LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

De overheid bemoeit zich er mee

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 De autoriteiten
5.2 Octrooi
5.3 Collectieve dwang en overheidsproductie
5.3.1 De weg naar samenwerking
5.3.2 Collectieve goederen
5.3.3 Quasicollectieve goederen
5.3.4 Externe effecten
5.4 Transfer
5.5 Zelftest
Leerdoelen hoofdstuk 5

Toezichthouders
Er zijn diverse toezichthoudende instanties door de overheid opgericht met het doel om de concurrentie te bevorderen (ACM, OPTA), de consumenten te beschermen (VWA, Consumentenautoriteit) en toezicht te houden op de financiële markten (AFM).
Fuseren en overnemen
Bij een fusie gaan bedrijven samen in een nieuw bedrijf. Bij overname koopt een sterk (groter) bedrijf een zwakker (kleiner) bedrijf op, meestal door meer dan helft van de aandelen op te kopen. Fusies en overnames leiden tot een grotere concentratie van marktmacht. Marktmacht kan tot gevolg hebben dat producenten zich een groter deel van het surplus toe-eigenen.
Octrooi en monopoliemacht
Een octrooi is het alleenrecht op het maken of laten maken van een product voor een bepaalde tijd. Een onderneming kan hierdoor functioneren als een monopolist, de onderneming is prijszetter. Een hoge prijs maakt het mogelijk om de ontwikkelingskosten terug te verdienen. Dit gebeurt heel veel bij de ontwikkeling van medicijnen.
Meeliften en zelfbinding
Meeliftgedrag kan voor het individu heel rationeel zijn, maar kan er ook toe leiden dat een bepaald (door ieder) gewenst resultaat niet bereikt wordt.
Zelfbinding vergroot het vertrouwen en verlaagt de transactiekosten. Eenmaal gemaakte afspraken dienen nagekomen te worden. Gebeurt dit niet (ontbreekt zelfbinding) dan wordt het moeilijker om afspraken te maken en zullen er meer kosten gemaakt moeten worden om tot gedegen afspraken te komen.
Samenwerking
Wanneer voor het bereiken van een bepaald resultaat de inzet en samenwerking van allen of een groep personen gewenst is, kan het voor een individu toch aantrekkelijk zijn om mee te liften in plaats van zijn/haar bijdrage te leveren. Een hoog normbesef (ik moet daar mijn bijdrage aan leveren) kan meeliftgedrag moeilijker maken, maar niet geheel voorkomen. Soms is dwang noodzakelijk (bijvoorbeeld belastingen) om zich te verzekeren van de inzet van allen.
Collectieve, quasicollectieve en individuele goederen.
Voorbeelden van collectieve goederen zijn: dijken, straatverlichting, rechtspraak en openbare orde. Kenmerkend voor collectieve goederen is het feit:
– dat er geen individuele prijs vast te stellen is;
– dat niemand er van uitgesloten kan worden (ook zij die niet betalen genieten van de bescherming van de dijk);
– dat het niet-rivaliserend is (of er nu 50 of 5.000 mensen achter de dijk wonen).
Deze kenmerken maken het onmogelijk om deze goederen door de markt te leveren. Het is de overheid die met collectieve dwang (belastingheffing) kan zorgen dat iedereen een bijdrage levert voor de realisatie van de collectieve goederen.
Een goed dat uitsluitbaar en rivaliserend is, bijvoorbeeld brood, noemen we een individueel goed. Zij worden door de markt geleverd.
Individuele goederen die door de overheid geleverd worden noemen we quasicollectieve goederen. Voorbeelden zijn onderwijs, zorg en de diensten van een bibliotheek. De overheid levert deze diensten omdat:
– zij die diensten voor iedereen toegankelijk wil maken, ook voor mensen met een laag inkomen;
– zij de consumptie van die diensten belangrijk vindt en er anders (zonder subsidie) een te hoge prijs voor de consument in rekening wordt gebracht waardoor de consument geen gebruik maakt van die diensten.
Negatieve en positieve externe effecten
Negatieve externe effecten zijn nadelige gevolgen van productie en consumptie die niet in de prijs van het product zijn opgenomen. De producent houdt bij zijn berekeningen alleen rekening met de interne of private kosten. Dat zijn de werkelijke uitgaven. De externe kosten, zoals stankoverlast, CO2-uitstoot, etc. zijn voor de producent geen kosten. Voor de maatschappij als geheel behoren deze externe kosten wel tot de kosten. Gevolg is dat deze producten te goedkoop worden aangeboden en er maatschappelijk gezien teveel van wordt geproduceerd en geconsumeerd.
Om de negatieve externe effecten te verminderen kan de overheid:
– de productie ervan verbieden (cfk’s in koelkasten);
– heffing opleggen zodat het extern effect geheel of gedeeltelijk intern wordt gemaakt (accijns).
Door accijns op benzine te heffen komen de private kosten van het autorijden dichter in de buurt van de maatschappelijke kosten.
Positieve externe effecten zijn gevolgen van productie en consumptie waarvan anderen dan de producent/consument profiteren. Denk in dit verband aan een mooie tuin voor het huis, een oud maar nog goed onderhouden pand in de binnenstad, etc. Door subsidies en belastingkortingen kan de overheid het optreden van positieve externe effecten stimuleren.
Negatieve en positieve externe effecten betekenen dat de marktuitkomst niet overeenkomt met de maatschappelijk gewenste uitkomst: de markt faalt.
Meelifter en externe effecten
Ook de meelifter veroorzaakt een negatief extern effect. Wanneer het aantal meelifters te groot is gaat een project niet door en ontstaat er een collectief verlies aan welvaart. Ook als het project wel doorgaat veroorzaakt de meelifter een negatief extern effect: de anderen moeten immers een hogere bijdrage leveren.

Links hoofdstuk 5
Accijnzen (SchoolTV; 8 minuten)
Samenwerken en onderhandelen: SchoolTV 15 minuten
Welvaartseffecten van het internaliseren van externe effecten: rapport.
Praktisch advies van overheid over uw rechten als consument: website.
Collectieve goederen en externe effecten: lesmateriaal SLO.
Keurmerkinstituut: website.
Autoriteit Consument & Markt (vroeger NMa): website.
Autoriteit Financiële Markten: website.

Leerdoelen hoofdstuk 5
Leerlingen kunnen:
• het dilemma beschrijven waar de overheid voor staat bij het verstrekken van octrooien.
• effecten van octrooien op marktgedrag en marktresultaat herkennen.
• met voorbeelden uitleggen dat bij collectieve goederen sprake kan zijn van een gevangenendilemma.
• de dominante strategie bepalen in een gevangenendilemma.
• uitleggen op welke manieren samenwerking tot stand kan komen in een gevangendilemma.
• collectieve en individuele goederen onderscheiden op basis van de eigenschappen uitsluitbaarheid en rivaliteit.
• onderscheid maken tussen collectieve, individuele goederen en quasicollectieve goederen.
• motieven noemen die de overheid heeft om individuele goederen te produceren.
• negatieve en positieve externe effecten beschrijven.
• private, externe en maatschappelijke kosten onderscheiden.
• aantonen dat sprake kan zijn van meeliftgedrag.
• met voorbeelden uitleggen waarom meeliftgedrag een vorm is van een extern effect.
• analyseren hoe de overheid het verschil tussen private en maatschappelijke kosten kan verkleinen.
• de invloed van zelfbinding verduidelijken bij de totstandkoming van samenwerking.
• uitleggen dat de overheid met behulp van toezichthouders op verschillende markten kan optreden.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
Fusie – overname – concentratie van marktmacht – octrooi – meeliften – free rider – zelfbinding – individuele prijs – collectieve goederen – niet-uitsluitbaar goed – niet-rivaliserend goed – collectieve dwang – individuele goederen – quasicollectieve goederen – negatieve externe effecten – interne (private) kosten – maatschappelijke kosten – externe kosten – positieve externe effecten – marktfalen.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

collectieve dwang
Druk die wordt uitgeoefend om te zorgen dat iedereen zich aan een regel houdt. Dit kan door vastgelegde regels (wetten) die met sancties worden gehandhaafd, maar ook met ongeschreven regels, sociale normen.
collectieve goederen
Goederen waar wel behoefte aan is, maar die niet door de markt worden geleverd, omdat het onmogelijk is gebruikers die niet betalen uit te sluiten van het gebruik van het product. Daarnaast zijn collectieve goederen niet- rivaliserende goederen, dat wil zeggen dat de consumptie van de ene gebruiker niet ten koste gaat van de consumptie van de andere gebruiker.
concentratie van marktmacht
Goederen en diensten worden door een kleiner aantal bedrijven aangeboden.
externe kosten
Kosten van productie en consumptie die niet in de prijs zijn opgenomen.
free rider
Iemand die profiteert van de inspanningen van een ander.
fusie
Bedrijven gaan samen in een nieuw bedrijf.
individueel goed
Goederen die uitsluitbaar zijn en rivaliserend.
individuele prijs
De prijs die een consument betaalt voor een product.
interne kosten (= private kosten)
De werkelijke uitgaven van de producent.
maatschappelijke kosten
Kosten van economisch handelen voor de samenleving.
marktfalen
Op de markt komt geen optimale situatie tot stand.
meeliften
Profiteren van de inspanningen van een ander.
negatieve externe effecten
Gevolgen van productie en/of consumptie die negatief zijn voor de welvaart van anderen en die niet verrekend zijn in de prijs van het product.
niet-rivaliserend goed
Consumptie van de een gaat niet ten koste van de consumptie van de ander.
niet-uitsluitbaar goed
Niet betalende gebruikers kunnen niet worden uitgesloten van het gebruik van het goed.
octrooi
Alleenrecht op het commerciële gebruik van een uitvinding.
overname
Een sterk bedrijf koopt een zwakker bedrijf op, meestal door meer dan de helft van de aandelen op te kopen.
positieve externe effecten
Gevolgen van productie en/of consumptie die positief zijn voor de welvaart van anderen en die niet verrekend zijn in de prijs van het product.
private kosten
Zie interne kosten.
quasicollectieve goederen
Individuele goederen en diensten die geleverd zouden kunnen worden door de markt, maar die (deels) worden geleverd door de overheid.
zelfbinding
Bij marktpartijen: Openlijk deelname uitspreken met als doel anderen tot samenwerking te bewegen. Bij arbeidsvoorwaardenonderhandelingen: Je vooraf verbinden aan bepaalde afspraken (bijvoorbeeld maximaal 1% meer loon).

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.