LWEO

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2

De Jeugd

Inhoudsopgave hoofdstuk 2
2.1 Het prille begin
2.2 Kinderjaren
2.3 De eerste eigen middelen
2.4 Consumeren en sparen
2.5 Studeren
2.6 Transfer
2.7 Zelftest

Kinderen kosten geld
De overheid komt de ouders hierin tegemoet door het geven van kinderbijslag. Zodra jongeren de leeftijd van 16 bereiken zoeken ze heel vaak een bijbaantje en hebben ze hun eerste eigen middelen.

Bijverdienste
Ben je 16 of 17 en thuiswonend dan mag je maximaal € 4.784 per jaar bijverdienen (in 2010). Verdien je meer dan € 4.784 dan wordt er gekort op de kinderbijslag.

Ruilen over de tijd
Sparen is het niet consumeren van inkomen of het uitstellen van consumptie. Over het spaargeld krijg je rente. In feite verplaats je consumptie naar de toekomst. Je ruilt over de tijd. Lenen is wat dat betreft het omgekeerde van sparen. Consumeren wordt dan naar voor gehaald. Het koopmoment ligt voor het moment dat je inkomen ontvangt. Ook hierbij is sprake van ruilen over de tijd. Bij lenen krijg je geen rente maar moet je rente betalen.

Studeren
Ook studeren heeft alles te maken met ruilen over de tijd. Een studie kost geld en tijd. Het is een investering die later vruchten (geld/inkomen) op moet leveren. Het alternatief van geen hogere studie is meteen gaan werken. Dan kun je meteen oogsten, zei het dat die oogst tot je pensioen veel lager zal zijn in vergelijking met iemand die wel een hogere studie heeft gevolgd.

Hints:
Informatie over Kinderbijslag

Leerdoelen hoofdstuk 2
Leerlingen kunnen:
• verklaren dat rente de prijs is voor het uitstellen van consumptie.
• uitleggen dat sparen en lenen voorbeelden zijn van ruilen over de tijd.
• de prijs van sparen en lenen verklaren.
• de afweging maken tussen consumeren, lenen en sparen en dit verklaren.
• de invloed van inflatie op sparen en lenen verklaren.
• met behulp van tabellen berekeningen maken.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

consumeren
Het kopen van goederen en diensten door gezinnen (particuliere consumptie) en overheid (overheidsconsumptie) om in bestaande behoeften te voorzien.
inkomensafhankelijk
De hoogte van een subsidie of bijdrage is afhankelijk van de hoogte van het inkomen.
rente
Vergoeding voor spaargeld of leengeld.
ruilen over de tijd
Geld verdienen en uitgeven gebeurt in verschillende periodes.
sparen
Het niet consumeren van een deel van het inkomen.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken. Dit bestand bevat de extra oefenopgaven van zowel hoofdstuk 1 als hoofdstuk 2.