LWEO

Hoofdstuk 7

Hoofdstuk 7

Het huishouden

Inhoudsopgave hoofdstuk 7
7.1 Een eigen huishouden
7.2 Koophuis of huurhuis
7.3 Taakverdeling
7.4 De koopkracht van het huishoudinkomen
7.4.1 Consumentenprijsindex
7.4.2 Stijgt of daalt de koopkracht
7.5 Transfer
7.6 Zelftest

Koopkracht
Wat je kunt kopen van het geld van je bijverdiensten is afhankelijk van de prijzen van de producten die je hiermee wilt kopen. Als jouw inkomen stijgt kun je meer kopen. Als de prijzen stijgen kun je minder kopen. Met andere woorden de koopkracht van je inkomen (= reëel inkomen) is afhankelijk van de hoogte van het inkomen en de inflatie (prijsstijging). Om te weten of de koopkracht in een bepaald jaar gestegen is moet je werken met indexcijfers.

   indexcijfer van het (nominaal) inkomen
Indexcijfer reële inkomen = ————————————————— x 100
                 prijsindexcijfer

Consumentenprijsindex
Bij het berekenen van de koopkracht moet er rekening gehouden worden met de prijsontwikkeling van de diverse producten en het belang of het gewicht van die producten in de totale uitgaven. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt zich hiermee bezig. Aan de hand van een budgetonderzoek bepaalt het CBS de wegingsfactoren van elke artikelgroep en elk artikel binnen die artikelgroep. De wegingsfactoren geven aan welk deel van de totale uitgaven aan een bepaalde artikelgroep wordt uitgegeven. Jaarlijks verandert het bestedingspatroon en worden de gewichten door het CBS bijgesteld. Door vervolgens na te gaan hoe de prijzen van de diverse producten zich ontwikkelen kan vervolgens een samengesteld gewogen prijsindexcijfer, de consumentenprijsindex berekend worden. Elk prijsindexcijfer wordt vermenigvuldigd met zijn wegingsfactoren en bij elkaar opgeteld en tenslotte gedeeld door de som van de gewichten.
In formulevorm:

Σ(Pi x Gi)
CPI = ————
  ΣGi

Pi = prijsindexcijfer van elk product
Gi = wegingsfactor van elk product
Σ = somteken

Nominale en reële rente

Inflatie leidt tot een daling van het reële inkomen. De koopkracht van het geld daalt: er is sprake van geldontwaarding. Door inflatie neemt de koopkracht van het spaargeld af en is de reële rentevergoeding lager dan de nominale rentevergoeding. De nominale rente (vergoeding) is de rentepercentage dat de bank vergoedt. De reële rente is de nominale rente gecorrigeerd voor inflatie. De reële rente kan berekend worden met indexcijfers:

indexcijfer nominale rente
Indexcijfer reële rente = ———————————  x 100
        prijsindexcijfer

Links
De consumentenprijsindex: video 9 min (YouTube).
Indexcijfers: video 24 min.

Leerdoelen hoofdstuk 7
Leerlingen kunnen:
• woonlasten afwegen bij koop of huur.
• stroomgrootheden en voorraadgrootheden onderscheiden.
• de consumentenprijsindex berekenen.
• het verschil tussen reële en nominale grootheden uitleggen.
• met indexcijfers een reële verandering berekenen bij gegeven nominale verandering en inflatiepercentage

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 7

budgetonderzoek
Onderzoek naar de bestedingsgewoonten van een modaal gezin.
centraal bureau voor de statistiek (CBS)
Instituut dat gegevens verzamelt over de Nederlandse economie.
consumentenprijsindex (CPI)
Maatstaf voor inflatie. De CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar. In formule:

som van (de wegingsfactoren x prijsindexcijfers van de artikelgroepen
som van de wegingsfactoren

geldontwaarding
Daling van de koopkracht van het geld, bijvoorbeeld de euro.
hypothecaire lening
Lening bij een bank, met het huis en of grond als onderpand.
inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.
nominaal inkomen
Het bedrag dat je in euro’s verdient.
nominale rente
Rentepercentage dat de bank geeft of vraagt voor sparen of lenen.
onroerende goederen (zaken)
Goederen die vast verbonden zijn met de aarde, zoals grond, huizen, gebouwen.
reëel inkomen (= koopkracht)
De hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen.
reële rente
Rentepercentage dat aangeeft met hoeveel procent de koopkracht van het spaargeld per periode is veranderd.
wegingsfactoren
Geven aan welk deel van de totale uitgaven aan een bepaalde artikelgroep wordt uitgegeven.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.

Huren of Kopen

Huren of Kopen

Voordeel huren:
– niet lenen(geen risico), maar gewoon vaste maandelijkse lasten.
– geen zorgen over onderhoud, dat is een taak voor de verhuurder.
– vrijheid, opzeggen en wegwezen.
– huurstijging van de huur is beperkt.
– mogelijkheid van huursubsidie.
– wettelijke huurbescherming.
– steeds meer keuze in huurvormen.
Nadeel huren:
– moderniseren van de woning loont niet. Vaak moet de woning bij vertrek weer in de oorspronkelijke staat opgeleverd worden.
– weinig keuze en mogelijk lange wachttijden.
– huur wordt in de toekomst misschien afhankelijk gemaakt van het inkomen (heeft betrekking op de sociale woningbouw).
Voordeel kopen:
– met een eigen huis doe je wat je wil, jij bent de baas.
– mogelijke waardestijging. Crisis of niet, een huis is een belegging voor de lange termijn.
– meer keuze, geen wachtlijsten voor een goede woning.
– je profiteert van de hypotheekrenteaftrek. en de nationale hypotheekgarantie.
Nadeel kopen:
– het kopen van een huis kost veel geld, zoals overdrachtsbelasting.
– mogelijkheid van waardedaling. Als de markt tegenzit, kan het verkopen van een huis lang duren.
– het onderhoud is voor jou.
– woonlasten kunnen variëren door wijziging rente en onzekerheid over hypotheekrenteaftrek.