LWEO

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6

Geld en inflatie

Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil in het land. De prijsstijging wordt gemeten door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS meet elke maand de consumentenprijsindex (CPI). Dit cijfer is een gewogen prijsindexcijfer van een pakket goederen en diensten zoals dat wordt aangeschaft door een gemiddeld huishouden. De wegingsfactoren vindt het CBS door het doen van een budgetonderzoek. Dat is een enquête waarmee wordt onderzocht hoe het gemiddeld huishouden haar budget besteedt.
Het gevolg van inflatie is dat het geld reëel minder waard wordt. Met hetzelfde geld kun je minder kopen dan voorheen: je koopkracht is gedaald.
Inflatie is vooral nadelig voor geldvermogens. De bezitter ervan krijgt wel een vergoeding in de vorm van rent, maar ook deze vergoeding wordt aangetast door inflatie. Inflatie tast zijn reëel vermogen maar zijn reëel inkomen aan.
Inflatie en pensioenen
Indexatie van de pensioenen betekent dat de pensioenuitkeringen stijgen gelijk aan de inflatie. In dat geval spreken we van waardevaste pensioenen. Als de pensioenen stijgen gelijk aan de gemiddelde loonstijging spreken we van welvaartsvaste pensioenen.
Deflatie en hyperinflatie
Het omgekeerde van inflatie is deflatie. Door deflatie daalt het prijsniveau en stijgt de koopkracht. Het gevaar van deflatie is dat consumenten en producenten hun bestedingen uitstellen en wachten op verdere prijsdalingen. Hierdoor daalt de productie en werkgelegenheid. Bij extreem hoge prijsstijgingen spreken we van hyperinflatie. Een lichte stijging van het prijsniveau noemt men wel een kruipende inflatie.
Oorzaken inflatie
– Als bestedingen stijgen tot boven de grens van de productiecapaciteit ontstaat er bestedingsinflatie: de prijzen gaan dan omhoog. In die situatie spreken we van overbesteding.
– Wanneer ondernemers hogere productiekosten doorberekenen in hun prijzen spreken we van kosteninflatie (loonkosteninflatie en/of geïmporteerde inflatie)
– Soms veroorzaakt de overheid inflatie door het verhogen van haar tarieven (leges, btw, accijnzen).

Links
Inflatie: video CBS: 3 minuten.
Prijsstabiliteit, inflatie en deflatie (8-minutenfilmpje van de ECB).
Bereken uw persoonlijke inflatie via het CBS.
Brochure over prijsstabiliteit, inflatie en deflatie (ECB).
Gevoelsinflatie site ECB.
Leerdoelen hoofdstuk 6
Leerlingen kunnen:
• de oorzaken van bestedingsinflatie en kosteninflatie noemen en toelichten.
• voorbeelden geven van kosteninflatie.
• verklaren hoe inflatie/deflatie veroorzaakt kan worden door het buitenland.
• toelichten wat de gevolgen van inflatie zijn voor het reële inkomen en het reële vermogen.
• de begrippen nominaal en reëel toepassen op vermogen, inkomen en rente.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 6

bestedingsinflatie
Prijsstijging die ontstaat als de bestedingen groter worden dan de productiecapaciteit.
budgetonderzoek
Onderzoek naar de bestedingsgewoonten van een modaal gezin.
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Instituut dat gegevens verzamelt over de Nederlandse economie.
consumentenprijsindexcijfer (CPI)
Maatstaf voor inflatie. De CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar. In formule:

som van (de wegingsfactoren × prijsindexcijfers van de artikelgroepen)
——————————————————————————————
som van de wegingsfactoren

deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.
geïmporteerde kosteninflatie
Prijsstijging als gevolg van doorberekening van gestegen kosten van ingevoerde grondstoffen.
geïndexeerd
Meestijgen met de inflatie, bijvoorbeeld pensioenen of lonen stijgen mee met de inflatie en zijn daarmee waardevast.
hyperinflatie
Extreem hoge prijsstijgingen.
inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.
koopkracht van het geld
De hoeveelheid goederen en diensten die je met geld kunt kopen.
kosteninflatie
Inflatie door het doorberekenen van hogere productiekosten in de prijzen.
kruipende inflatie
Een lichte stijging van het prijsniveau (van enkele procenten per jaar).
loonkosteninflatie
Inflatie door het doorberekenen van hoger loonkosten in de prijzen.
nominale loon
Het bedrag dat je in euro’s verdient.
overbesteding
De vraag naar producten is groter dan de hoeveelheid die geproduceerd kan worden.
reëel inkomen (= koopkracht)
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.
waardevast
Uitkeringen zijn waardevast als ze met hetzelfde percentage stijgen als het inflatiepercentage en daarmee dezelfde koopkracht houden.
welvaartsvast
Uitkeringen zijn welvaartsvast als ze met hetzelfde percentage stijgen als de gemiddelde stijging van de cao-lonen.