LWEO

ongelijkheid hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

Thomas Piketty: De ongelijkheid neemt toe

4.1 Zelftest

Productiefactoren
Voor productie zijn productiefactoren of productiemiddelen nodig. In dit hoofdstuk wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Onder kapitaal verstaan we zowel geldkapitaal als kapitaalgoederen zoals gebouwen en machines.

Productiefactoren en de beloning ervoor.
arbeid loon (salaris)
kapitaal rente, huur
natuur pacht
ondernemerschap winst

Toegevoegde waarde = som van de inkomens

kosten Resultatenrekening naaiatelier opbrengsten
inkoop stoffen en garens 165.000 omzet galajurken 270.000
inkoop energie 32.000 omzet cocktailjurken 210.000
lonen 174.000
rente 44.000
huur 26.000
winst 39.000
totaal 480.000 totaal 480.000

De toegevoegde waarde of productiewaarde van het naaiatelier is gelijk aan de waarde van de inkomens van de mensen die deze productie gerealiseerd hebben. Daaruit komt de gelijkheid voort dat productie = inkomen.
Primair inkomen en inkomensoverdrachten
Loon, pacht, huur, rente en winst vormen samen het primaire inkomen. Het primaire inkomen is het inkomen dat ontstaat door het beschikbaar stellen van schaarse productiefactoren.
Het primaire inkomen
– inkomstenbelasting en sociale premies
+ sociale uitkeringen en subsidies/toeslagen
= secundaire inkomen (= besteedbaar inkomen)
Overdrachtsinkomens zijn sociale uitkeringen die je ontvangt zonder een bijdrage te leveren aan de productie.
Van toegevoegde waarde naar bruto binnenlands product (bbp)
De toegevoegde waarde of productiewaarde is gelijk aan de omzet min de inkoopwaarde van grondstoffen, hulpstoffen en diensten. De toegevoegde waarde is gelijk aan de som van loon, huur, pacht, rente en winst.
Een bedrijfskolom laat de weg zien (schakels) die een product doorloopt van grondstoffenproducent tot en met de detailhandel. De schakels in een bedrijfskolom bestaan uit bedrijven die dezelfde productie verrichten. Zij vormen een bedrijfstak zoals de bedrijfstak naaiateliers en de bedrijfstak kledingzaken.
Door de toegevoegde waarde van alle bedrijven bij elkaar op te tellen krijg je de productie van een heel land. Dit noemen we het bruto binnenlands product (bbp). De toegevoegde waarde van niet-commerciële bedrijven zoals overheid en ziekenhuizen is gelijk aan het salaris dat uitgekeerd wordt.
Van nominaal naar reëel inkomen
Inkomen gemeten in geld noemen we het nominaal inkomen. Het inkomen gemeten in goederen is het reëel inkomen. Als de inflatie gelijk is aan de stijging van het nominaal inkomen blijft de koopkracht behouden.

NIC (indexcijfer nominaal inkomen)
RIC (indexcijfer reëel inkomen) = ——————————————— × 100
           PIC (prijsindexcijfer)

Bruto binnenlands product en welvaart.
Bij het meten van de welvaart van een land wordt welvaart gelijk gesteld aan het bbp van dat land. Een betere maatstaf om welvaart te meten is het reëel bruto binnenlands product per inwoner van dat land. Toch kleven er ook aan die maatstaf van welvaart nadelen zoals:
– een gemiddeld reëel inkomen zegt niets over de verdeling van dat inkomen tussen arm en rijk.
– vrijwilligers werk en zwart werk (samen informele economie) en huishoudelijk werk verhogen wel de welvaart maar worden hier niet meegerekend.
– negatieve externe effecten worden niet in mindering gebracht op deze welvaartsmaatstaf.
– er wordt geen rekening gehouden met uitputting van natuurlijke hulpbronnen. In dit kader gebruikt men het begrip duurzame ontwikkeling. Dit is een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten.
Categoriale inkomensverdeling
De verdeling van het inkomen over de inkomenscategorieën loon, winst, rente, huur en pacht, noemen de categoriale inkomensverdeling. Het bbp is gelijk aan de toegevoegde waarde van alle bedrijven opgeteld en is gelijk aan de som van loon, winst, rente, huur en pacht.

loon
Loonquote = ———————————- × 100%
bruto binnenlands product
huur + pacht + rente + winst
Overige inkomensquote = ————————————— × 100% = 100% – loonquote
bruto binnenlands product

De loonquote geeft informatie over de verdeling van de productiewaarde over arbeid (loon) en kapitaal (huur, rente, pacht en winst) en is daarom een belangrijk kengetal in de economie.
Als de loonquote stijgt daalt de overige inkomensquote. Dit wordt in het algemeen gezien als zijnde slecht voor het ondernemersklimaat. Een stijgende loonquote gaat veelal gepaard met een dalende winstquote (winst/bbp). De winst komt onder druk te staan waardoor bedrijven minder investeren en er we een afname van de werkgelegenheid zien.

Links
Waarom is het bruto binnenlands product gelijk aan het bruto binnenlands inkomen: video 8 min.
Toegevoegde waarde en nationaal product en nationaal inkomen: video 8 min.
Bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking: artikel.
De categoriale inkomensverdeling: video 9 minuten.
Geluk belangrijker dan groeicijfers: video 3 min.
De toegevoegde waarde: video 6 min.
Armoede in Nederland: video NTR 15 minuten.

Leerdoelen hoofdstuk 1
Leerlingen kunnen:
• de productiewaarde berekenen via de opbrengstenkant en via de kostenkant van het productieproces.
• onderscheid maken tussen de verschillende inkomenscategorieën.
• de productiewaarde berekenen met behulp van gegevens uit de bedrijfskolom.
• de productie van de overheid via de ambtenarensalarissen berekenen.
• de relatie beschrijven tussen het bruto binnenlands product en de toegevoegde waarde.
• uitleggen waarom het nationaal inkomen gelijk is aan het bruto binnenlands product.
• het bruto binnenlands inkomen berekenen door de categoriale inkomens bij elkaar op te tellen.
• het bruto binnenlands product berekenen door de toegevoegde waarden van bedrijven bij elkaar op te tellen.
• de koopkrachtverandering berekenen.
• toelichten waarom de omvang van het bruto binnenlands product een beperkte maatstaf is voor het meten van de welvaart.
• uitleggen waarom een economische activiteit tot het formele circuit (formele economie) of informele circuit (informele economie) behoort.
• uitleggen welke informatie de verschillende quotes van het binnenlands inkomen geven.
• uitleggen waarom de loonquote en arbeidsinkomensquote belangrijke maatstaven zijn bij loononderhandelingen.
• het verband uitleggen tussen een veranderende arbeidsinkomensquote en de gevolgen voor winstgevendheid en investeringsbeleid.

Kernbegrippen hoofdstuk 1
Primair inkomen – toegevoegde waarde – productiewaarde – bruto binnenlands product (bbp) – bruto binnenlands inkomen – nominaal inkomen – overdrachtsinkomen – secundair inkomen – microniveau – macroniveau – bedrijfskolom – bedrijfstak – inkoopwaarde van de omzet – reëel inkomen – koopkracht – indexcijfer reëel inkomen – indexcijfer nominaal inkomen – prijsindexcijfer – welvaart – bbp per inwoner – economische groei – zwart werk – informele circuit – informele economie – formele circuit – formele economie – negatieve externe effecten – duurzame ontwikkeling – categoriale inkomensverdeling – loonquote – overige inkomensquote – arbeidsinkomensquote.

Begrippenlijst

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft nog geen extra oefenopgaven.