LWEO

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

De economische kringloop

Inhoudsopgave hoofdstuk 3
3.1 De economische kringloop met alleen bedrijven en gezinnen
3.2 De kringloop met sparen en investeren
3.3 De kringloop met overheid en buitenland
3.4 Nationale rekeningen
3.5 Zelftest

De som van alle primaire inkomens van een land is gelijk aan de totale productiewaarde van dat land. De productiewaarde van een land staat beter bekend als het bruto binnenlands product.
Bruto en netto investeringen
Bij de investeringen van bedrijven maken we onderscheid tussen:
– vervangingsinvesteringen: hiervoor reserveren bedrijven geld in de vorm van afschrijvingen.
– uitbreidingsinvesteringen: hierdoor neemt de productiecapaciteit van bedrijven toe.
– voorraadinvesteringen: als de bestedingen lager zijn dan de productie blijven bedrijven met onverkochte producten zitten. De voorraad neemt dan toe.
Vervangingsinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen zijn investeringen in vaste kapitaalgoederen. Voorraadinvesteringen zijn investeringen in vlottende kapitaalgoederen.
Uitbreidingsinvesteringen en voorraadinvesteringen vormen samen de netto investeringen. De netto investeringen worden gefinancierd met geld dat de gezinnen sparen.
Netto investeringen plus vervangingsinvesteringen noemen we bruto investeringen.
Naar aanleiding van de begrippen bruto en netto investeringen wordt onderscheid gemaakt in bruto binnenlands product en netto binnenlands product

Netto binnenlands product = bruto binnenlands product – afschrijvingen.

De nationale rekeningen
De nationale rekeningen zijn een boekhoudkundige beschrijving van de middelen en bestedingen van de gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland. Een ander naam voor nationale rekeningen is de ‘staat van middelen en bestedingen’.?
De economische kringloop met overheid en buitenland
In onderstaande figuur is de geldkringloop getekend. Door het beschikbaar stellen van productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap) ontvangen de gezinnen inkomen. Dit inkomen wordt door de gezinnen aangewend om consumptiegoederen te kopen en belastingen te betalen. Wat gezinnen niet besteden/uitgeven, sparen ze. De overheidsbestedingen worden betaald met belastingen die zij van gezinnen ontvangt. Het tekort van de overheid leent zij bij de banken. De bedrijven produceren goederen voor de consumptie van de gezinnen, voor de overheid, voor het buitenland en voor bedrijven (investeringen). Een deel van de productie importeren de bedrijven uit het buitenland. Omdat wij meer exporteren dan importeren heeft het buitenland een tekort dat gefinancierd wordt via de banken (besparingen van de gezinnen).

E – M: saldo export en import.
O – B: overheidssaldo.
W = Y: binnenlands product = binnenlands inkomen.
Y = C + B + S: het inkomen van de gezinnen is gelijk aan de som van consumptie, belastingen en besparingen.
Y = C + I + O + E – M: bestedingen van gezinnen, overheid en buitenland.
(S – I) = (O – B) + (E – M): de besparingen van de gezinnen worden gebruikt om de netto investeringen van de bedrijven, de tekorten van de overheid en het tekort van het buitenland te financieren.

Links
De economische kringloop plus uitwerking opgave: video 20 min.
De economische kringlopen: uitleg, video 10 min.
Economische kringloop en nationale rekeningen: website.
Het nationaal inkomen en het kringloopmodel: website.
Leerdoelen hoofdstuk 3
Leerlingen kunnen:
• de relatie beschrijven tussen het bruto binnenlands product en het netto binnenlands product.
• het bruto binnenlands product kunnen berekenen als de som van de bestedingen (consumptie, investeringen, overheidsbestedingen en export – import), de som van de toegevoegde waarde plus de afschrijvingen, de som van de beloningen voor de productiefactoren en de afschrijvingen.
• het verband tussen de productie, het inkomen en de bestedingen verklaren en rekenkundig onderbouwen.
• de geldkringloop voor een gesloten en open economie kunnen beschrijven.
• onderscheid kunnen maken tussen de reële kringloop en de geldkringloop.
• verklaren dat de voorraden een buffer vormen tussen de voorgenomen productie van bedrijven en de feitelijke bestedingen.
• het systeem van de nationale rekeningen uitleggen en daarbij de sectoren gezinnen, ondernemingen, overheid en buitenland onderscheiden.
• met behulp van berekeningen de geldkringloop en de nationale rekeningen verhelderen.
Kernbegrippen hoofdstuk 3
Bruto binnenlands product – bruto binnenlands inkomen – economische kringloop – reële kringloop – geldkringloop – vervangingsinvesteringen – afschrijvingen – uitbreidingsinvesteringen – investeringen in voorraden – bruto investeringen – netto investeringen – netto binnenlands product – netto binnenlands inkomen.

Begrippenlijst


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.