LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Kredietcrisis

Inhoudsopgave hoofdstuk 1
1.1 Gevolgen van de kredietcrisis voor de bouwsector
1.2 Banken in nood
1.3 Crisis, hoe ga je ermee om?
1.4 Ook jij moet kiezen
1.5 Zelftest

Bankencrisis
Omdat Amerikaanse banken op grote schaal hypotheekleningen verstrekken aan mensen die hun betalingsverplichtingen voor aflossingen en rente niet kunnen voldoen, stort in 2008 de huizenmarkt in. Door de gedwongen verkoop van vele huizen dalen de prijzen sterk waardoor nog meer mensen in betalingsproblemen komen. Banken leiden zware verliezen en komen in grote problemen, niet alleen in de VS maar ook elders in de wereld. Dit omdat ook banken buiten de VS pakketten met hypotheekleningen hebben gekocht en hier nu flink op af moeten schrijven. Het resultaat is bekend. Een aantal banken gaat failliet en andere banken – de zogenaamde systeembanken – worden met miljarden aan steun door de overheid overeind gehouden.
Recessie
De aandelenkoersen van banken en verzekeringsmaatschappijen tuimelen naar beneden en nemen in hun kielzog ook andere beursgenoteerde ondernemingen mee. De AEX – de belangrijkste graadmeter voor de beurskoersen van de grootste Nederlandse ondernemingen – zakt van 500 punten in januari 2008 naar net boven de 200 punten in november 2009. Op die wijze verdampt meer dan € 300 miljard aan vermogen.
De crisis in de financiële sector en de enorme daling van de beurskoersen zijn op hun beurt aanleiding tot een sterke daling van het consumentenvertrouwen. De consument houdt de hand op de knip en doet geen grote uitgaven meer. Vooral bestedingen in non-food zoals elektronica, auto’s en wooninrichting nemen sterk af. Door de teruglopende bestedingen hier en in het buitenland neemt de totale productie af en de werkloosheid toe. De recessie slaat wereldwijd toe.
Behoeften en schaarse middelen
Consumeren is het kopen van producten (goederen en diensten) door de consument. Het kopen van kapitaalgoederen en diensten door een bedrijf om te produceren noemen we investeren.
De behoeften zijn oneindig groot, maar de middelen om die behoeften te bevredigen zijn beperkt. Er is sprake van schaarste in relatieve zin omdat voor het maken van producten schaarse middelen (productiefactoren) opgeofferd moeten worden. Goederen waar geen schaarse middelen voor worden opgeofferd, zoals lucht noemen we vrije goederen. Schaarste dwingt tot het maken van keuzes. Als je voor het ene kiest, kun je dus niet voor het andere kiezen. Je offert de andere mogelijkheid op. De opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen, alternatief.

Links:
Money as debt: video, Nederlands ondertiteld: 10 minuten.
Schaarste en kiezen (15 min) NTR
De schuldencrisis: informatie van de Rijksoverheid.
Van kredietcrisis tot schuldencrisis: over oorzaken, gevolgen en aanpak (lesbrief DNB)
De kredietcrisis gevisualiseerd: videofilmpje 11 minuten.
Opofferingskosten: uitleg via een videofilmpje 12 minuten.
Leerdoelen hoofdstuk 1
Leerlingen kunnen
• de relatie tussen consumentenvertrouwen, bestedingen en werkloosheid uitleggen.
• het verschil tussen schaarse en vrije goederen uitleggen.
• het verschil tussen consumeren en investeren uitleggen.
• voorbeelden geven van opofferingskosten.
• de spanning verklaren die bestaat tussen behoefte en beperkte middelen.

Kernbegrippen hoofdstuk 1

Bestedingen – consumentenvertrouwen – koopkracht – consumeren – investeren – behoeften – schaarste – vrije goederen – middelen – opofferingskosten – alternatief aanwendbaar.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 1 Crisis

alternatief aanwendbaar
De middelen (producten, geld of tijd) kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden.

behoeften
Alles wat mensen graag willen hebben.

bestedingen
Aankopen van goederen en diensten door consumenten (consumptie), door bedrijven (investeringen), door de overheid (overheidsbestedingen) en door het buitenland (export).

consumentenvertrouwen
Het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkeling van de economie.

consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in behoeften te voorzien.

investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven (particuliere investeringen) en overheid (overheidsinvesteringen).

koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.

middelen
Zaken die je nodig hebt om een doel te bereiken, zoals geld, producten en tijd.

opofferingskosten
De opbrengst van het op één na beste alternatief.

schaarste
De beschikbare middelen zijn onvoldoende om alle menselijke behoeften te bevredigen, waardoor er altijd een keuze moet worden gemaakt uit verschillende mogelijkheden. Een product is schaars als er een offer of inspanning moet worden geleverd om het product te maken.

vrije goederen
Goederen waar geen schaarse middelen voor worden opgeofferd.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.