LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

Het internationale economische verkeer

Inhoudsopgave hoofdstuk 2
2.1 De internationale handel van goederen en diensten
2.1.1 Goederenverkeer
2.1.2 Dienstenverkeer
2.2 Handelstheorie
2.2.1 De comparatieve-kostentheorie
2.2.2 De oorzaken van kostenverschillen
2.3 Protectie
2.4 Handelspolitiek
2.5 Het internationale verkeer van productiefactoren
2.5.1 Kapitaal
2.5.2 Arbeid
2.6 Zelftest

2.1 De internationale handel van goederen en diensten
De handelsbalans geeft een overzicht van de waarde van de goederenuitvoer en de waarde van de goedereninvoer van een land in een bepaald jaar. Als de waarde van de goederenuitvoer groter is dan de waarde van de goedereninvoer is er sprake van een handelsoverschot, omgekeerd is er sprake van een handelstekort. (Soms definieert men de handelsbalans als een overzicht van de waarde van de export en import van goederen én diensten.)

Wederuitvoer omvat de goederen die ingevoerd zijn, tijdelijk eigendom worden van een Nederlands bedrijf en vervolgens na een kleine bewerking worden uitgevoerd. De toegevoegde waarde van de wederuitvoer is laag. Per euro is dat 8 cent terwijl de export van eigen producten maar liefst 54 cent per euro bijdraagt aan het bbp. In de loop van de tijd is de wederuitvoer in procenten van de totale export gestegen van 33% in 1995 naar 48% in 2011.
De wederuitvoer wordt als uitvoer geregistreerd omdat de eigendom tijdelijk in handen komt van een Nederlands bedrijf. Worden dit soort goederen geen Nederlandse eigendom, dan is er sprake van doorvoer. Doorvoer wordt niet geregistreerd op de handelsbalans.

Naast goederenverkeer onderscheiden we het dienstenverkeer. Het dienstenverkeer wordt ook wel onzichtbare handel genoemd.
Het belang van de buitenlandse handel komt tot uitdrukking in de exportquote en de importquote. Beiden zijn een indicator voor de openheid van een economie.
De exportquote = (exportwaarde/bbp) × 100%, de importquote = (importwaarde/bbp) × 100%.

2.2 Handelstheorie
De comparatieve kostentheorie
Volgens David Ricardo moet elk land zich toeleggen op het product met de laagste opofferingskosten. De theorie van Ricardo staat bekend als de theorie van de comparatieve kostenverschillen, ook wel relatieve kostenverschillen genoemd. Volgens deze theorie zal een land zich specialiseren in die goederen waarbij het een comparatief kostenvoordeel heeft.
Een voorbeeld, zie tabel 1.1.
Tabel 1.1

* Spanje Nederland
auto 60 50
scooter 20 10
binnenlandse ruilverhouding 1:3 1:5
* In de tabel staan het aantal uren arbeid nodig om een auto of een scooter te produceren.

Zoals te zien is, produceert Nederland zowel auto’s als scooters in minder uren arbeid dan Spanje. Nederland heeft bij beide producten een absoluut kostenvoordeel te danken aan de hogere arbeidsproductiviteit van de Nederlandse werknemer.
David Ricardo laat zien dat ook al heeft Nederland een absoluut voordeel in de productie van auto’s en scooters, specialisatie en internationale ruil voor beide landen voordelig is. Nederland en Spanje moeten zich dan toeleggen op de productie waarin het land een comparatief kostenvoordeel heeft.
In tabel 1.1 is te zien dat Spanje een comparatief voordeel heeft in de productie van auto’s. Het produceren van een auto in Spanje is drie keer duurder (in arbeidsuren gemeten) dan een scooter, terwijl dat in Nederland 5 keer duurder is. In Spanje is de prijs van 1 auto gelijk aan 3 scooters, in de Nederland is de prijs van 1 auto gelijk aan 5 scooters.
Voor Nederland is het dan voordelig de auto’s in Spanje te kopen voor de prijs van 3 scooters. Spanje ontvangt per auto drie scooters. Voor Spanje is het voordeliger om de auto’s in Nederland te verkopen in ruil voor scooters. Voor 1 auto krijgt Spanje 5 scooters.
Voor scooters geldt het omgekeerde. Spanje betaalt 1/3 eenheid auto voor 1 scooter. In Nederland kost 1 scooter maar 1/5 eenheid auto. Daarom is het aantrekkelijk voor Spanje om scooters uit Nederland te importeren. En Nederlanders zijn daartoe bereid omdat ze op de Nederlandse markt maar 1/5 eenheid auto ontvangen per scooter en op de Spaanse markt maar 1/3 eenheid auto.
Stel nu dat Spanje zich toelegt op de productie van auto’s en Nederland zich toelegt op de productie van scooters en dat de onderlinge ruilverhouding als volgt is: 4 scooters tegen 1 auto.
Spanje heeft voor het maken van 1 auto 60 uur arbeid nodig. Een auto kan met Nederland worden geruild voor 4 scooters. Om over 1 scooter te kunnen beschikken heeft Spanje dan maar 60/4 = 15 uur arbeid nodig in plaats van 20 uur (als ze de scooter zelf produceren) zoals in de uitgangssituatie. Spanje krijgt dus goedkoper scooters.
Maar ook voor Nederland is het voordelig. Met 10 uur arbeid maakt Nederland 1 scooter. Vier scooters leveren in ruil met Spanje 1 auto op. Dus met 40 uur arbeid kan Nederland over 1 auto beschikken in plaats van 50 uur arbeid zoals in de uitgangssituatie. Auto’s worden op die manier goedkoper in Nederland.
Tabel 2.1

* Spanje Nederland
auto 60 40
scooter 15 10
internationale ruilverhouding 1:4 1:4
* In de tabel staan het aantal uren arbeid nodig om een auto of scooter te produceren.

 

 

 

 

Met minder uur arbeid beschikken beide landen over dezelfde producten als in de oorspronkelijke situatie. Voorwaarde is wel dat er sprake is van comparatieve kostenverschillen en dat de internationale ruilverhouding moet liggen binnen de grenzen van de binnenlandse ruilverhouding. Tot slot een relativering van de comparatieve kostentheorie. Volgens deze theorie zal een land met een comparatief voordeel de gehele productie naar zich toetrekken. Bij die theorie gaat men uit van homogeniteit van de producten, maar in de praktijk zijn de producten veelal heterogeen. Productdifferentiatie maakt het mogelijk auto’s en scooters te produceren in zowel Nederland als Spanje.
De oorzaken van kostenverschillen
De internationale handel en de internationale arbeidsverdeling is voor een belangrijk deel gebaseerd op het bestaan van comparatieve kostenverschillen. Landen leggen zich toe op sectoren waarin zij een relatief hoge productiviteit hebben. Van grote invloed op het kostenniveau is de beschikbaarheid van productiefactoren zoals natuurlijke hulpbronnen, arbeid, kapitaal en ondernemerschap en dit zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht.

2.3  Protectie

Maatregelen ter bevordering van de export en belemmering van de import noemen we protectie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen tarifaire en non-tarifaire protectie.Tarifaire protectie:
invoerheffing: is een belasting op geïmporteerde producten die wordt doorberekend in de prijs. Hierdoor kan het geïmporteerde product moeilijker concurreren met producten van binnenlandse bodem. Invoerheffingen leiden tot een surplusverlies als gevolg van inefficiënties. De zogenaamde Harberger-driehoekjes verdwijnen door de invoerheffing. De afname van het totale surplus (in de figuur A en C) noemen we het verloren surplus of deadweight loss. De opbrengst van de invoerheffing voor de overheid (B) hoort ook bij het totale surplus (zie opdracht 2.15).
uitvoersubsidie: is een subsidie op de productie van goederen bestemd voor de uitvoer. Hierdoor nemen de kosten per product af en kan de producent beter concurreren op de wereldmarkt. Worden de producten hierdoor aangeboden tegen een prijs die onder de kostprijs ligt, dan is er sprake van dumping.
Non-tarifaire protectie:
invoercontingent (invoerquotum): de overheid stelt een maximum aan de toegestane invoer.
administratieve belemmeringen: de overheid stelt voorwaarden op het gebied van gezondheid, veiligheid, etc.. aan producten die op de markt worden gebracht. Als binnenlandse producten wel aan die kwaliteitseisen voldoen en buitenlandse producten niet, dan werkt dat beschermend voor de binnenlandse productie.

2.4 Handelspolitiek
Veel economen zijn voorstander van vrijhandel. Ze wijzen erop dat de internationale arbeidsverdeling zich het beste kan ontwikkelen bij volledige vrijhandel. Er is vrijhandel als de internationale handel niet wordt belemmerd. Door specialisatie wordt er dan geproduceerd in de landen die relatief het goedkoopst kunnen produceren. De allocatie (aanwending) van productiefactoren op wereldschaal is bij vrijhandel het meest efficiënt. Protectie vervalst de concurrentie en leidt tot verlies van efficiëntie.
Argumenten voor protectie

Protectie kan voorkomen dat vitale bedrijfstakken worden weggeconcurreerd of overgenomen door buitenlandse bedrijven.
Protectie beschermt nieuwe industrieën in de beginfase.

2.5 Het internationale verkeer van productiefactoren (kapitaal en arbeid)
Internationaal kapitaalverkeer

Bij internationaal kapitaalverkeer wordt onderscheid gemaakt tussen buitenlandse beleggingen en directe investeringen in het buitenland.
Buitenlandse beleggingen zijn bedoeld om inkomen te verdienen (rente, dividend) of het vermogen te vergroten via koerswinsten.

Directe buitenlandse investeringen bestaan uit:
transacties in aandelen met als doel de zeggenschap in een buitenlandse onderneming te verwerven.
investeringen in buitenlands onroerend goed als huizen, kantoren, fabrieken.
de onderlinge leningen binnen een concern (multinational).
Multinationals hebben verschillende motieven om te investering in het buitenland zoals:
de aanwezigheid van bodemschatten
de toevoer van tropische grondstoffen (koffie, cacao) veilig te stellen
goedkope arbeidskrachten
lagere transportkosten/dichter bij afzetgebied
omzeilen van invoerheffingen

Bij outsourcing worden taken uitbesteed aan een bedrijf in een ander land. De producten of onderdelen worden ingekocht bij een buitenlands bedrijf. Bij offshoring wordt (een deel van) het productieproces verplaatst naar een ander land. De multinational is eigenaar van de productievestiging.
Arbeid
West-Europa verandert van een emigratie- in een immigratiegebied. Immigratie leidt tot een hogere welvaart en een herverdeling van looninkomen naar kapitaalinkomen. De positie van de werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt verslechtert als gevolg van de toestroming van werknemers uit andere landen. Als ook hoger opgeleiden emigreren, ontstaat kennisvlucht of braindrain: landen verliezen hun hoogst opgeleide arbeidskrachten aan het buitenland, arbeidskrachten waarin die landen via onderwijs veel geld hebben geïnvesteerd.

Links
Internationale handel: scholtv 15 minuten.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

administratieve handelsbelemmeringen
De toegang van buitenlandse producten tot de binnenlandse markt moeilijk maken door kwaliteitseisen aan die producten te stellen en door administratieve rompslomp aan de grens.
allocatie
De manier waarop productiefactoren worden ingezet bij het fabriceren van goederen.
arbeidsverdeling (arbeidsdeling)
Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot.
comparatief kostenvoordeel
Een land kan een bepaald product relatief goedkoper produceren dan een handelspartner in vergelijking met andere producten, zelfs wanneer de handelspartner alles voordeliger kan produceren dan dat land.
dienstenverkeer
De handel in producten die niet tastbaar zijn.
exportquote
Waarde van de uitvoer van goederen en diensten in procenten van het bbp.
gesloten economie (autarkie)
Een economie zonder export en import.
handelsbalans
Het verschil tussen de waarde van de goederenuitvoer en de waarde van de goedereninvoer.
handelsoverschot
De waarde van de goederenuitvoer is groter dan de waarde van de goedereninvoer.
handelstekort
De waarde van de goederenuitvoer is kleiner dan de waarde van de goedereninvoer.
importquote
Waarde van de invoer van goederen en diensten in procenten van het bbp.
invoer (import)
Het kopen van goederen in het buitenland.
invoerheffing
Belasting op geïmporteerde goederen die wordt doorberekend in de prijs.
invoerquotum (invoercontingent)
Maximale hoeveelheid goederen die mag worden ingevoerd.
invoervolume
De hoeveelheid goederen (in aantal, kilo’s, liters, enz.) die worden ingevoerd.
menselijk kapitaal (human capital)
Het geheel aan kennis, ervaring en vaardigheden van de beroepsbevolking.
offshoring
(een deel van) Het productieproces wordt verplaatst naar een ander land.
open economie
Er is in verhouding tot het bbp veel buitenlandse handel.
outsourcing
Productietaken worden uitbesteed aan een bedrijf in een ander land.
protectie
Maatregelen ter bevordering van de export en belemmering van de import.
schaalvoordelen
Kostenvoordelen die ontstaan door productie op grote schaal.
uitvoer (export)
Het verkopen van goederen in het buitenland.
uitvoervolume
De hoeveelheid goederen (in aantal, kilo’s, liters, enz.) die worden uitgevoerd.
verloren surplus (deadweight loss)
De afname van het totale surplus als gevolg van inefficiënties.
vrijhandel
Internationale handel zonder belemmeringen.
wederuitvoer
Goederen die geïmporteerd worden in Nederland en vervolgens weer worden geëxporteerd naar een derde land.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.