LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Slechte tijden

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 Transportsector in de problemen
5.2 Conjunctuur
5.3 Conjunctuurindicatoren
5.4 Conjunctuur grafisch
5.5 Conjunctuurbeleid
5.6 Fisher
5.7 Transfer
5.8 Zelftest

Hoogconjunctuur en laagconjunctuur
Zoals in hoofdstuk 4 wordt opgemerkt bepalen de productiecapaciteit en de bestedingen de hoogte van het bruto binnenlands product. De productiecapaciteit is bepalend voor de groei op lange termijn. Op korte termijn bepalen de bestedingen de hoogte van het bbp en dus ook van het inkomen. De bestedingen kennen geen stabiel verloop, soms zijn de bestedingen hoger dan de gemiddelde groei (trend) en soms zijn ze lager. We noemen dit de conjunctuurbeweging of kortweg de conjunctuur. Bij een groei boven de trend is er sprake van hoogconjunctuur, bij een groei lager dan de trend is er sprake van laagconjunctuur. Afnemende groei van het nationaal inkomen beneden de trendmatige groei heet een recessie. Bij een depressie is de groei negatief. We spreken dan van krimp.
Gevolgen van hoog- en laagconjunctuur
Aanhoudende laagconjunctuur leidt tot onderbesteding:de productiecapaciteit is onderbezet en daardoor ontstaat conjuncturele werkloosheid. Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding, een situatie waarin de bestedingen zo hoog zijn dat de grenzen van de productiecapaciteit bereikt worden. Dit kan leiden tot meer inflatie en een krappe arbeidsmarkt.
Als de bestedingen stijgen, neemt het nationaal inkomen toe, wordt er meer geconsumeerd en meer geïnvesteerd, neemt de import toe, stijgen de belastinginkomsten en kunnen de overheidsuitgaven dalen.
Als de bestedingen dalen, neemt het nationaal inkomen af, daalt de consumptie en de investeringen, daalt de import, dalen de belastinginkomsten en stijgen de overheidsuitgaven.
Conjunctuurindicatoren
Aanwijzingen voor de ontwikkeling van het bbp noemen we conjunctuurindicatoren. Conjunctuurindicatoren zijn van invloed op het bbp en worden ook weer beïnvloed door het bbp. Het CBS hanteert drie soorten conjunctuurindicatoren:
– vertrouwensindicatoren: consumentenvertrouwen, productenvertrouwen, orderportefeuille.
– economische indicatoren: bbp, investeringen, productie, consumptie, uitvoer, rente.
– arbeidsmarktindicatoren: arbeidsvolume, uitzenduren, werkloosheid, vacatures.
Productie en prijspeil
Veranderingen van bestedingen kunnen invloed hebben op de hoeveelheid productie (het reële bbp) en op het (gemiddelde) prijspeil. De invloed is afhankelijk van de horizon waarop we dit bekijken. Op korte termijn is de reactie van veranderende bestedingen anders dan op lange termijn.
Korte termijn
Op korte termijn kent de geaggregeerde aanbodcurve, dat is het aanbod van alle producten bij elkaar, een horizontaal verloop. Dat wil zeggen dat bij een verandering van de bestedingen of de vraag de prijzen niet dalen of stijgen. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat op korte termijn de lonen zich niet aanpassen aan de veranderende economische situatie. De hoogte van het loon is vastgelegd in een CAO (of wettelijk via het minimum loon) en kan tussentijds niet aangepast worden. Lonen zijn niet flexibel maar star. Dit leidt ertoe dat bij een daling van de bestedingen de prijzen niet dalen: we spreken in dit verband van starre prijzen (prijsrigiditeit). Het gevolg van dalende bestedingen is een daling van het bbp en een toenemende werkloosheid.


Lange termijn
Op lange termijn passen de lonen zich aan aan de situatie op de arbeidsmarkt. Het geaggregeerde aanbod wordt hierdoor niet meer afhankelijk van de prijs, maar van de hoeveelheid beschikbare productiefactoren. De geaggregeerde aanbodfunctie loopt dan verticaal. In zo’n situatie leidt een daling van de bestedingen alleen maar tot een prijsdaling, de geproduceerde hoeveelheid blijft gelijk. Op lange termijn passen lonen en prijzen zich aan en blijft de geproduceerde hoeveelheid hetzelfde.

Conjunctuurbeleid
Sterke conjunctuurschommelingen hebben nadelen. Met name laagconjunctuur met werkloosheid wordt als ongewenst gezien. Daarom beïnvloedt de overheid de conjunctuur. Bij laagconjunctuur stimuleert de overheid de economie door haar eigen bestedingen te verhogen of belastingen te verlagen. De overheid voert dus een anticyclisch conjunctuurbeleid: een beleid tegen de conjunctuur in. Overheidsbeleid dat de cyclus versterkt noemen we procyclisch conjunctuurbeleid. Zo werken bezuinigingen tijdens een recessie procyclisch.
(automatische) conjunctuurstabilisatoren
De overheid kan door het verhogen/verlagen van haar uitgaven/ontvangsten de conjunctuur afzwakken. Datzelfde doen ook sociale uitkeringen en progressieve belastingen: zij worden automatische conjunctuurstabilisatoren genoemd.
Als mensen werkloos worden krijgen ze een uitkering waardoor de bestedingen toch enigszins op peil blijven. Op die manier beperken sociale uitkeringen de onderbesteding, waardoor de conjunctuurgolf afgevlakt wordt.
Een progressief belastingsysteem leidt ertoe dat in een situatie van hoogconjunctuur nettolonen minder sterk stijgen dan de brutolonen omdat je bij stijging van het loon in procenten meer belasting moet betalen. Bij onderbesteding betalen mensen bij een dalend inkomen juist een lager percentage aan belasting waardoor zij er netto minder op achteruitgaan. Ook dat vlakt de conjunctuur af.
Fisher
De verkeersvergelijking van Fisher is als volgt: M × V = P × Y. Hierin is M de maatschappelijke geldhoeveelheid, V de omloopsnelheid van het geld, P het prijspeil en Y het reëel nationaal product (bbp),
M × V = geldstroom is gelijk aan P × Y de goederenstroom (€ 100 × 6 = € 3 × 200).
Uit onderzoek blijkt dat de omloopsnelheid (V) van het geld redelijk constant is. Als de centrale bank meer geld in omloop brengt, zal de geldstroom (M × V) stijgen. Uit de verkeersvergelijking van Fisher volgt dan dat de goederenstroom (P × Y) ook zal stijgen.
Maar wat stijgt er nu, P of Y? Ook hierin speelt de termijn waarop we dat bekijken een belangrijke rol.
Korte termijn
Omdat op korte termijn sprake is van starre prijzen zal een verhoging van de geldhoeveelheid moeten leiden tot een verhoging van het reëel nationaal product (Y). Echter dat kan alleen als de productiecapaciteit nog niet volledig is benut. Bij laagconjunctuur kan het vergroten van de geldhoeveelheid de economie stimuleren. Deze situatie verandert echter als op korte termijn de omloopsnelheid van het geld verandert, bijvoorbeeld doordat consumenten in een periode van laagconjunctuur hun geld minder snel uitgeven (in een sok sparen).
Is er sprake van hoogconjunctuur met een hoge bezettingsgraad, dan zal een toename van de geldhoeveelheid leiden tot een stijging van het gemiddelde prijspeil (P). De reële productie kan dan niet verder uitgebreid worden.
Lange termijn
De groei van het reëel nationaal inkomen wordt bepaald door aanbodfactoren als arbeid en is onafhankelijk van de geldhoeveelheid. Een stijging van de geldhoeveelheid leidt dan niet tot een stijging van Y. Omdat de omloopsnelheid (V) constant is, leidt een stijging van de geldhoeveelheid (M) tot een stijging van het prijspeil (P).
Dit noemen we de neutraliteit van geld. Groei van de maatschappelijke geldhoeveelheid leidt niet tot meer productie, maar tot meer inflatie. Door de groei van de maatschappelijke geldhoeveelheid te beheersen, probeert de ECB de inflatie laag te houden.

Links
Conjuncturele ontwikkeling: video NTR 15 minuten.
Goede tijden, slechte tijden: video NTR 15 minuten.
Geactualiseerde CPB-raming 2013-2014: website.
Conjunctuur en conjunctuurindicatoren: video 10 min.
Hoe werkt de conjunctuurklok (Youtube/CBS/4 minuten).
Consumentenvertrouwen (Youtube/CBS/3 minuten).
Verkeersvergelijking van FIsher: video 8 min.
Conjunctuurpolitiek: video 7 min.
De geagregeerde vraagcurve: video 8 min.
MEV 2013 (macro-economische verkenningen van het CPB:website/pdf.
Uitleg inflatie: videofilm 20 min.

Leerdoelen hoofdstuk 5
Leerlingen kunnen:
• de feitelijke groei van het bbp vergelijken met de trendmatige groei.
• beschrijven wat de gevolgen zijn van laagconjunctuur en hoogconjunctuur.
• voorbeelden geven van conjunctuurindicatoren.
• aantonen dat conjunctuurindicatoren aanwijzingen kunnen geven voor veranderingen in de groei van het bbp.
• geaggregeerde vraagcurve en geaggregeerde aanbodcurve tekenen.
• aan de hand van de geaggregeerde vraag en het geaggregeerde aanbod de relatie tussen de hoeveelheid goederen en diensten en het nationale prijsniveau bepalen en dit grafisch onderbouwen.
• uitleggen wat de oorzaak van loonstarheid is.
• de gevolgen uitleggen van prijsrigiditeit op de korte termijn.
• de gevolgen uitleggen van flexibele prijzen op de langere termijn.
• toelichten op welke wijze de overheid conjunctuurbeleid kan voeren.
• onderscheid maken tussen anticyclisch en procyclisch conjunctuurbeleid.
• voorbeelden geven van ingebouwde conjunctuurstabilisatoren.
• aantonen dat ingebouwde stabilisatoren een dempende invloed kunnen hebben op de schommelingen in de conjunctuur.
• de neutraliteit van geld uitleggen aan de hand van de verkeersvergelijking van Fisher en deze relaties rekenkundig onderbouwen.

Kernbegrippen hoofdstuk 5
Conjunctuur – recessie – depressie – conjunctuurindicatoren – consumentenvertrouwen – geaggregeerde vraagcurve – geaggregeerde aanbodcurve – geaggregeerde vraag en aanbod – prijsrigiditeit – anticyclisch conjunctuurbeleid – procyclisch conjunctuurbeleid – ingebouwde stabilisator – maatschappelijke geldhoeveelheid – omloopsnelheid van het geld – verkeersvergelijking van Fisher – neutraliteit van het geld.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

anticyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat tegen de conjunctuurgolf ingaat om zo de conjunctuurschommelingen te dempen. Als het slecht gaat met de economie dan stimuleert de overheid de economie door de belastingen te verlagen en/of de overheidsbestedingen te verhogen.
conjunctuur
De groei van het nationaal inkomen (bbp) ten opzichte van de gemiddelde groei (trendmatige groei). Als het nationaal inkomen langzamer groeit dan de trendmatige groei of krimpt spreken we van laagconjunctuur. Bij een groei boven de trendmatige groei spreken we van hoogconjunctuur.
conjunctuurindicatoren
Aanwijzingen die iets zeggen over het verwachte conjunctuurverloop.
consumentenvertrouwen
Geeft informatie over de verwachtingen van consumenten over de ontwikkeling van de economie.
depressie
(= krimp) Negatieve economische groei.
geaggregeerd aanbod
De totale hoeveelheid goederen en diensten die bedrijven willen produceren en verkopen.
geaggregeerde aanbodcurve
Het grafisch verband tussen het prijspeil en de aangeboden (geproduceerde) hoeveelheid goederen en diensten.
geaggregeerde vraag
De totale hoeveelheid goederen en diensten die consumenten, producenten en overheid willen kopen (vragen).
geaggregeerde vraagcurve
Het grafisch verband tussen het prijspeil en de gevraagde hoeveelheid goederen en diensten.
ingebouwde stabilisatoren
Mechanismen waardoor conjunctuurschommelingen automatisch worden afgezwakt, bijvoorbeeld sociale uitkeringen en progressieve belastingen.
maatschappelijk geldhoeveelheid
De hoeveelheid geld in handen van het publiek.
neutraliteit van het geld
Op de lange termijn heeft het geld (M) geen invloed op de groei van de reële productie (Y), omdat op de lange termijn de groei van de productie bepaald wordt door de groei van de productiecapaciteit (door de groei van de productiefactoren). Dus als M stijgt, krijg je inflatie.
omloopsnelheid van het geld
Het aantal keer dat het geld van hand tot hand gaat in een periode.
prijsrigiditeit (= prijsstarheid)
De prijzen kunnen op de korte termijn door bijvoorbeeld loonstarheid niet gewijzigd worden.
procyclisch conjunctuurbeleid
Beleid van de overheid dat de conjunctuurgolf versterkt, zoals lagere overheidsbestedingen of belasting-verhoging tijdens laagconjunctuur.
recessie
Afnemende economische groei beneden de trendmatige groei.
verkeersvergelijking van Fisher
Een vergelijking waarmee de invloed van het geld op de economie op de korte en lange termijn kan worden geanalyseerd (M × V = P × Y).

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.