LWEO

hoofdstuk 1

hoofdstuk 1

Kiezen

Door de kredietcrisis van 2008 gingen gezinnen minder consumeren en bedrijven minder investeren. Door deze lagere bestedingen werd er minder geproduceerd, daalde de werkgelegenheid en nam het consumentenvertrouwen af. Consumenten werden voorzichtiger in hun uitgaven, omdat ze bang waren om werkloos te worden.

Om werkloosheid te bestrijden moeten de bestedingen gestimuleerd worden. Dat kan de Europese Centrale Bank doen door de rente te verlagen. Bij een lagere rente gaan mensen minder sparen en meer lenen. De geldhoeveelheid neemt dan toe en de bestedingen kunnen daardoor ook toenemen. Hierdoor neemt de productie toe en neemt de werkloosheid af. Een nadeel is dat de groei van de geldhoeveelheid kan leiden tot inflatie. Inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. Door een hoge inflatie daalt de koopkracht van je inkomen. De koopkracht van je inkomen bepaalt hoeveel goederen en diensten je kunt kopen en hangt af van je inkomen en van de prijzen. Je koopkracht stijgt als je inkomen meer stijgt dan de prijzen.

Goederen zijn stoffelijk, zoals een mobieltje, schoenen en een jas. Diensten zijn onstoffelijk, zoals naar de bioscoop gaan of een bezoek aan de kapper. Goederen en diensten samen noemen we producten. Consumeren is het kopen van producten voor de behoeftebevrediging. Mensen hebben vaak te weinig middelen om altijd al hun behoeften te vervullen. Deze (relatieve) schaarste dwingt tot het maken van keuzes. Als je het ene kiest, kun je dus niet het andere kiezen, je offert de andere mogelijkheid op. De opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen, alternatief.

Een budgetlijn geeft de verschillende keuzemogelijkheden aan bij een gegeven budget. Het budget wordt meestal uitgedrukt in geld, maar soms ook in tijd.

links
Schaarste en kiezen (video 15 min.)
Kredietcrisis  (video 11 min.)
Opofferingskosten (video 12 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 1 Crisis

alternatief aanwendbaar
De middelen (producten, geld of tijd) kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden.

behoeften
Alles wat mensen graag willen hebben.

bestedingen
Aankopen van goederen en diensten door consumenten (consumptie), door bedrijven (investeringen), door de overheid (overheidsbestedingen) en door het buitenland (export).

budgetlijn
Een budgetlijn geeft verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden aan bij een bepaald budget.

consumentenvertrouwen
Het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkeling van de economie.

consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in behoeften te voorzien.

deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.

inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.

investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven (particuliere investeringen) en overheid (overheidsinvesteringen).

koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.

middelen
Zaken die je nodig hebt om een doel te bereiken, zoals geld, producten en tijd.

opofferingskosten
De opbrengst van het op één na beste alternatief.

schaarste
De beschikbare middelen zijn onvoldoende om alle menselijke behoeften te bevredigen, waardoor er altijd een keuze moet worden gemaakt uit verschillende mogelijkheden. Een product is schaars als er een offer of inspanning moet worden geleverd om het product te maken.

vrije goederen
Goederen waar geen schaarse middelen voor worden opgeofferd.

extra oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.