LWEO

Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1

Kiezen

Inhoudsopgave hoofdstuk 1
1.1 Kiezen
1.2 Economie gaat over kiezen
1.3 Budgetlijn
1.4 Transfer
1.5 Zelftest

Economie gaat over kiezen.
Een boer moet kiezen of hij zijn grond zal gebruiken voor aardappelen of voor graan.
De overheid kan de economie stimuleren door de belastingen te verlagen of toch bezuinigen om de schuldenlast te verlagen.
Gezinnen moeten keuzes maken in hun bestedingen. De middelen (geld) waarover zij beschikken zijn beperkt en de behoeften zijn soms heel groot.
Behoeften en schaarse middelen
Consumeren is het kopen van producten (goederen en diensten) door de consument. Het kopen van goederen en diensten door een bedrijf om te produceren noemen we investeren.
De behoeften zijn oneindig groot, maar de middelen om die behoeften te bevredigen zijn beperkt. Er is sprake van schaarste in relatieve zin omdat voor het maken van producten schaarse middelen (productiefactoren) opgeofferd moeten worden. Goederen waar geen schaarse middelen voor worden opgeofferd, zoals lucht noemen we vrije goederen. Schaarste dwingt tot het maken van keuzes. Als je voor het ene kiest, kun je dus niet voor het andere kiezen. Je offert de andere mogelijkheid op. De opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen, alternatief.
Een voorbeeld.
Ilse kan kiezen tussen een avondje bioscoop en het wassen van de auto van haar moeder. Een bioscoopkaartje kost Ilse € 9 en het wassen van de auto van haar moeder levert haar € 10 op. Beide activiteiten vindt Ilse heel leuk. Als zij kiest voor de bioscoop zijn de opofferingskosten € 10 en de totale kosten € 9 + € 10 = € 19.
Maar stel nu dat Ilse het wassen van de auto niet zo leuk vindt en niet bereid is dit te doen voor minder dan € 8. De opofferingskosten voor het bioscoopbezoek zijn dan € 10 – € 8 = € 2 en de totale kosten bedragen in dat geval € 9 + € 2 = € 11. De opofferingskosten zijn in dit laatste geval gelijk aan het (werknemers-)surplus of de netto opbrengst van het auto wassen.
Budgetlijn
Een budgetlijn geeft de verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden bij een bepaald budget. In onderstaande grafiek wordt dit toegepast op inkomen en vrije tijd. Om drie uur minder per dag te werken moet je € 60 opofferen. De opofferingskosten van 1 uur meer vrije tijd zijn dus € 20. Er ontstaat hierbij een keuzeprobleem. Meer vrije tijd betekent minder werken en minder werken betekent minder inkomen. Niet alleen inkomen draagt bij aan de welvaart, ook vrije tijd draagt daaraan bij.

Budgetlijn van Crisis2

Links:
Schaarste en kiezen (15 min) NTR
De kredietcrisis gevisualiseerd: videofilmpje 11 minuten.
Opofferingskosten: uitleg via een videofilmpje 12 minuten.
Leerdoelen hoofdstuk 1
Leerlingen kunnen
• de relatie tussen consumentenvertrouwen, bestedingen en werkloosheid uitleggen.
• uitleggen waarom deflatie niet goed is voor de economie.
• het verschil tussen schaarse en vrije goederen uitleggen.
• het verschil tussen consumeren en investeren uitleggen.
• de spanning verklaren die bestaat tussen behoefte en beperkte middelen.
• met behulp van opofferingskosten uitleggen dat economie over kiezen gaat.
• een budgetlijn over de keuze tussen inkomen en vrije tijd interpreteren.
• een vergelijking van vrije tijd en inkomen met een budgetlijn tekenen in een grafiek.
• de opofferingskosten van vrije tijd berekenen.

Kernbegrippen hoofdstuk 1

Bestedingen – consumentenvertrouwen – inflatie – koopkracht – deflatie – consumeren – investeren – behoeften – schaarste – vrije goederen – middelen – opofferingskosten – alternatief aanwendbaar- budgetlijn.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 1 Crisis

alternatief aanwendbaar
De middelen (producten, geld of tijd) kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden.

behoeften
Alles wat mensen graag willen hebben.

bestedingen
Aankopen van goederen en diensten door consumenten (consumptie), door bedrijven (investeringen), door de overheid (overheidsbestedingen) en door het buitenland (export).

budgetlijn
Een budgetlijn geeft verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden aan bij een bepaald budget.

consumentenvertrouwen
Het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkeling van de economie.

consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in behoeften te voorzien.

deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.

inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.

investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven (particuliere investeringen) en overheid (overheidsinvesteringen).

koopkracht
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.

middelen
Zaken die je nodig hebt om een doel te bereiken, zoals geld, producten en tijd.

opofferingskosten
De opbrengst van het op één na beste alternatief.

schaarste
De beschikbare middelen zijn onvoldoende om alle menselijke behoeften te bevredigen, waardoor er altijd een keuze moet worden gemaakt uit verschillende mogelijkheden. Een product is schaars als er een offer of inspanning moet worden geleverd om het product te maken.

vrije goederen
Goederen waar geen schaarse middelen voor worden opgeofferd.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.