LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Stabiliteits- en groeipact

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 Financiële crisis, overheidstekort en staatsschuld
3.2 Inhoud van het stabiliteits- en groeipact
3.3 Waarom het stabiliteits- en groeipact?
3.4 Conjunctuurbeleid
3.5 Automatische conjunctuurstabilisatoren
3.6 Houden landen zich aan het verdrag?
3.7 Transfer
3.8 Zelftest
Leerdoelen hoofdstuk 3

Overheidstekort
In het stabiliteitspact is afgesproken dat de overheden van de EMU-landen streven naar evenwicht op de begroting en dat eventuele overheidstekorten de 3% van het bruto binnenlands product niet mogen overschrijden. Het overheidstekort ontstaat als de uitgaven groter zijn dan de ontvangsten. Het overheidstekort is een voorbeeld van een stroomgrootheid. Het wordt gemeten over een bepaalde periode, hier een jaar. Het beperken van het overheidstekort is nodig omdat:
– hoge overheidstekorten inflatie kunnen veroorzaken (bestedingsinflatie).
– hoge overheidstekorten de rente opdrijven waardoor met name de investeringen (met geleend geld) afnemen.
– overheidstekorten de overheidstaken in gevaar kunnen brengen. Dit omdat een steeds groter deel van de uitgaven aan rente besteed moet worden waardoor andere uitgaven zoals onderwijs, gezondheidszorg, etc. in gevaar komen.
Staatsschuld
Als de overheid een tekort heeft moet zij geld lenen. Door geld te lenen stijgt de staatsschuld of overheidsschuld. In het stabiliteitspact is afgesproken dat de staatsschuld niet meer mag zijn dan 60% van bbp. De staatsschuld is een voorbeeld van een voorraadgrootheid: het wordt gemeten op een bepaald tijdstip.

staatsschuld
Staatsschuldquote = —————————— x 100%
bruto binnenlands product

Overheidstekort en conjunctuurbeleid
De overheid zal haar conjunctuurbeleid vooral richten op het afzwakken van de conjunctuur. Bij laagconjunctuur zal de overheid de economie stimuleren door haar eigen uitgaven te verhogen of belastingen te verlagen. Bij hoogconjunctuur zal de overheid haar pijlen richten op het afzwakken van de bestedingen. Dit kan zij doen door belastingen te verhogen of zelf minder uitgaven te verrichten. De genoemde maatregelen worden samengevat onder het kopje anticyclisch conjunctuurbeleid. De afspraken in verband met het stabiliteits- en groeipact maken het voor de afzonderlijke overheden moeilijker om anticyclisch conjunctuurbeleid te voeren. Overheden mogen wel stimuleren maar de overheidstekorten mogen de 3%-norm niet overschrijden.
Stabiliteits- en groeipact
Om te voorkomen dat andere landen van het eurogebied nadeel ondervinden van het beleid van één van de lidstaten is er een verdrag getekend. Als alle landen zich aan dat verdrag houden kan het niet voorkomen dat één land de rentestand en de inflatie in de hele eurozone beïnvloedt. Zelfbinding, het zich houden aan de afgesproken regels, is noodzakelijk. Bij het sluiten van het stabiliteitspact in 1997 zijn alle landen ervoor boetes op te leggen als de regels worden overtreden. Boetes zijn nooit opgelegd en grote spelers als Frankrijk en Duitsland hebben met succes versoepeling van de regels afgedwongen.
Overheidstekorten: ruilen over de tijd
Geld lenen voor overheidstekorten is een vorm van ruilen over de tijd. Door te lenen kan het geld nu uitgegeven worden terwijl de terugbetaling later in de tijd plaats vindt. Zodoende betaalt niet de huidige generatie maar de komende generatie via belastingen de extra uitgaven van de overheid. Je zou ook kunnen zeggen dat de belastingheffing naar de toekomst wordt verschoven. Dat hoeft geen probleem te zijn voor zover:
– het geleende geld wordt gebruikt voor investeringen in de infrastructuur. Het is de komende generatie die hiervan profiteert.
– het geleende geld niet uit het buitenland komt, maar door de eigen inwoners opgebracht wordt. Rente en aflossing komt in de toekomst dan ook weer ten goede van de eigen inwoners.

Links
Begrotingsspel van het ministerie van financiën.
De rijksbegroting en de miljoenennota: video van Open Universiteit (15 minuten)
Overheidsfinanciën: video NTR 15 minuten.
Nederlander kent oorzaken staatsschuld onvoldoende (artikel DNB).
Staatsschuldquote: video 6 min.
Begrotingssaldo en staatsschuld: video 8 min.
Begrotingsnormen: website.

Leerdoelen hoofdstuk 3
Leerlingen kunnen
• de belangrijkste afspraken in het stabiliteitspact noemen.
• met behulp van de overheidsuitgaven en de overheidsontvangsten het overheidstekort en de toename van de staatsschuld berekenen.
• met voorbeelden toelichten dat de inkomsten en uitgaven van de overheid behoren tot de stroomgrootheden en dat een overheidsschuld een voorraadgrootheid is.
• de nadelen verklaren van hoge overheidstekorten.
• de staatsschuldquote berekenen.
• uitleggen dat het beperken van de overheidstekorten in een situatie van hoogconjunctuur bijdraagt aan inflatiebeperking.
• de gevolgen van een anticyclisch conjunctuurbeleid voor het overheidstekort in een situatie van hoogconjunctuur en in een situatie van laagconjunctuur kunnen uitleggen.
• de schuld van de overheid (staatsschuld) vergelijken met een private schuld.
• verklaren dat een overheidstekort gezien kan worden als een vorm van uitgestelde belastingheffing.
• de invloed van zelfbinding verhelderen bij de totstandkoming van samenwerking.

Kernbegrippen hoofdstuk 3
Stabiliteitspact (stabiliteits- en groeipact) – overheidstekort – staatsschuld – overheidsschuld – aflossingen op de staatsschuld – staatsschuldquote – conjunctuurcyclus – conjunctuur – procyclisch conjunctuurbeleid – – convergentie – divergentie – uitgestelde belastingen.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3

aflossingen op de staatsschuld
Afbetalingen op de schuld van de staat. Door aflossingen wordt de staatsschuld kleiner.
anticyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat de conjunctuurcyclus dempt, zoals lagere overheidsbestedingen of belastingverhoging tijdens hoogconjunctuur.
automatische conjunctuurstabilisatoren
Mechanismen in het overheidsbeleid die vanzelf zorgen voor een vlakker verloop van de conjunctuur zoals sociale uitkeringen en progressieve belastingen.
begrotingstekort (= overheidstekort)
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar, waarbij de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten.
conjunctuur (= conjunctuurcyclus)
De groei van het nationaal inkomen (bbp) ten opzichte van de gemiddelde groei (trendmatige groei). Als het nationaal inkomen langzamer groeit dan de trendmatige groei of krimpt spreken we van laagconjunctuur. Bij een groei boven de trendmatige groei spreken we van hoogconjunctuur.
conjunctuurcyclus (= conjunctuur)
De groei van het nationaal inkomen (bbp) ten opzichte van de gemiddelde groei (trendmatige groei). Als het nationaal inkomen langzamer groeit dan de trendmatige groei of krimpt spreken we van laagconjunctuur. Bij een groei boven de trendmatige groei spreken we van hoogconjunctuur.
convergentie
Het verschijnsel dat landen economisch naar elkaar toe groeien.
divergentie
Het verschijnsel dat landen economisch uit elkaar groeien. De verschillen tussen de landen op het gebied van inflatie, loonkosten, overheidstekort en overheidsschuld worden groter.
financiële markt (= vermogensmarkt)
Het geheel van vraag naar en aanbod van vermogen zowel op korte termijn als op lange termijn.
overheidsschuld  (= staatsschuld)
De schuld van de overheid.
overheidstekort  (= begrotingstekort)
Het verschil tussen de uitgaven en de inkomsten van de overheid in een jaar, waarbij de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten.
procyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat de conjunctuurcyclus versterkt, zoals lagere overheidsbestedingen of belastingverhoging tijdens laagconjunctuur.
schuldenval
Een vicieuze cirkel van oplopende schulden en hogere rente.
staatsschuld
(= overheidsschuld) De schuld van de overheid.
staatsschuldquote
De staatsschuld uitgedrukt als percentage van het bbp.
stabiliteitspact
Verdrag dat is gesloten bij de oprichting van de EMU om economische convergentie in het euro¬gebied te bereiken.
uitgestelde belastingen
Hiervan is sprake bij het ontstaan van overheidstekorten: huidige overheidsuitgaven worden dan niet betaald door de belastingbetalers van nu maar uit toekomstige belastinginkomsten.
vermogensmarkt (= financiële markt)
Het geheel van vraag en aanbod van vermogen zowel op korte termijn als op lange termijn.
zelfbinding
Vooraf uitspreken wat je in een bepaalde situatie zult gaan doen en je daaraan houden. Bij marktpartijen: openlijk deelname uitspreken met als doel andere tot samenwerking te bewegen.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.