LWEO

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Aanbod: spijkerbroeken te koop

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1 Het aanbod en de verkoopprijs bij een kledingzaak
4.2 Het aanbod bij veranderingen van de verkoopprijs
4.3 Welke andere factoren dan de prijs beïnvloeden het aanbod
4.4 De administratie van kledingzaak J&M
4.4.1 De balans
4.4.2 De resultatenrekening
4.5 Rechtsvorm
4.6 Transfer
4.7 Zelftest

Het aanbod
Het (collectieve) aanbod is afhankelijk van de prijs en van andere factoren zoals de toe of afname van het aantal aanbieders, de toe of afname van de productiekosten, de toe of afname van heffingen door de overheid, etc.
De (collectieve) aanbodlijn of aanbodfunctie geeft het verband weer tussen de prijs en de hoeveelheid die producten bereid zijn om tegen die prijs aan te bieden. Ook hierbij geldt de ceteris paribus voorwaarde: de relatie tussen het aanbod en de prijs kan pas vastgesteld worden als alle ander factoren die van invloed zijn niet veranderen.

Verschuiving over of langs de aanbodlijn en verschuiving van de aanbodlijn.
Als de prijs van een product verandert, vindt er een verschuiving plaats over of langs de aanbodlijn. In dit geval is er sprake van een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid. Stijgt de prijs dan zal er meer aangeboden worden, daalt de prijs dan wordt er minder aangeboden.
De aanbodlijn verschuift naar links (boven) of naar rechts (onder) als de andere factoren die van invloed zijn op het aanbod veranderen. Zo zal een prijsstijging van katoen de kosten voor het maken van spijkerbroeken doen toenemen. Bij een gegeven prijs zullen minder fabrikanten spijkerbroeken aanbieden. De kosten zullen voor een aantal fabrikanten dan hoger zijn dan de opbrengsten. De aanbodlijn verschuift in dit geval naar links (boven). Omgekeerd zal het aanbod van spijkerbroeken toenemen als katoen goedkoper wordt aangeboden. De aanbodlijn verschuift dan naar rechts (onder).

Prijselasticiteit van het aanbod

Procentuele verandering van de aangeboden hoeveelheid (gevolg)
Ea = ——————————————————————————–
Procentuele verandering van de verkoopprijs (oorzaak)

De prijselasticiteit van het aanbod is altijd positief. Een hogere prijs leidt tot een groter aanbod. Is de prijselasticiteit van het aanbod kleiner dan 1, dan is het aanbod prijsinelastisch. Bij een waarde groter dan 1 is het aanbod prijselastisch. Op lange termijn is het aanbod elastischer dan op korte termijn.

De balans
De balans geeft een overzicht van de bezittingen en het vermogen op één bepaald moment. De bezittingen, ook wel activa genoemd, staan links op de balans. Het vermogen of de passiva, staan rechts. Op de balans staan voorraadgrootheden, want ze worden geregistreerd op een bepaald tijdstip. De activa worden onderscheiden in vaste, vlottende en liquide activa. Vaste activa zijn bezittingen die langer dan een jaar meegaan. De vlottende activa gaan korter dan een jaar mee. Liquide activa zijn geld in de kas en geld op een bankrekening bij een bank. Aan de vermogenskant (passiefzijde) wordt er onderscheid gemaakt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden). Vreemd vermogen wordt onderscheiden in lang en kort vreemd vermogen. Lang vreemd vermogen betreft leningen met een looptijd langer dan een jaar. Kort vreemd vermogen is geleend geld dat binnen een jaar terug betaald moet worden.

De resultatenrekening
De resultatenrekening is een overzicht van de opbrengsten (omzet) en de kosten in een bepaalde periode (vaak één jaar). Opbrengsten en kosten zijn periodegrootheden. De omzet min alle kosten geeft de winst in een bepaalde periode.

Ondernemingsvormen
De vier belangrijkste rechtsvormen voor bedrijven zijn de eenmanszaak, de vennootschap onder firma (vof), de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv).

  • Eenmanszaak
    Kenmerkend voor de eenmanszaak is het feit dat deze geleid wordt door één persoon die tevens eigenaar is van het bedrijf. Daarnaast is er geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Dit betekent dat de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf. Kan het bedrijf haar schulden niet betalen, dan wordt het privévermogen (huis, auto, etc.) van de eigenaar aangesproken. Veel kleine bedrijven zijn eenmanszaken die geen personeel in dienst hebben. We spreken in dat geval van zelfstandigen zonder personeel (zzp’er).
  • Vennootschap onder firma
    Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn samen eigenaar. Omdat er meerdere firmanten zijn is specialisatie mogelijk. Zo kan de ene firmant de marketing doen, de ander personeelszaken en een derde de financiering. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.
  • Besloten vennootschap
    Met het oprichten van een besloten vennootschap kan het privévermogen afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. De vennoten nemen elk voor een bepaald bedrag deel in het eigen vermogen van de onderneming. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze hebben ingelegd. Dat is mogelijk omdat de bv (net als de nv) een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig schulden aangaan. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk, waardoor hun privévermogen buiten schot blijft.
    Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de bv, maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst: het zogenaamde dividend. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.
  • Naamloze vennootschap
    Als een onderneming grote bedragen aan kapitaal nodig heeft is de bv minder geschikt en is de nv een beter alternatief. De aandelen van de nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De bezitters van de aandelen, aandeelhouders genoemd, hebben letterlijk een aandeel in het eigen vermogen van de onderneming en zijn voor de grootte van dat aandeel, eigenaar van de onderneming. Het aandeel geeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst. Bij de nv is de dagelijkse leiding verder losgekoppeld van de eigenaars dan bij de bv. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur (de directie) van de onderneming controleert. De directie voert de dagelijkse leiding van het bedrijf. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.

Fiscale verschillen
De winst van een bv/nv valt onder de vennootschapsbelasting terwijl de winst van de eenmanszaak en de vof on de inkomensheffing valt. De inkomensheffing kan oplopen tot 52 procent, terwijl de vennootschapsbelasting ongeveer 25 procent is.

Links
Vraag en aanbod: videofilmpje (9 min).
Hoe teken ik een aanbodlijn? videofilmpje (9 minuten).
Ondernemingsvormen: videofilm 20 min.
Uitleg over de balans en resultatenrekening (YouTube: 13 min).

Leerdoelen hoofdstuk 4
• De samenhang analyseren tussen prijs en aanbod.
• De prijselasticiteit van het aanbod berekenen en de uitkomst interpreteren.
• Grafisch en rekenkundig analyseren welke invloed veranderingen van de ceteris-paribus-voorwaarden hebben op de aanbodcurve.
• Uit individuele aanbodlijnen grafisch de collectieve aanbodlijn afleiden.
• Een balans opstellen en interpreteren
• Een resultatenrekening opstellen en interpreteren.
• Met voorbeelden toelichten dat er op de balans van ondernemingen voorraadgrootheden staan en op de resultatenrekening stroomgrootheden.
• De keuze over het aantrekken van eigen en vreemd vermogen van een onderneming (eenmanszaak, vof, bv of nv) toelichten.
• Uitleggen dat de te kiezen rechtsvorm invloed heeft op de (privé)aansprakelijkheid en daarmee op de toedeling van het ondernemersrisico.
• Uitleggen dat de te kiezen rechtsvorm invloed heeft op de te betalen belasting.

Kernbegrippen hoofdstuk 4
Totale kosten – totale opbrengst – totale winst – winstmarge – gemiddelde opbrengst (verkoopprijs) – gemiddelde totale kosten (kostprijs) – individuele aanbodfunctie (individuele aanbodvergelijking) – prijselasticiteit van het aanbod – collectieve aanbodvergelijking – kapitaalgoederen – investeren – eigen vermogen – vreemd vermogen – balans – voorraadgrootheden – resultatenrekening (verlies-en-winstrekening) – stroomgrootheden – afschrijven – eenmanszaak – vennootschap onder firma (vof) – besloten vennootschap (bv) – naamloze vennootschap (nv) – zelfstandige zonder personeel (zzp’er) – rechtspersoon – aandeelhouder.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door hier te klikken.