LWEO

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

De structuur

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1 Groeifactoren
4.2 Productiefactoren
4.2.1 Arbeid
4.2.2 Kapitaal
4.2.3 Natuur
4.2.4 Ondernemerschap
4.3 Worden de rijke landen rijker en de arme landen armer?
4.4 Transfer
4.5 Zelftest

Productie en productiecapaciteit
De hoogte van het bruto binnenlands product wordt bepaald door de productiecapaciteit en de bestedingen. De productiecapaciteit geeft aan wat er maximaal geproduceerd kan worden.

productie
Bezettingsgraad = —————————- × 100%
productiecapaciteit

Bij productiecapaciteit gaat het om de aanbodkant of structurele kant van de economie. Op lange termijn bepaalt de productiecapaciteit de hoogte van het bruto binnenlands product en daarmee ook de hoogte van het nationaal inkomen.
De gemiddelde groei van de productie op lange termijn heet de trendmatige groei of kortweg de trend. De trendmatige groei van de productie is afhankelijk van de ontwikkeling van de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap.
Arbeid
Bij de productiefactor arbeid gaat het om kwaliteit en kwantiteit. Een hogere kwaliteit van de beroepsbevolking betekent een hogere arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit wordt bepaald door:
– de mate van scholing van de beroepsbevolking. Investeren in menselijk kapitaal verhoogt de arbeidsproductiviteit.
– de efficiëntie (doelmatigheid) van de organisatie. Arbeidsdeling en specialisatie maken het mogelijk productieprocessen te mechaniseren en te automatiseren. Hierdoor stijgt de arbeidsproductiviteit.
– de arbeidsmentaliteit. Als werknemers met veel inzet hun werk verrichten, verhoogt dat de arbeidsproductiviteit.
Het aanbod van arbeid op de arbeidsmarkt verhoogt de productiecapaciteit. Het aanbod op de arbeidsmarkt wordt bepaald door:
– de omvang van de bevolking (geboortes, immigratie en emigratie);
– de samenstelling van de beroepsbevolking (vergrijzing);
– de participatiegraad;
– de wetgeving (leerplichtleeftijd, pensioenleeftijd).
De overheid bemoeit zich uitgebreid met de kwaliteit en omvang van de beroepsbevolking. Allereerst door voor goed onderwijs te zorgen. Daarnaast probeert zij de arbeidsparticipatie te vergroten door het stimuleren van deeltijdarbeid en kinderopvang.
Kapitaal
Meer en betere kapitaalgoederen vergroten de productiecapaciteit. Door toepassing van nieuwe technologieën stijgt de arbeidsproductiviteit. Nieuwe, betere productieprocessen heten innovaties. Via subsidies stimuleert de overheid bepaalde investeringen in kapitaalgoederen (vernieuwende, milieuvriendelijke). Met heffingen kan zij ongewenste investeringen (vervuilende) ontmoedigen.
Natuur
Natuurlijke omstandigheden als aanwezigheid van grondstoffen, het klimaat, rivieren, etc. bepalen mede de samenstelling van de productie van een land. De natuur is een belangrijke, maar moeilijk te beïnvloeden productiefactor.
Ondernemerschap
Bij ondernemerschap gaat het om kennis, inzichten en activiteiten van mensen. Goed ondernemerschap kan zorgen voor een efficiënte organisatie van het productieproces.
Convergentie en divergentie
Als het inkomen per hoofd van de bevolking tussen arme en rijke landen naar elkaar toegroeit is er sprake van convergentie. Groeit het inkomen per hoofd van bevolking tussen rijke en arme landen uit elkaar, dan spreken we van divergentie.
Algemeen werd gedacht dat het inkomen in arme landen sterker zou groeien dan in rijke landen. Dit omdat bedrijven uitwijken naar arme (lage lonen) landen. Ook het kapitaal zou uitwijken naar arme landen omdat het kapitaal daar schaars is en dus hoge opbrengsten kan genereren. Dit beeld kan met cijfers niet bevestigd worden. Wel laten landen als China en India al een aantal jaren een zeer sterke groei zien.

Links
Welvaart en groei, videofilm van NTR 15 min.

Leerdoelen hoofdstuk 4
Leerlingen kunnen:
• uitleggen hoe ontwikkelingen van de verschillende productiefactoren de samenstelling en omvang van de productiecapaciteit kunnen beïnvloeden.
• uitleggen wat de invloed is van de verschillende productiefactoren op de hoogte en groei van het bruto binnenlands product.
• uitleggen dat menselijk kapitaal en technologische vooruitgang van steeds groter economisch belang zijn.
• uitleggen door welke factoren de arbeidsproductiviteit bepaald wordt.
• aangeven welke factoren de grootte van de beroepsbevolking bepalen.
• verklaren wat de invloed van investeringen kan zijn op de arbeidproductiviteit en de productiecapaciteit.
• verklaren of er sprake is van convergentie of divergentie tussen ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen aan de hand van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product.
• berekeningen kunnen maken waarmee aangetoond kan worden dat er sprake is van convergentie of divergentie.
• de productiviteitsontwikkeling in de verschillende sectoren van de economie kunnen beschrijven.
• verklaren wat de invloed is van de verschillen in de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit op de omvang en de prijzen van producten.

Kernbegrippen hoofdstuk 4
Bruto binnenlands product – aanbodkant van de economie – structurele kant van de economie – volume van de productie – reële productie – trendmatige groei – productiefactoren – kwaliteit van de beroepsbevolking – arbeidsproductiviteit – menselijk kapitaal – mechaniseren – automatiseren – kapitaal – vaste kapitaalgoederen – kapitaalintensiever – arbeidsintensiteit – innovatie – ondernemerschap – convergentie – divergentie – inkomensratio.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

aanbodkant van de economie
(= structurele kant van de economie) Alles wat te maken heeft met het produceren van goederen en diensten.
arbeidsintensiever
Het productieproces gaat meer arbeid gebruiken ten opzichte van kapitaal.
arbeidsproductiviteit
De productie per werknemer per tijdsperiode.
automatiseren
De bediening van machines wordt overgenomen door computers.
bruto binnenlands product  (bbp)
De toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid bij elkaar opgeteld.
convergentie
Het verschijnsel dat landen economisch naar elkaar toe groeien.
divergentie
Het verschijnsel dat landen economisch uit elkaar groeien. De verschillen tussen de landen op het gebied van inflatie, loonkosten, overheidstekort en overheidsschuld worden groter.
inkomensratio
Het inkomen per hoofd in verschillende landen vergeleken met het inkomen per hoofd in één bepaald land (bijvoorbeeld Nederland).

 inkomen per hoofd land X
Inkomensratio = ————————————
inkomen per hoofd Nederland

innovatie
Vernieuwing van producten en/of productie¬processen.
kapitaal         
De fabrieken, machines, gereedschappen, grondstoffen en voorraden eindproduct die bij de productie worden ingezet en/of geldkapitaal.
kapitaalintensiever
Het productieproces gaat meer kapitaal gebruiken ten opzichte van arbeid.
kwaliteit van de beroepsbevolking
Wordt bepaald door zaken als: de opleidingsgraad, de mentaliteit en de efficiëntie van de organisatie en wordt vaak gemeten door te kijken naar de arbeidsproductiviteit.
mechaniseren
Het vervangen van arbeidsintensieve productie¬processen door kapitaalintensieve productie¬processen. Arbeiders worden vervangen door machines waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.
menselijk kapitaal
De beroepsbevolking kun je als ‘kapitaal’ beschouwen, waarin je kunt investeren door bijvoorbeeld bijscholing.
ondernemerschap  
Een productiefactor die beloond wordt voor het dragen van de economische risico’s die ontstaan door het combineren van de andere productiefactoren (arbeid, natuur, kapitaal).
productiefactoren 
De middelen waarmee wordt geproduceerd, namelijk arbeid, ondernemerschap, kapitaal(goederen) en natuur(lijke hulpbronnen).
reële productie
De hoeveelheid goederen en diensten die geproduceerd wordt.
structurele kant van de economie
Zie aanbodkant van de economie
trendmatige groei
(= trend) De gemiddelde groei van de productie over een langere periode.
vaste kapitaalgoederen
Kapitaalgoederen die meerdere jaren meegaan, zoals gebouwen en machines.
volume van de productie
(= reële productie) De hoeveelheid goederen en diensten die geproduceerd wordt.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.