LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Conjunctuurschommelingen

De op- en neergaande beweging van de economie binnen een periode van vijf tot tien jaar noemen we de conjunctuur. Deze op- en neergaande beweging wordt veroorzaakt door het stijgen of dalen van de effectieve vraag (de totale bestedingen). Gaan in een periode de bestedingen omhoog dan is er een opgaande conjunctuur of economisch herstel. Als de bestedingen dalen, daalt de productie en is er sprake van krimp. We hebben dan te maken met een neerwaartse conjunctuur of recessie.
Er kunnen drie conjuncturele situaties onderscheiden worden:
• Onderbesteding: de bestedingen (effectieve vraag) zijn lager dan de productiecapaciteit. Er wordt minder gevraagd dan er geproduceerd kan worden.
• Bestedingsevenwicht: de bestedingen zijn even hoog als de productiecapaciteit.
• Overbesteding: de bestedingen overtreffen de productiecapaciteit. De productie kan niet aan de vraag voldoen.
Onderbesteding leidt tot conjuncturele werkloosheid, overbesteding tot inflatie.

Leerdoelen hoofdstuk 1
Leerlingen kunnen
• uitleggen wanneer zich een situatie van onderbesteding, bestedingsevenwicht of overbesteding voordoet.
• aan de hand van een conjunctuurgolf uitleggen wanneer er sprake is van onderbesteding en wanneer van overbesteding.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 1

Begrippenlijst hoofdstuk 1
bestedingsevenwicht

De totale bestedingen zijn gelijk aan de productiecapaciteit.
conjuncturele werkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het tekort schieten van de bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit, waardoor de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid.
conjunctuur
(= conjunctuurcyclus) Schommelingen in het niveau van de bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit.
Conjunctuurgolf
Geeft de afwijking van de effectieve vraag ten opzichte van de productiecapaciteit weer.
economisch herstel (= opgaande conjunctuur)
Periode waarin de bestedingen omhoog gaan.
effectieve vraag (= totale bestedingen)
Totale vraag naar goederen en diensten door gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.
kapitaalgoederenvoorraad (= kapitaalgoederen] Goederen die nodig zijn om andere producten voort te brengen.
onderbesteding
De totale bestedingen zijn kleiner dan de productiecapaciteit.
overbesteding
De totale bestedingen zijn groter dan de productiecapaciteit.
productiecapaciteit
De hoeveelheid goederen die een land of een bedrijf maximaal kan produceren in een periode (meestal een jaar).
recessie
Afnemende economische groei beneden de trendmatige groei.
totale bestedingen (= effectieve vraag)
Totale vraag naar goederen en diensten door gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland.
trend (= trendmatige groei)
De gemiddelde groei van de productiecapaciteit over een langere periode.
trendmatige groei (= trend)
De gemiddelde groei van de productiecapaciteit over een langere periode.