LWEO

hoofdstuk 4

hoofdstuk 4

Goede tijden, slechte tijden

Hoogconjunctuur en laagconjunctuur
De productiecapaciteit en de bestedingen bepalen de hoogte van het bruto binnenlands product. De productiecapaciteit is bepalend voor de groei op lange termijn. Op korte termijn bepalen de bestedingen de hoogte van het bbp en dus het inkomen. De bestedingen kennen geen stabiel verloop, soms zijn de bestedingen hoger dan de gemiddelde groei (trend) en soms zijn ze lager. We noemen dit de conjunctuurbeweging of kortweg de conjunctuur. Bij een groei boven de trend is er sprake van hoogconjunctuur, bij een groei lager dan de trend is er sprake van laagconjunctuur. Bij een negatieve groei spreken we van een krimp van de economie. Er is sprake van een recessie als de economie twee opeenvolgende kwartalen krimpt. Een langdurige recessie wordt ook wel een depressie genoemd.

Gevolgen van hoog- en laagconjunctuur
Aanhoudende laagconjunctuur leidt tot onderbesteding: de productiecapaciteit is onderbezet en daardoor ontstaat conjuncturele werkloosheid. Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding, een situatie waarin de bestedingen zo hoog zijn dat de grenzen van de productiecapaciteit bereikt worden. Dit kan leiden tot meer inflatie en een krappe arbeidsmarkt. De productiecapaciteit is de hoeveelheid goederen die een land maximaal kan produceren in een jaar. Als de bestedingen stijgen, neemt het nationaal inkomen toe, wordt er meer geconsumeerd en meer geïnvesteerd, neemt de import toe, stijgen de belastinginkomsten en kunnen de overheidsuitgaven dalen. Als de bestedingen dalen, neemt het nationaal inkomen af, daalt de consumptie en de investeringen, daalt de import, dalen de belastinginkomsten en stijgen de overheidsuitgaven.

Conjunctuurindicatoren
Het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert voor de voorspelling van de ontwikkeling van het bbp, de zogenaamde conjunctuurindicatoren. Het zijn aanwijzingen die iets zeggen over het verwachte conjunctuurverloop.

De geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod
De geaggregeerde vraag is de totale hoeveelheid goederen en diensten die consumenten, producenten en overheid willen kopen (vragen). De geaggregeerde vraagcurve is het grafisch verband tussen het prijspeil en de gevraagde hoeveelheid goederen en diensten. Het geaggregeerd aanbod is de totale hoeveelheid goederen en diensten die bedrijven willen produceren en verkopen. De geaggregeerde aanbodcurve is het grafisch verband tussen het prijspeil en de aangeboden (geproduceerde) hoeveelheid goederen en diensten.

Conjunctuurbeleid
Anticyclisch conjunctuurbeleid is overheidsbeleid dat tegen de conjunctuurgolf ingaat om zo de conjunctuurschommelingen te dempen. Als het slecht gaat met de economie (productie daalt, werkloosheid stijgt, enzovoort) dan stimuleert de overheid de economie door de belastingen te verlagen en/of de overheidsbestedingen te verhogen. Door hogere overheidsbestedingen stijgt de productie en daalt de werkloosheid. Door lagere belastingen stijgt het besteedbaar inkomen waardoor gezinnen en bedrijven meer gaan consumeren en investeren. Daardoor stijgt de productie en daalt de werkloosheid. Procyclisch conjunctuurbeleid is overheidsbeleid dat de conjunctuurgolf verstrekt. Dit gebeurt als de overheid gaat bezuinigen terwijl het slecht gaat met de economie.
Fisher
M = maatschappelijk geldhoeveelheid = de hoeveelheid geld in handen van het publiek.
V = de omloopsnelheid van het geld = aantal keer dat het geld van hand tot hand gaat in een periode.
P = prijspeil
Y = reëel nationaal product (reëel bbp)
Verkeersvergelijking van Fisher:
M × V = P × Y
M × V = geldstroom
P × Y = goederenstroom = nominaal nationaal inkomen (bbp)
Er wordt verondersteld dat V redelijk constant is.

Korte termijn
Als M stijgt en V constant is, dan stijgt de goederenstroom (P × Y). Op de korte termijn is er sprake van prijsstarheid (prijsrigiditeit), dat betekent dat P gelijk blijft en dus stijgt het reëel nationaal product (Y). De productie zal dus toenemen. Dat kan als er sprake is van laagconjunctuur, als de productiecapaciteit niet volledig wordt benut. Bij hoogconjunctuur wordt de productiecapaciteit volledig benut en leidt een stijging van M automatisch tot een stijging van P omdat de reële productie (Y) niet kan toenemen.

Lange termijn
Op de lange termijn wordt de groei van de productie bepaald door de groei van de productiecapaciteit (door de groei van de productiefactoren) en heeft de geldhoeveelheid geen invloed. Dus als M stijgt en V is constant, stijgt Y niet maar P en krijg je inflatie. Omdat M op de lange termijn geen invloed heeft op de productie wordt er ook wel gesproken van de neutraliteit van het geld.

De centrale bank
De centrale bank van Nederland is De Nederlandsche Bank (DNB), die valt onder de Europese Centrale Bank (ECB), de centrale bank van de Eurozone. De centrale bank is toezichthouder op financiële instellingen en uitgever van bankbiljetten en beheerder van monetaire reserves. De centrale bank voert het monetaire beleid uit. Het monetair beleid richt zich op de geldhoeveelheid om zodoende het prijspeil te beïnvloeden. Als de centrale bank de bestedingen wil aanmoedigen, bijvoorbeeld om de inflatie wat te verhogen, zal zij de rente verlagen. Een lagere rente leidt tot een grotere geldhoeveelheid en daardoor mogelijk hogere bestedingen omdat bedrijven en gezinnen meer gaan lenen en minder gaan sparen. Omgekeerd zal de centrale bank de rente verhogen als ze de inflatie wil tegengaan.

links
Goede tijden, slechte tijden (video 15 min.)
Conjunctuurklok (video 4 min.)
Consumentenvertrouwen ( video 3 min.)
Verkeersvergelijking van Fisher (video 8 min.)
Conjunctuurpolitiek (video 7 min.)
De geagregeerde vraagcurve (video 8 min.)
Macro-economische verkenningen (www.cpb.nl)
Inflatie (video 20 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)