LWEO

hoofdstuk 2

hoofdstuk 2

De economische kringloop

Het (primair) inkomen is de verdeling van de productie. En daarom geldt:
bruto binnenlands product (bbp) = bruto binnenlands inkomen
Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen door bedrijven. Er kan worden geïnvesteerd in vaste kapitaalgoederen en in vlottende kapitaalgoederen. Vaste kapitaalgoederen zijn kapitaalgoederen die meerdere jaren meegaan en vlottende kapitaalgoederen zijn kapitaalgoederen die niet meerdere jaren meegaan, zoals: investeringen in voorraden.

We onderscheiden drie vormen van investeringen.
1. Vervangingsinvesteringen. Bedrijven moeten versleten kapitaalgoederen vervangen. Omdat vaste kapitaalgoederen meerdere jaren meegaan wordt er op afgeschreven. Er wordt elk jaar geld opzij gezet om het versleten kapitaalgoed aan het einde van de levensduur te kunnen vervangen door een nieuw kapitaalgoed.
2. Uitbreidingsinvesteringen. Als bedrijven mogelijkheden zien om meer producten te verkopen, moeten ze nieuwe machines aanschaffen. Deze uitbreidingsinvesteringen zijn investeringen in vaste kapitaalgoederen.
3. Investeringen in voorraden. Als gezinnen minder consumeren dan de bedrijven gedacht hadden, blijven de bedrijven met voorraden zitten. Ze worden gedwongen om te investeren in de voorraden.

Al deze investeringen bij elkaar zijn de bruto investeringen. De bruto investeringen min de vervangingsinvesteringen zijn de netto investeringen. De netto investeringen bestaan uit de uitbreidingsinvesteringen en de investeringen in voorraden.
Netto binnenlands product = bruto binnenlands product – afschrijvingen

De economische kringloop met overheid en buitenland
Door het beschikbaar stellen van productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap) ontvangen de huishoudens inkomen. Dit inkomen wordt aangewend om consumptiegoederen te kopen en belastingen te betalen. Wat gezinnen niet besteden/uitgeven, sparen ze. De overheidsbestedingen worden betaald met belastingen die zij van de huishoudens ontvangt. Het tekort van de overheid wordt geleend bij de banken. De bedrijven produceren goederen voor de consumptie van de huishoudens, voor de overheid, voor het buitenland en voor bedrijven (investeringen). Een deel van de productie importeren de bedrijven uit het buitenland. Omdat wij meer exporteren dan importeren heeft het buitenland een tekort dat gefinancierd wordt via de banken (besparingen van de gezinnen).

E – M: saldo export en import.
O – B: overheidssaldo.
W = Y: binnenlands product = binnenlands inkomen.
Y = C + B + S: het inkomen van de gezinnen is gelijk aan de som van consumptie, belastingen en besparingen.
Y = C + I + O + E – M: bestedingen van gezinnen, overheid en buitenland.
S = I + (O – B) + (E – M): de besparingen van de gezinnen worden gebruikt om de netto investeringen van de bedrijven, de tekorten van de overheid en het tekort van het buitenland te financieren.
Deze vergelijking wordt ook vaak opgeschreven als:
(S – I) + (B – O) = (E – M).
S – I is het particulier spaarsaldo (gezinnen en bedrijven samen), B – O is het overheidssaldo en E – M is het saldo met het buitenland.
(S – I) + (B – O) is het nationaal spaarsaldo.
De nationale rekeningen zijn de boekhoudkundige weergave van de geldkringloop.

links
De economische kringloop plus uitwerking opgave (video 20 min.)
De economische kringlopen (video 10 min.)
Het nationaal inkomen en het kringloopmodel (www.let.leidenuniv.nl)

begrippenlijst

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

extra oefenopgaven (Word)                                                                                       .