LWEO

Jong en Oud (2)

Inleiding
Hoofdstuk 1 tot en met 5

Inleiding

De lesbrief Jong en Oud kan het beste na de lesbrief Crisis behandeld worden. Het is een centraal examen lesbrief.
Per hoofdstuk krijg je een overzicht van de inhoud, de leerdoelen, de kernbegrippen en enkele oefenopdrachten.

Natuurlijk is dit alles slechts een summiere opsomming en kan dat niet de lesbrief vervangen.

Hoofdstuk 6

Verzekeren

Inhoudsopgave hoofdstuk 6
6.1 Vaste lasten
6.2 Risico
6.3 Particuliere en sociale verzekeringen
6.4 Volksverzekeringen en werknemersverzekeringen
6.4.1 Volksverzekeringen
6.4.2 Werknemersverzekeringen
6.4.3 Wie draait er op voor de kosten?
6.5 Risico en acceptatie bij de ziektekostenverzekering
6.6 Verzekeren voor nu of voor later?
6.7 Transfer
6.8 Zelftest

Risico
Het leven van alledag zit vol risico’s. Je kunt een been breken, je fiets kan gestolen worden, je kunt ziek worden, etc. Mensen willen risico’s zoveel mogelijk vermijden en zeker de kosten die die risico’s met zich meebrengen. Verzekeringen spelen daarop in en bieden verzekeringspakketten aan die mogelijke schade vergoeden. Hiervoor moet de verzekerde een premie betalen. De hoogte van de verzekeringspremie is afhankelijk van de kans dat het risico optreedt en de hoogte van de vergoeding die dan moet worden uitgekeerd.
Particulier en sociale verzekeringen
Je kunt je bij een particuliere verzekeringsmaatschappij verzekeren voor diefstal, brand, schade aan auto of inboedel, etc. In het algemeen bemoeit de overheid zich niet met de particuliere verzekeraars. Anders is het gesteld met de sociale verzekeringen die bij wet zijn vastgelegd. Sociale verzekeringen verzekeren mensen tegen inkomensverlies (werkloosheid, ouderdom) of tegen hoge kosten (ziekte, kinderen). De overheid bepaalt de verzekeringsvoorwaarden en stelt de premie vast.
Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit: de rijke komt op voor de arme, de gezonde voor de zieke, de werkende voor de werkloze. De premie die betaald moet worden is inkomensafhankelijk (draagkrachtbeginsel). Niemand kan uitgesloten worden van een sociale verzekering, iedereen wordt geaccepteerd.
Volksverzekeringen
Volksverzekeringen zijn verplicht voor alle mensen die in Nederland wonen. De uitkering is meestal een vast bedrag. Er zijn vier volksverzekeringen:
AOW: Algemene Ouderdomswet. Krijgt iedereen vanaf zijn 65e verjaardag. De uitkering is gelijk aan het sociaal minimum. Voor een volledige uitkering moet je 50 jaar in Nederland gewoond hebben.
Wlz: Wet langdurige zorg. Vergoedt de kosten van langdurige verpleging of psychiatrie.
Anw: Algemene Nabestaandenwet. Geeft kinderen (tot 18 jaar) en partner een minimumuitkering. De uitkering is inkomensafhankelijk.
AKW: Algemene Kinderbijslagwet. Komt tegemoet in de kosten die kinderen (tot 18 jaar) met zich meebrengen. De uitkering wordt betaald door de overheid uit de belastinginkomsten.
Zorgverzekeringswet
Is een particuliere verzekering, maar heeft veel kenmerken van een sociale verzekering. Iedereen is verplicht om de basisverzekering af te sluiten waarvan de premie deels inkomensafhankelijk is. De basisverzekering vergoedt de kosten voor huisarts, medicijnen en specialistische hulp. Verzekeringsmaatschappijen hebben een acceptatieplicht. Zij mogen niemand uitsluiten (geen risicoselectie). Mensen met een laag inkomen krijgen van de overheid een zorgtoeslag als bijdrage in de premie. De zorgtoeslag is maximaal € 57 per maand en wordt betaald uit de belastingen. Naast de basisverzekering kunnen mensen een aanvullende verzekering afsluiten (tandarts). De aanvullende verzekeringen zijn particuliere verzekeringen en vrijwillig.
Werknemersverzekeringen
WW: Werkloosheidswet. Geeft een uitkering bij werkloosheid. De uitkering is 70% van het laatstverdiende loon. De duur is afhankelijk van het arbeidsverleden.
ZW:Ziektewet. Bij ziekte moet de werkgever tot maximaal twee jaar het loon doorbetalen.
WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen. Bij volledige arbeidsongeschiktheid krijg je op grond van de WIA een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als een werknemer gedeeltelijk is afgekeurd, moet de werkgever zorgen voor aangepast werk.?
Asymmetrische informatie, averechtse selectie en moreelwangedrag
Bij het afsluiten van een verzekering weet de verzekerde meer over de kans op risico dat hij loopt dan de verzekeringsmaatschappij: er is sprake van ongelijke of asymmetrische informatie.
Averechts selectie wil zeggen dat alleen de slechte risico’s zich verzekeren. In dat geval zal de premie zo sterk stijgen dat verzekeren niet meer zinvol is. De markt faalt in dat geval.
Van moreel wangedrag is sprake als iemand meer risico’s neemt omdat hij verzekerd is. Door invoering van een eigen risico proberen verzekeringen dit tegen te gaan.
Omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel
De meeste particuliere en sociale verzekeringen werken volgens het omslagstelsel: de premies die ze nu ontvangen worden gebruikt om nu uitkeringen te doen.
Pensioenen, levensverzekeringen en uitvaartverzekeringen werken volgens het kapitaaldekkingsstelsel. Gedurende een groot deel van het leven betalen mensen premies die door de verzekeraar belegd worden om later de uitkering te kunnen betalen. Er is hierbij weer sprake van ruilen over de tijd (men spaart voor later).
Links
Verzekeren: filmpje (15 minuten) van Teleac.
Averechtse selectie: Video (12 min) YouTube.
Moreel wangedrag: Video (8 min) YouTube.
De Sociale Verzekeringsbank (AOW, ANW, Kinderbijslag, etc..): website.
Meer informatie over de sociale zekerheid (ziektewet, Wajong, AWBZ): website.
Leerdoelen hoofdstuk 6
Leerlingen kunnen
• twee verschillen tussen particuliere verzekeringen en sociale verzekeringen beschrijven.
• twee verschillen tussen werknemersverzekeringen en volksverzekeringen beschrijven.
• het verband tussen risico en premiehoogte verklaren.
• het verband tussen solidariteit en premieheffing beschrijven.
• uitleggen waarom er bij acceptatieplicht geen averechtse selectie is.
• het verschil tussen omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel uitleggen.
• het gevolg van een eigen risico verklaren.

 

Hoofdstuk 7

Het huishouden

Inhoudsopgave hoofdstuk 7
7.1 Een eigen huishouden
7.2 Koophuis of huurhuis
7.3 Taakverdeling
7.4 De koopkracht van het huishoudinkomen
7.4.1 Consumentenprijsindex
7.4.2 Stijgt of daalt de koopkracht
7.5 Transfer
7.6 Zelftest

Koopkracht
Wat je kunt kopen van het geld van je bijverdiensten is afhankelijk van de prijzen van de producten die je hiermee wilt kopen. Als jou inkomen stijgt kun je meer kopen. Als de prijzen stijgen kun je minder kopen. Met andere woorden de koopkracht van je inkomen (= reëel inkomen) is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en de inflatie (prijsstijging). Om te weten of de koopkracht in een bepaald jaar gestegen is moet je werken met indexcijfers.
indexcijfer van het (nominaal) inkomen
Indexcijfer reële inkomen = ————————————————– × 100
prijsindexcijfer

Consumentenprijsindex
Bij het berekenen van de koopkracht moet er rekening gehouden worden met de prijsontwikkeling van de diverse producten en het belang of het gewicht van die producten in de totale uitgaven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt zich hiermee bezig. Aan de hand van een budgetonderzoek bepaalt het CBS de wegingsfactoren van elke artikelgroep en elk artikel binnen die artikelgroep. De wegingsfactoren geven aan welk deel van de totale uitgaven aan een bepaalde artikelgroep wordt uitgegeven. Jaarlijks verandert het bestedingspatroon en worden de gewichten door het CBS bijgesteld. Door vervolgens na te gaan hoe de prijzen van de diverse producten zich ontwikkelen kan vervolgens een samengesteld gewogen prijsindexcijfer, de consumentenprijsindex berekend worden. Elk prijsindexcijfer wordt vermenigvuldigd met zijn wegingsfactoren en bij elkaar opgeteld en tenslotte gedeeld door de som van de gewichten.
In formulevorm:
? (Pi × Gi)
CPI = ————-
? Gi

Oi = prijsindexcijfer van elk product
Gi = wegingsfactor van elk product
? = somteken

Nominale en reële rente

Inflatie leidt tot een daling van het reële inkomen. De koopkracht van het geld daalt: er is sprake van geldontwaarding. Door inflatie neemt de koopkracht van het spaargeld af en is de reële rentevergoeding lager dan de nominale rentevergoeding. De nominale rente (vergoeding) is de rentepercentage dat de bank vergoedt. De reële rente is de nominale rente gecorrigeerd voor inflatie. De reële rente kan berekend worden met indexcijfers:
indexcijfer nominale rente
Indexcijfer reële rente = ——————————— × 100
prijsindexcijfer

Links
De consumentenprijsindex: video 9 min (YouTube).
Indexcijfers: video 24 min.

Leerdoelen hoofdstuk 7
Leerlingen kunnen:
• woonlasten afwegen bij koop of huur.
• stroomgrootheden en voorraadgrootheden onderscheiden.
• de consumentenprijsindex berekenen.
• het verschil tussen reële en nominale grootheden uitleggen.
• met indexcijfers een reële verandering berekenen bij gegeven nominale verandering en inflatiepercentage

Hoofdstuk 8

Senioren

Inhoudsopgave hoofdstuk 8
8.1 Stoppen met werken
8.2 Waarvan leven 65-plussers?
8.2.1 AOW
8.2.2 Bedrijfspensioen
8.2.3 Sparen voor de oude dag
8.3 Zelftest

Levensloopregeling
De levensloopregeling kun je zien als een soort spaarpot. Tijdens je werkzame leven stort je maandelijks een bepaald bedrag in die spaarpot. In overleg met de werkgever kun je deze spaarpot aanspreken om tijdelijk verlof op te nemen of vervroegd met pensioen te gaan.
AOW
De AOW is een uitkering voor alle mensen woonachtig in Nederland vanaf hun 65e levensjaar. Iedereen die vanaf zijn 15e tot zijn 65e in woonachtig was in Nederland krijgt een volledige AOW-uitkering. Voor ieder jaar dat je in die periode niet in Nederland woonachtig was wordt de uitkering met 2% verminderd. De AOW bedraagt 50% van het bruto minimum loon. Een alleenstaande krijgt 70% van het bruto minimum loon. De AOW wordt gefinancierd volgens het omslagstelsel. Dat betekent dat het aantal AOW’ers × uitkering = inkomensverdieners × premie.
Bedrijfspensioen
Een bedrijfspensioen geeft een aanvulling op de AOW-uitkering. Iemand die 40 jaar pensioenpremie heeft betaald, krijgt een zodanige aanvulling op de AOW, dat het totale inkomen 70% van het laatstverdiende loon of 80% van het gemiddeld verdiende loon bedraagt. De pensioenfondsen (ABP, Zwitserleven Gevoel) beheren de betaalde premies en betalen de uitkeringen. De premiegelden (= maandelijkse afdracht van de werknemers) worden belegd in aandelen, obligaties en onroerend goed (kapitaaldekkingsstelsel). Daarbij moeten ze letten op de risico’s. Het beleggen in aandelen heeft meer risico’s dan het beleggen in obligaties. Ook dit is weer een voorbeeld van ruilen over de tijd!
Aandelen
Aandelen zijn eigendomsbewijzen in een onderneming. De aandelen worden verhandeld op de effectenbeurs. Een aandeel kan stijgen of dalen in waarde afhankelijk van de winstverwachtingen van de onderneming en de ontwikkeling van de rente. Winstuitkeringen en koersveranderingen bepalen het rendement van een aandeel. Het rendement op een aandeel kan berekend worden door de opbrengst in een bepaalde periode uit te drukken in een percentage van het ingelegde bedrag (koopsom van het aandeel). Het risico bij aandelen bestaat hierin dat het rendement (de opbrengst) onzeker is en dat bij faillissement de hele waarde van het aandeel of een groot deel daarvan teniet gaat.
Obligaties
Obligaties zijn schuldbekentenissen van bedrijven en/of overheid met een vaste rente en een vaste looptijd. De belegger krijgt elk jaar een vaste rente en op het einde van de looptijd krijgt zij het ingelegde geld terug. Een obligatie biedt meer zekerheid dan een aandeel maar het rendement op een obligatie is veelal lager. Ook de koers van een obligatie kan fluctueren. Als de rente daalt hebben bestaande obligaties daar geen last van (is immers een vast rentepercentage) maar nieuwe obligaties wel. Dat betekent dat bestaande obligaties aantrekkelijker worden en de beurskoers van die obligaties zal stijgen.
Waardevast en welvaartsvast
Als de pensioenen elk jaar evenveel stijgen als de inflatiepercentage dan is de uitkering waardevast. Als de pensioenen elk jaar stijgen met de gemiddelde stijging van de cao-lonen spreken we van een welvaartsvast pensioen.

Links
Markt voor Vrede (aandelenspel)
Levensloopregeling afgeschaft

Informatie over de AOW (Sociale Verzekeringsbank)
Bijl in de pensioenen (videofilmpje, 12 min met Sweder van Wijnbergen)
Verschil tussen aandelen en obligaties
Leerdoelen hoofdstuk 8
Leerlingen kunnen
• het verschil uitleggen tussen omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel.
• uitleggen dat er bij bedrijfspensioenen wordt geruild over de tijd.
• drie inkomstenbronnen van ouderen noemen.
• het verschil tussen AOW en pensioen uitleggen.
• het verschil uitleggen tussen de begrippen waardevast en welvaartsvast.
• een aantal beleggingsvormen noemen.
• verschillende beleggingsvormen tegen elkaar afwegen.

Hoofdstuk 9

Ruilen tussen generaties

Inhoudsopgave hoofdstuk 9
9.1 Generaties
9.2 Overdrachten tussen generaties
9.3 Veranderingen in omvang en samenstelling van de bevolking
9.4 Zelftest

Intertemporele ruil
Van intertemporele ruil of ruilen over de tijd is ook sprake als we kijken naar de opbrengsten of kosten van generaties. Kinderen en jonge mensen zijn voordat ze gaan werken netto ontvangers van overdrachten. Werkende mensen zijn netto betalers van overdrachten (via belastingen en premies) en 65-plussers zijn weer netto ontvangers van overdrachten. Aan het einde van de levensloop is de ontvangen hulp ongeveer gelijk aan de verstrekte hulp.
Er is hierbij sprake van solidariteit tussen generaties en dit is in wetten vastgelegd. We spreken in dat verband van de verzorgingsstaat. De verzorgingsstaat is een samenleving waarin de overheid zorgt voor de sociale zekerheid.
Naast overdrachten van inkomen vinden er ook overdrachten van vermogen plaats. Ouderen hebben vaak een bepaald vermogen opgebouwd dat bij overlijden overgaat naar een jongere generatie. Datzelfde zien wij bij de stand van de wetenschap. Iedere nieuwe generatie kan weer voortbouwen op de kennis die in het verleden is vergaard.
Duurzaamheid
Maar niet alleen positieve dingen worden doorgegeven aan toekomstige generaties. De nieuwe generatie wordt ook opgezadeld met milieuproblemen zoals ontbossing, erosie, het uitsterven van planten- en diersoorten en de mogelijke klimaatverandering en uitputting van grondstoffen. Vandaar dan ook de oproep tot duurzame productie. Duurzame productie is productie waarbij de welvaartskansen van toekomstige generaties niet wordt geschaad.
De vergrijzing
De overdrachten die de mensen van de overheid gedurende hun leven ontvangen zijn ongeveer gelijk aan de totale overdrachten aan de overheid. Dat is geen probleem zolang er geen sterke schommelingen ontstaan in het geboortecijfer, het sterftecijfer of de levensverwachting. Is dat wel het geval – zoals de babyboom in de jaren na de 2e wereldoorlog – dan kan dat wel problemen opleveren. Nu de babybomers op pensioen gaan, zijn de betaalde AOW-premies onvoldoende om iedereen een AOW-uitkering te garanderen. Voor een deel worden de AOW-uitkeringen betaald met belastinggelden, die natuurlijk ook weer opgebracht moeten worden door de werkende generatie.

Links
Opgave over intertemporele budgetlijn.
Vergrijzing en ontgroening: video 12 minuten.

Leerdoelen hoofdstuk 9

• de overdrachten tussen generaties verklaren en ze grafisch en rekenkundig interpreteren.
• het profijtbeginsel uitleggen en toepassen.
• de invloed van veranderingen in de omvang en samenstelling van de bevolking op de financiering van de oudedagsvoorziening uitleggen.
• voordelen en nadelen noemen van oplossingen voor de toenemende kosten van vergrijzing en dit toelichten.