LWEO

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6

Arbeidsmarkt en vermogensmarkt

Inhoudsopgave hoofdstuk 6
6.1 Arbeidsmarkt
6.1.1 Arbeid en loon
6.1.2 Evenwicht op de arbeidsmarkt
6.2 Vermogensmarkt
6.2.1 Sparen en lenen
6.2.2 Vraag en aanbod op de vermogensmarkt
6.2.3 Evenwicht op de vermogensmarkt
6.3 Transfer
6.4 Zelftest

De arbeidsmarkt
Op de arbeidsmarkt komen vraag naar arbeid en aanbod van arbeid bij elkaar. De prijs die op de arbeidsmarkt tot stand komt, is het loon. Voor de vragers naar arbeid is loon een kostenpost en voor de aanbieders van arbeid is het loon inkomen.
Het aanbod van arbeid of de beroepsbevolking bestaat uit de bezette banen (werkgelegenheid) en de mensen die op zoek zijn naar een baan, de werklozen. De werkloosheid is dus het verschil tussen de beroepsbevolking en de werkgelegenheid.
De vraag naar arbeid(skrachten) omvat de vraag naar werknemers door bedrijven (inclusief zelfstandigen) en de overheid. Het grootste deel van de vraag wordt ingelost, de werkgelegenheid. Het overige deel van de vraag blijft onvervuld, de vacatures. De vraag naar arbeid bestaat dus uit de werkgelegenheid + de vacatures.
Eigenlijk kunnen we niet spreken van dé arbeidsmarkt.
De arbeidsmarkt is voortdurend onderhevig aan veranderingen in vraag en aanbod. Groeit de werkgelegenheid plus vacatures harder dan de beroepsbevolking dan spreken we van een verkrapping van de arbeidsmarkt. Je kunt ook zeggen dat bij een verkrapping van de arbeidsmarkt de verhouding tussen vraag en aanbod groter wordt. Als de beroepsbevolking harder groeit dan de werkgelegenheid plus de vacatures is er sprake van een verruiming van de arbeidsmarkt. De verhouding tussen vraag en aanbod wordt dan kleiner. Het is mogelijk dat op de ene deelmarkt van de arbeidsmarkt een verruiming plaatsvindt en tegelijkertijd op de andere deelmarkt een verkrapping.

Loonelasticiteit van het arbeidsaanbod

procentuele verandering van het arbeidsaanbod
loonelasticiteit van het arbeidsaanbod = ———————————————————
procentuele verandering van het loon

Het arbeidsaanbod is in het algemeen tamelijk looninelastisch. Dat wil zeggen dat het arbeidsaanbod zwak reageert op een verandering van het loon. De loonelasticiteit kan per beroepsgroep verschillen. Bij sommige beroepen kan het arbeidsaanbod op korte termijn niet sterk vergroot worden.

Loon en vraag naar arbeid
Net als het aanbod van arbeid is ook de vraag naar arbeid afhankelijk van de hoogte van het loon. We gaan ervan uit dat een ondernemer streeft naar een zo hoog mogelijke winst. Een ondernemer zal doorgaan met het aantrekken van werknemers, zolang de opbrengst van een extra werknemer groter is dan de kosten van die werknemer.
Een stijging van het loon kan tot gevolg hebben dat de loonkosten van een werknemer hoger zijn dan de opbrengst van die werknemer. De ondernemer zal die persoon ontslaan om zo weer de maximale winst te behalen.
Loonelasticiteit van de arbeidsvraag

procentuele verandering van de arbeidsvraag
loonelasticiteit van de arbeidsvraag = ———————————————————
procentuele verandering van het loon

Evenwicht op de arbeidsmarkt
Zolang de gevraagde hoeveelheid arbeid afwijkt van de aangeboden hoeveelheid arbeid zal het loon zich via het marktmechanisme aanpassen totdat het loonniveau Le is bereikt. Grafisch gezien vindt er zowel langs (over) de vraaglijn als langs (over) de aanbodlijn een verschuiving plaats.
Tot nu toe zijn we ervan uitgegaan dat vraag naar en aanbod van arbeid alleen afhankelijk zijn van de hoogte van het loon. In werkelijkheid zijn er ook andere factoren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beïnvloeden. Als deze factoren veranderen, verschuift de vraaglijn en/of de aanbodlijn naar links of naar rechts.

 

Evenwicht op de ABM

Vermogensmarkt
Sparen en lenen
Sparen is het niet besteden van inkomen. Een deel van het huidige (besteedbaar) inkomen wordt niet nu geconsumeerd, maar doorgeschoven naar een later tijdstip. Door te sparen wordt vermogen opgebouwd. Sparen is een voorbeeld van ruilen over de tijd of intertemporele ruil: de consumptie van nu ruilen voor de consumptie in de toekomst.
Lenen is het tegenovergestelde van sparen. Door te lenen ontvang je geld dat je later terug moeten betalen. Het stelt je in staat nu meer te consumeren dan je huidig inkomen. Je haalt consumptie naar voren. Ook hier is sprake van ruilen over de tijd: consumptie in de toekomst ruilen voor de consumptie van nu.
Sparen en lenen hebben beide hun prijs. Een spaarder heeft een lage tijdsvoorkeur, hij is ‘geduldig’ en stelt zijn consumptie uit. Hij wil wel een vergoeding voor het afstaan van geld. Die vergoeding noemen we rente.
Een lener heeft een hoge tijdsvoorkeur, hij is ‘ongeduldig’ en haalt consumptie in de tijd naar voren. Hij is bereid een prijs te betalen, omdat hij nu over een hoger bedrag kan beschikken dan zijn huidige inkomen. Deze prijs noemen we ook rente.
Bij de keuze of je wilt sparen of lenen spelen de opofferingskosten een rol.

De eindwaarde van een bedrag geeft aan hoeveel een huidig bedrag in de toekomst waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage. Het rentepercentage wordt daarbij verwerkt in de groeifactor van het huidige bedrag. Dus als het huidige bedrag € 2.000 bedraagt en het rentepercentage bedraagt 4%, dan is de eindwaarde over 5 jaar te berekenen met € 2.000 x 1,045.
De contante waarde van een bedrag geeft juist weer hoeveel een bedrag in de toekomst op dit moment waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage.
Dus € 2.000 over 6 jaar bij een rentepercentage van 3% heeft op dit moment een contante waarde van € 2.000/1,036.

Vraag en aanbod op de vermogensmarkt
Op de vermogensmarkt, een abstracte markt, komen vraag naar en aanbod van geld(vermogen) samen. Marktpartijen met een geldtekort vragen geld en marktpartijen met een geldoverschot bieden geld aan. De prijs die op de vermogensmarkt tot stand komt, noemen we rente.
De vermogensmarkt is in evenwicht als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Als de rente een waarde heeft die afwijkt van de evenwichtsrente zal via de werking van het prijsmechanisme een aanpassingsproces in gang gezet worden, zodanig dat er een evenwicht ontstaat.
Naast de rentevoet bepalen ook andere factoren de vraag naar en het aanbod van geld. Je kunt hierbij denken aan hoe de nationale economie er voor staat, de hoogte van de belastingtarieven, inflatieverwachtingen en de tijdsvoorkeur. Als deze factoren veranderen, kan dat leiden tot een verschuiving van de vraaglijn en/of aanbodlijn van geld.

Links
De arbeidsmarkt: video NTR 15 minuten (introductie).
Vraag en aanbod: videofilmpje (9 min).
Hoe teken ik een aanbodlijn? videofilmpje (9 minuten).
Loonvorming bij volkomen concurrentie: uitleg.
De arbeidsmarkt gesneltekend: videoclip 2 minuten.
Sparen en lenen: video 12 minuten.

Leerdoelen hoofdstuk 6
• Verband tussen loon en gevraagde hoeveelheid arbeid verklaren.
• Verband tussen loon en aangeboden hoeveelheid arbeid verklaren.
• Andere factoren dan het loon die invloed hebben op de gevraagde hoeveelheid arbeid benoemen en verklaren.
• Andere factoren dan het loon die invloed hebben op de aangeboden hoeveelheid arbeid benoemen en verklaren.
• Het verschil in loonelasticiteit tussen beroepen verklaren.
• Berekeningen maken met de loonelasticiteit.
• Uitleggen dat bij een onevenwichtige situatie het evenwicht hersteld kan worden door de werking van het marktmechanisme en dit grafisch onderbouwen.
• Verklaren hoe veranderingen in vraag en aanbod op de vermogensmarkt de rente beïnvloeden.
• De geldmarkt en de kapitaalmarkt onderscheiden.
• Uitleggen dat bij een onevenwichtige situatie het evenwicht hersteld kan worden door de werking van het marktmechanisme en dit grafisch onderbouwen.
• Uitleggen door welke factoren de vraaglijn van geld en de aanbodlijn van geld kunnen verschuiven en in welke richting.
• Eindwaarde en contante waarde kunnen berekenen.

Kernbegrippen hoofdstuk 6
Werkgelegenheid – vacature – aanbod van arbeid – werklozen – werkloosheid – vraag naar arbeid – verkrapping van de arbeidsmarkt – verruiming van de arbeidsmarkt – loonelasticiteit van het arbeidsaanbod – arbeidsproductiviteit – loonelasticiteit van de arbeidsvraag – kapitaalintensief – arbeidsintensief – evenwichtsloon – krappe arbeidsmarkt – ruime arbeidsmarkt – sparen – ruilen over de tijd – lenen – rente – vermogensmarkt – beleggen – gedwongen besparingen – obligatie – hypothecaire lening – geldmarkt – kapitaalmarkt – eindwaarde – contante waarde.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 6


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.