LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Marktverstoring door overheidsingrijpen

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Ingrijpen in de prijsvorming
3.1.1 Maximumprijs
3.1.2 Minimumprijs
3.2 Belastingen en subsidies
3.2.1 Indirecte belastingen
3.2.2 Loonbelasting
3.2.3 Indirecte subsidie
3.3 Transfer
3.4 Zelftest

De vrije marktwerking biedt niet altijd de gewenste uitkomst. Soms zijn de prijzen te hoog of te laag of worden sommige goederen te veel of te weinig geproduceerd. We spreken dan van marktfalen. Marktfalen leidt er toe dat de overheid ingrijpt in het vrije marktgebeuren door bijvoorbeeld een minimumprijs of maximumprijs op te leggen. Het overheidsingrijpen gaat gepaard met een verlies aan welvaart.
Maximumprijs

Een maximumprijs wordt ingesteld om de consumenten te beschermen. Een maximumprijs ligt altijd onder de marktprijs (evenwichtsprijs) en leidt tot een vraagoverschot (aanbodtekort). Door het instellen van een maximumprijs verschuift een deel van het surplus van producent naar consument, in de figuur wordt dat weergegeven door de rechthoek met als coördinaten (0;15), (4;15), (4;20) en (0;20). De krimpende markt veroorzaakt een welvaartsverlies. De afname van de welvaart als gevolg van de daling van het aantal transacties wordt weergegeven door de Harberger driehoek met als coördinaten (4;15), (6;20) en (4;30).
Minimumprijs
wordt ingesteld om de producent te beschermen en ligt altijd boven de marktprijs (evenwichtsprijs). Het is/was de manier om de boeren te verzekeren van een redelijk inkomen. Een minimumprijs leidt tot een aanbodoverschot (vraagtekort). Een minimumprijs wordt ook garantieprijs (de prijs die de boeren gegarandeerd krijgen) of interventieprijs (zodra de marktprijs onder de minimumprijs zakt, intervenieert de overheid). De interventie vindt plaats door het opkopen – tegen de gestelde minimumprijs – van de overschotten door de overheid. Het op deze wijze interveniëren van de overheid in de EU heeft geleid tot boterbergen en melkplassen. Deze overschotten werden door de EU met exportsubsidies kunstmatig verlaagd om zo te kunnen concurreren op de wereldmarkt. Tegelijkertijd moesten invoerrechten voorkomen dat goedkopere landbouwproducten in de EU afgezet konden worden. Onder druk van onder meer de WTO wordt het systeem van prijssteun in de EU geleidelijk vervangen door inkomenssteun.
Voor melk geldt tot 2015 nog wel een minimumprijs maar ook een productiequotum. Overschrijding van dit quotum leidt tot superheffing.

Door het instellen van een minimumprijs verschuift een deel van het surplus van consument naar producent, in de figuur wordt dat weergegeven door de rechthoek met als coördinaten (0;150), (90;150), (90;180) en (0;180).
Het opkopen van het overschot door de overheid vergroot het producentensurplus. Het totale surplus van consumenten en producenten neemt hierdoor toe met de driehoek aangeduid met de volgende coördinaten (150;150), (210;180) en (90;180). Tegenover deze toename staat wel een welvaartsverlies voor de belastingbetalers. Zij betalen het opkopen door de overheid.
Minimumloon
Ook op de arbeidsmarkt grijpt de overheid in de prijsvorming in. Door de vrije marktwerking kan op een deelmarkt van de arbeidsmarkt het loon zo laag worden dat een werknemer niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. De overheid stelt daarom een minimumloon in.

Indirecte belastingen

Accijnzen, btw en invoerrechten zijn indirecte belastingen. De verkoper ontvangt de belasting van de koper en draagt die af aan de overheid. Indirecte belastingen zijn kostprijsverhogende belastingen.
Voor de eerste levensbehoeften bedraagt de btw 6%, voor de andere producten 19%.
Accijnzen worden geheven om het gebruik van goederen zoals alcohol, tabak en benzine te ontmoedigen. Voor de producent werkt accijns als een verhoging van de variabele kosten en dus van de marginale kosten. Als gevolg van deze verhoging verschuift de aanbodlijn (A ? A’). We zien dat er een verschuiving plaatsvindt van het surplus van consumenten en producenten naar de overheid. Tevens leidt de accijns tot een inkrimping van de productie en tot afname van de welvaart gelijk aan de Harberger driehoek (B + C).

Indirecte subsidie
Door prijs verlagende subsidies krijgen zowel consumenten als producenten een extra surplus. Door prijs verlagende subsidies kan het product tegen een lagere prijs dan de marktprijs aangeboden worden en neemt de afzet toe.
Omgekeerd leiden extra heffingen door de overheid tot een afname van het totale surplus. Een heffing verhoogt de marginale kosten en daarmee de prijs van het product. De mate waarin de producent er in slaagt de heffing door te berekenen in de prijs van het product is afhankelijk van de hellingen van de vraaglijn en de aanbodlijn en dus van de prijselasticiteit van vraag en van aanbod. Ook de grootte van het welvaartsverlies als gevolg van de heffing is afhankelijk van de prijselasticiteit van vraag en van aanbod.

Loonbelasting
Welvaartseconomen wijzen erop dat belastingheffing welvaartsverlies veroorzaakt doordat markten worden verstoord. Gezocht wordt naar een systeem van optimale belastingheffing waarbij de welvaartsverliezen zo beperkt mogelijk blijven. De belastingheffing is optimaal als die leidt tot zo min mogelijk verstoringen, de overheid voldoende ontvangsten heeft, de inkomens herverdeeld worden en ook andere politieke doelen worden bereikt.


Links

Accijnzen (SchoolTV; 8 minuten)
Overheidsingrijpen in prijsvorming: filmpje van Teleac (15 minuten).
Uitleg over maximum en mimimum prijs.
Verlaging maximum roamingtarief: website.

Leerdoelen hoofdstuk 3
• Een motief noemen voor het instellen van een maximumprijs>
• Grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid analyseren van de instelling van een maximumprijs.
• Het effect op het surplus analyseren van een maximumprijs en dit grafisch onderbouwen.
•Uitleggen welk aanvullend beleid nodig is na het instellen van een maximumprijs.
• Motieven noemen voor het instellen van een minimumprijs.
• Grafisch en algebraïsch de gevolgen op de gevraagde en aangeboden hoeveelheid analyseren van de instelling van een minimumprijs.
• Het effect op het surplus analyseren van een minimumprijs en dit grafisch onderbouwen.
• Uitleggen welk aanvullend beleid nodig is na het instellen van een minimumprijs.
• Met behulp van de Harberger-driehoek herkennen hoe welvaartsverliezen ontstaan en dit grafisch onderbouwen.
• Het kenmerk noemen van een indirecte belasting en er voorbeelden van geven.
• Met voorbeelden uitleggen welke invloed belastingen en subsidies hebben op de verdeling van het consumentensurplus en het producentensurplus en uitleggen hoe afwenteling hierbij een rol speelt en dit grafisch onderbouwen.

Kernbegrippen
Maximumprijs – welvaartsverlies – Harberger-driehoek – minimumprijs – minimumloon – productiequotum – indirecte belastingen – prijsverlagende subsidie – afwenteling.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3

afwenteling
Het geheel of gedeeltelijk doorberekenen van een heffing in de consumentenprijs.
Harberger driehoek
De driehoek die de afname van het surplus weergeeft.
indirecte belastingen
Een kostprijsverhogende belasting.
maximumprijs
Een door de overheid bepaalde prijs met als doel de consument te beschermen.
minimumprijs
Een door de overheid bepaalde prijs met als doel het aanbod te behouden en een redelijk inkomen voor de producenten.
minimumloon

productiequotum
De maximale hoeveelheid die van een product geproduceerd mag worden.
prijsverlagende subsidie
Subsidie van de overheid aan de producent waardoor hij de prijs van zijn product kan verlagen.
welvaartsverlies
De afname van de welvaart, veroorzaakt door de afname van het aantal transacties.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.