LWEO

Markt en Overheid (2)

Inleiding
Hoofdstuk 1 tot en met 4

Inleiding

In de lesbrief Markt en Overheid staan de verschillende marktvormen centraal. Achtereenvolgens komen aan bod de markt van volkomen concurrentie, de monopolistische markt, het oligopolie en monopolistische concurrentie.
De markt levert niet altijd de door de overheid gewenste uitkomsten. Zo kan de prijs van een product te hoog of te laag zijn, voldoen de producten niet aan de gewenste kwaliteit of worden producten niet gemaakt terwijl er wel behoefte aan is. Welzijn en milieu kunnen motieven zijn voor de overheid om in te grijpen.
Per hoofdstuk krijg je een overzicht van de inhoud, de leerdoelen, de kernbegrippen en enkele oefenopdrachten.
Natuurlijk is dit alles slechts een summiere opsomming en kan dat niet de lesbrief vervangen.
Videofilmpje over kenmerken/eigenschappen van marktvormen: 15 min

Hoofdstuk 5

De overheid bemoeit zich er mee

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 De autoriteit
5.2 Octrooi
5.3 Collectieve dwang en overheidsproductie
5.3.1 De weg naar samenwerking
5.3.2 Collectieve goederen
5.3.3 Quasicollectieve goederen
5.3.4 Externe effecten
5.4 Transferopdrachten
5.5 Zelftest

Toezichthouders
Er zijn diverse toezichthoudende instanties door de overheid opgericht met het doel om de concurrentie te bevorderen (ACM, OPTA), de consumenten te beschermen (VWA, Consumentenautoriteit) en toezicht te houden op de financiële markten (AFM).
Fuseren en overnemen
Bij een fusie gaan bedrijven samen in een nieuw bedrijf. Bij overname koopt een sterk (groter) bedrijf een zwakker (kleiner) bedrijf op, meestal door meer dan helft van de aandelen op te kopen. Fusies en overnames leiden tot een grotere concentratie van marktmacht. Marktmacht kan tot gevolg hebben dat producenten zich een groter deel van het surplus toe-eigenen.
Octrooi en monopoliemacht
Een octrooi is het alleenrecht op het maken of laten maken van een product voor een bepaalde tijd. Een onderneming kan hierdoor functioneren als een monopolist, de onderneming is prijszetter. Een hoge prijs maakt het mogelijk om de ontwikkelingskosten terug te verdienen. Dit gebeurt heel veel bij de ontwikkeling van medicijnen.
Meeliften en zelfbinding
Meeliftgedrag kan voor het individu heel rationeel zijn, maar kan er ook toe leiden dat een bepaald (door ieder) gewenst resultaat niet bereikt wordt.
Zelfbinding vergroot het vertrouwen en verlaagt de transactiekosten. Eenmaal gemaakte afspraken dienen nagekomen te worden. Gebeurt dit niet (ontbreekt zelfbinding) dan wordt het moeilijker om afspraken te maken en zullen er meer kosten gemaakt moeten worden om tot gedegen afspraken te komen.
Samenwerking
Wanneer voor het bereiken van een bepaald resultaat de inzet en samenwerking van allen of een groep personen gewenst is, kan het voor een individu toch aantrekkelijk zijn om mee te liften in plaats van zijn/haar bijdrage te leveren. Een hoog normbesef (ik moet daar mijn bijdrage aan leveren) kan meeliftgedrag moeilijker maken, maar niet geheel voorkomen. Soms is dwang noodzakelijk (bijvoorbeeld belastingen) om zich te verzekeren van de inzet van allen.
Collectieve, quasicollectieve en individuele goederen.
Voorbeelden van collectieve goederen zijn: dijken, straatverlichting, rechtspraak en openbare orde. Kenmerkend voor collectieve goederen is het feit:
– dat er geen individuele prijs vast te stellen is;
– dat niemand er van uitgesloten kan worden (ook zij die niet betalen genieten van de bescherming van de dijk);
– dat het niet-rivaliserend is (of er nu 50 of 5.000 mensen achter de dijk wonen).
Deze kenmerken maken het onmogelijk om deze goederen door de markt te leveren. Het is de overheid die met collectieve dwang (belastingheffing) kan zorgen dat iedereen een bijdrage levert voor de realisatie van de collectieve goederen.
Een goed dat uitsluitbaar en rivaliserend is, bijvoorbeeld brood, noemen we een individueel goed. Zij worden door de markt geleverd.
Individuele goederen die door de overheid geleverd worden noemen we quasicollectieve goederen. Voorbeelden zijn onderwijs, zorg en de diensten van een bibliotheek. De overheid levert deze diensten omdat:
– zij die diensten voor iedereen toegankelijk wil maken, ook voor mensen met een laag inkomen;
– zij de consumptie van die diensten belangrijk vindt en er anders (zonder subsidie) een te hoge prijs voor de consument in rekening wordt gebracht waardoor de consument geen gebruik maakt van die diensten.
Negatieve en positieve externe effecten
Negatieve externe effecten zijn nadelige gevolgen van productie en consumptie die niet in de prijs van het product zijn opgenomen. De producent houdt bij zijn berekeningen alleen rekening met de interne of private kosten. Dat zijn de werkelijke uitgaven. De externe kosten, zoals stankoverlast, CO2-uitstoot, etc. zijn voor de producent geen kosten. Voor de maatschappij als geheel behoren deze externe kosten wel tot de kosten. Gevolg is dat deze producten te goedkoop worden aangeboden en er maatschappelijk gezien teveel van wordt geproduceerd en geconsumeerd.
Om de negatieve externe effecten te verminderen kan de overheid:
– de productie ervan verbieden (cfk’s in koelkasten);
– heffing opleggen zodat het extern effect geheel of gedeeltelijk intern wordt gemaakt (accijns).
Door accijns op benzine te heffen komen de private kosten van het autorijden dichter in de buurt van de maatschappelijke kosten.
Positieve externe effecten zijn gevolgen van productie en consumptie waarvan anderen dan de producent/consument profiteren. Denk in dit verband aan een mooie tuin voor het huis, een oud maar nog goed onderhouden pand in de binnenstad, etc. Door subsidies en belastingkortingen kan de overheid het optreden van positieve externe effecten stimuleren.
Negatieve en positieve externe effecten betekenen dat de marktuitkomst niet overeenkomt met de maatschappelijk gewenste uitkomst: de markt faalt.
Meelifter en externe effecten
Ook de meelifter veroorzaakt een negatief extern effect. Wanneer het aantal meelifters te groot is gaat een project niet door en ontstaat er een collectief verlies aan welvaart. Ook als het project wel doorgaat veroorzaakt de meelifter een negatief extern effect: de anderen moeten immers een hogere bijdrage leveren.

Links hoofdstuk 5
Accijnzen (SchoolTV; 8 minuten)
Welvaartseffecten van het internaliseren van externe effecten: rapport.
Praktisch advies van overheid over uw rechten als consument: website.
Collectieve goederen en externe effecten: lesmateriaal SLO.
Keurmerkinstituut: website.
Autoriteit Consument & Markt (vroeger NMa): website.
Autoriteit Financiële Markten: website.

Leerdoelen hoofdstuk 5
Leerlingen kunnen:
• het dilemma beschrijven waar de overheid voor staat bij het verstrekken van octrooien.
• effecten van octrooien op marktgedrag en marktresultaat herkennen.
• met voorbeelden uitleggen dat bij collectieve goederen sprake kan zijn van een gevangenendilemma.
• de dominante strategie bepalen in een gevangenendilemma.
• uitleggen op welke manieren samenwerking tot stand kan komen in een gevangendilemma.
• collectieve en individuele goederen onderscheiden op basis van de eigenschappen uitsluitbaarheid en rivaliteit.
• onderscheid maken tussen collectieve, individuele goederen en quasicollectieve goederen.
• motieven noemen die de overheid heeft om individuele goederen te produceren.
• negatieve en positieve externe effecten beschrijven.
• private, externe en maatschappelijke kosten onderscheiden.
• aantonen dat sprake kan zijn van meeliftgedrag.
• met voorbeelden uitleggen waarom meeliftgedrag een vorm is van een extern effect.
• analyseren hoe de overheid het verschil tussen private en maatschappelijke kosten kan verkleinen.
• de invloed van zelfbinding verduidelijken bij de totstandkoming van samenwerking.
• uitleggen dat de overheid met behulp van toezichthouders op verschillende markten kan optreden.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
Fusie – overname – concentratie van marktmacht – octrooi – meeliften – free rider – zelfbinding – individuele prijs – collectieve goederen – niet-uitsluitbaar goed – niet-rivaliserend goed – collectieve dwang – individuele goederen – quasicollectieve goederen – negatieve externe effecten – interne (private) kosten – maatschappelijke kosten – externe kosten – positieve externe effecten – marktfalen.

Hoofdstuk 6

Wat moet ik met mijn oude telefoon?

Inhoudsopgave hoofdstuk 6
6.1 Maatschappelijk verantwoord ondernemen
6.2 Duurzaam produceren
6.3 Zelftest

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
Bij maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) houden bedrijven rekening met de drie p’s: people, planet, profit.
People
Hierbij gaat het zowel om het eigen personeel, hoe is de medezeggenschap geregeld, hoe is de man-vrouwverhouding, worden er minder valide arbeidskrachten en langdurig werklozen te werk gesteld, als om de mensen buiten het bedrijf zoals de behartiging van de mensenrechten, kinderarbeid, omkoping en fraude en het armoedevraagstuk.
Planet
Hierbij wordt aandacht besteed aan de gevolgen van de productie voor het milieu. Wordt er milieuvriendelijk geproduceerd, is er sprake van duurzame technologische ontwikkelingen en worden afgedankte producten gerecycled.
Profit
Op welke manier wordt winst gemaakt en wat wordt er met de winst gedaan.
Duurzaam produceren
Bij bedrijven die maatschappelijk verantwoord ondernemen, gaat duurzaamheid van produceren voor de winstgevendheid op korte termijn. Duurzaam produceren betekent dat de productie van nu niet ten koste gaat van de productiemogelijkheden in de toekomst.
Welvaart
Hoe meer we produceren en consumeren, hoe hoger het nationaal product en hoe hoger de welvaart. Maar meer produceren en consumeren staat in strijd met duurzaamheid. Wordt duurzaamheid meegenomen in het begrip welvaart, dan vermindert de welvaart door de manier waarop er nu geproduceerd/geconsumeerd wordt.

Links
Fair Trade: de naam zegt het al!
Schone kleren campagne: wie draagt er nog kleren die met kinderarbeid gemaakt zijn!
Triodos: ook banken kunnen maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Groene economie: een lachertje
Leerdoelen hoofdstuk 6
Leerlingen kunnen:
• uitleggen dat maatschappelijk verantwoord ondernemen negatieve externe effecten van productie vermindert.
• uitleggen dat er spanningen zijn tussen duurzaamheid als welvaartsmaatstaf en het nationaal inkomen of nationaal product als welvaartsmaatstaf.

Kernbegrippen hoofdstuk 6
Penetratiegraad – recycling – maatschappelijk verantwoord ondernemen – people – planet – profit – duurzaam produceren.

Hoofdstuk 7

Bedrijven

Inhoudsopgave hoofdstuk 7
7.1 Rechtsvormen
7.1.1 De eenmanszaak
7.1.2 De vennootschap onder firma (vof)
7.1.3 De besloten en naamloze vennootschap
7.2 Hoe komen bedrijven aan hun geld?
7.3 Zelftest

Rechtsvormen
De vier belangrijkste rechtsvormen voor bedrijven zijn de eenmanszaak, de vennootschap onder firma (vof), de besloten vennootschap (bv) en de naamloze vennootschap (nv).
Eenmanszaak
Kenmerkend voor de eenmanszaak is het feit dat deze geleid wordt door één persoon die tevens eigenaar is van het bedrijf. Daarnaast is er geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Dit betekent dat de eigenaar met zijn privévermogen aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf. Kan het bedrijf haar schulden niet betalen, dan wordt het privévermogen (huis, auto, etc.) van de eigenaar aangesproken. Veel kleine bedrijven zijn eenmanszaken, vaak hebben ze geen personeel. We spreken in dat geval van zelfstandigen zonder personeel (zzp’er).
Vennootschap onder firma
Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn samen eigenaar. Omdat er meerdere firmanten zijn is specialisatie mogelijk. Zo kan de ene firmant de marketing doen, de ander personeelszaken en een derde de financiering. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.
Besloten vennootschap
Met het oprichten van een besloten vennootschap kan het privévermogen afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. De vennoten nemen elk voor een bepaald bedrag deel in het eigen vermogen van de onderneming. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze hebben ingelegd. Dat is mogelijk omdat de bv (net als de nv) een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig schulden aangaan. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk, waardoor hun privévermogen buiten schot blijft.
Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de nv, maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst: het zogenaamde dividend. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.
Naamloze vennootschap
Als een onderneming grote bedragen aan kapitaal nodig heeft is de bv minder geschikt en is de nv een beter alternatief. De aandelen van de nv staan niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De bezitters van de aandelen, aandeelhouders genoemd, hebben letterlijk een aandeel in het eigen vermogen van de onderneming en zijn voor de grootte van dat aandeel, eigenaar van de onderneming. Het aandeel geeft de aandeelhouder recht op een deel van de winst. Bij de nv is de dagelijks leiding verder losgekoppeld van de eigenaars dan bij de bv. De aandeelhouders worden vertegenwoordigd door de Raad van Commissarissen die de Raad van Bestuur (de directie) van de onderneming controleert. De directie voert de dagelijkse leiding van het bedrijf. De directeuren zijn werknemers van het bedrijf.

Fiscale verschillen
De winst van een bv/nv valt onder de vennootschapsbelasting terwijl de winst van de eenmanszaak en de vof on de inkomensheffing valt. De inkomensheffing kan oplopen tot 52 procent, terwijl de vennootschapsbelasting ongeveer 25 procent is.

Hoe komen bedrijven aan hun geld?
Op de eerste plaats is dat eigen geld dat ze in de zaak stoppen, we noemen dat eigen vermogen. Hiernaast kan geld geleend worden bij banken of andere personen, we noemen dit vreemd vermogen. Vreemd vermogen moet terugbetaald worden (aflossen) en over vreemd vermogen of schulden moet rente betaald worden. Hoe hoger het risico van een lening, hoe hoger de rente.
Soms eist de geldgever (kredietverlener) een onderpand. Een voorbeeld van een lening met onderpand is een hypothecaire lening.

Links
Ondernemingsvormen: videofilm 20 min.
Rechtsvormen: videofilm van de Kamer van Koophandel (4 min).

Leerdoelen hoofdstuk 7
Leerlingen kunnen:
• de keuze omtrent het aantrekken van eigen en vreemd vermogen van een onderneming (eenmanszaak, vennootschap onder firma, besloten vennootschap, naamloze vennootschap) toelichten.
• voorbeelden geven van onderpand en uitleggen waarom onderpand het risico voor de kredietgever kan verminderen.
• verklaren dat de te kiezen ondernemingsvorm (wel of niet persoonlijk aansprakelijk) invloed heeft op het ondernemingsrisico.

Kernbegrippen hoofdstuk 7
Naamloze vennootschap (nv) – zelfstandigen – eenmanszaak – vennootschap onder firma (vof) – vereniging – rechtsvorm – ondernemingsvorm – besloten vennootschap (bv) – zelfstandige zonder personeel (zzp’er) – persoonlijk aansprakelijk – hoofdelijk aansprakelijk – rechtspersoon – aandeelhouder – dividend – aandelen op naam – vrij verhandelbaar – aandeelhoudersvergadering – raad van commissarissen – raad van bestuur (directie) – eigen vermogen – vreemd vermogen – hypotheeklening.