevolgen voor de inkomensverdeling concreet verklaren.
• De gemiddelde en marginale belastingdruk bepalen.
• Vermogensrendementsheffing berekenen met een gegeven systeem.
• Effecten analyseren van overheidsmaatregelen op de inkomensverdeling en de vermogensverdeling.
• Onderscheid maken tussen primair en secundair inkomen en van elk voorbeelden noemen.
• Met behulp van lorenzcurven de verdeling van het primaire inkomen en het secundaire inkomen concretiseren en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen.
• Effecten analyseren van overheidsmaatregelen op de primaire- en secundaire inkomensverdeling.
• Het onderscheid tussen nominale en reële rente beschrijven en dit rekenkundig onderbouwen.

Kernbegrippen hoofdstuk 4
concrete markt – abstracte markt – vraag naar arbeid – aanbod van arbeid – arbeidsparticipanten – beroepsbevolking – menselijk kapitaal – arbeidsvoorwaarden – collectieve arbeidsovereenkomst (cao) – koopkracht – inflatie – nominaal loon – reëel loon – investeren – kapitaal – loon – huur – rente – pacht – winst – productiefactoren – brutoloon – nettoloon – loonheffing – loonbelasting – premie volksverzekeringen – bedrijfspensioen – aftrekposten – belastbaar inkomen – algemene heffingskorting – arbeidskorting – draagkrachtbeginsel – progressief belastingstelsel – nivellering – gemiddelde belastingdruk – denivelleren – marginale belastingdruk – particuliere verzekeringen – sociale verzekeringen – primaire inkomens – overdrachtsinkomen – secundair inkomen -vermogensrendement – vermogensrendementsheffing.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

aanbod van arbeid
Personen tussen de 15 en pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
abstracte markt
Het geheel van vraag en aanbod van een product. Een abstracte markt kun je niet lijfelijk bezoeken.
aftrekposten
Bedragen die bij de berekening van het belastbaar inkomen in mindering mogen worden gebracht op het brutoloon en waarover geen loonheffing betaald hoeft te worden.
algemene heffingskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing voor iedereen.
arbeidskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing voor iedereen die werkt.
arbeidsparticipanten
(= beroepsbevolking) Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
arbeidsvoorwaarden
Afspraken tussen werkgever en werknemer over loon, arbeidstijd, vakantieregeling, reiskosten, scholing, onkostenvergoedingen, laptop van de zaak, studiefaciliteiten, enzovoorts.
bedrijfspensioen
Aanvullende uitkering bovenop de AOW.
belastbaar inkomen
Bruto inkomen min aftrekposten.
beroepsbevolking
Personen tussen de 15 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd die willen en kunnen werken: zij bieden hun arbeid(skracht) aan op de arbeidsmarkt. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de geregistreerde werklozen.
brutoloon
Het loon voor aftrek van belastingen en premies.
collectieve arbeidsovereenkomst
Een overeenkomst over de arbeidsvoorwaarden die gelden voor iedereen die in het bedrijf of in de bedrijfstak werkt.
concrete markt
Een markt waar je heen kunt om te handelen, bijvoorbeeld vismarkt.
denivelleren
Het groter worden van de relatieve inkomens¬verschillen.
draagkrachtbeginsel
Het principe dat de hogere inkomens in verhouding meer belasting betalen dan de lagere inkomens.
gemiddelde belastingdruk
Inkomensheffing als percentage van het bruto inkomen.
heffingskorting
Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing.
huur
Beloning voor de productiefactor kapitaal.
inflatie
Een stijging van het algemeen prijspeil.
investeren
Het kopen van goederen of diensten om er mee verder te produceren, kopen van kapitaalgoederen.
kapitaal
Een productiefactor, die betrekking kan hebben op kapitaalgoederen, maar ook op geldkapitaal.
koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.
loon
Beloning voor de productiefactor arbeid.
loonbelasting
Directe belasting op het inkomen van een werknemer, die als voorheffing van de inkomstenbelasting wordt ingehouden op het brutoloon.
loonheffing
Het bedrag dat als voorheffing van de inkomsten¬belasting en de premie volksverzekeringen wordt ingehouden op het brutoloon.
marginale belastingdruk
Het belastingpercentage dat je betaalt over extra verdiend inkomen, dus over je laatst verdiende euro.
menselijk kapitaal
De kennis en vaardigheden die werknemers bezitten en waarover bedrijven kunnen beschikken.
nettoloon
Loon na aftrek van belastingen en sociale premies.
nivelleren
Het kleiner worden van de relatieve inkomens¬verschillen.
nominaal loon
Het loon uitgedrukt in geld.
overdrachtsinkomen
Dat deel van het inkomen dat mensen krijgen zonder deelname aan het productieproces. Bestaat uit (sociale) uitkeringen en subsidies/toeslagen.
pacht
Beloning voor de productiefactor natuur (grond).
premie volksverzekeringen
Het bedrag dat je (verplicht) betaalt aan de volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz).
primaire inkomens
Inkomens verdiend in het productieproces: loon, rente, huur, pacht, winst.
productiefactoren
Middelen waarmee wordt geproduceerd, namelijk arbeid, ondernemerschap, natuur en kapitaal.
progressief belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij de hogere inkomens een hoger gemiddeld belastingpercentage betalen dan de lagere inkomens.
reëel loon
De koopkracht van het loon. Het nominale loon gecorrigeerd voor inflatie.
rente
Beloning voor de productiefactor kapitaal.
secundair inkomen
Inkomen na herverdeling van het primaire inkomen door de collectieve sector.
vermogensrendement
Het inkomen uit vermogen uitgedrukt in procenten van het totale vermogen.
vermogensrendementsheffing
Heffing over het fictief rendement van het vermogen.
vraag naar arbeid
De hoeveelheid arbeid(skrachten) die de werkgevers gezamenlijk in dienst willen nemen. Bestaat uit de mensen in loondienst, de zelfstandigen en de vacatures.
winst
Beloning voor de productiefactor ondernemerschap vanwege het ondernemingsrisico dat de ondernemer loopt.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.