LWEO

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 4

De lucht in

Inhoudsopgave hoofdstuk 4
4.1 Waarom vliegen?
4.2 De vraag naar vliegreizen
4.3 Het aanbod van vliegreizen
4.4 Consumentensurplus en producentensurplus in het evenwicht.
4.5 Transfer
4.6 Zelftest

De vraag
De vraag naar vliegreizen is afhankelijk van diverse factoren zoals de prijs, het inkomen, de groei van de economie, de prijs van andere vervoersmiddelen, de groei van de bevolking en ga zo maar door. Een vraaglijn of vraagfunctie naar vliegreizen geeft het verband tussen de prijs en de vraag er van uitgaande dat alle andere factoren die van invloed zijn op de vraag naar vliegreizen niet veranderen (constant blijven). In de economie noemen we dat de ceteris paribus voorwaarde.
Over de relatie tussen de prijs en de vraag naar vliegreizen kun je alleen maar zinnige uitspraken doen, c.q. het juiste verband vaststellen, als de overigen factoren die van invloed zijn niet veranderen. Want wat als de prijs van vliegtickets daalt en door een aantal vliegtuigcrashes mensen minder geneigd zijn om te vliegen? Zal de vraag dan toe- of afnemen? Het is allebei mogelijk.
Verschuiving op/over de vraaglijn en verschuiving van de vraaglijn.
Er is sprake van een negatief verband tussen de vraag en de prijs. Als de prijs stijgt, daalt de vraag en als de prijs daalt, stijgt de vraag. Hierbij is er sprake van een verschuiving op of over de vraaglijn.
Als de andere factoren die de vraag beïnvloeden veranderen, zoals het inkomen of de prijs van alternatieve vervoersmiddelen, verschuift de vraaglijn naar links (boven) of naar rechts (onder). Als het reëel inkomen van de mensen achteruit gaat als gevolg van forse bezuinigingen zal de vraag naar vliegreizen naar links verschuiven. Bij eenzelfde prijs voor een vliegticket naar New York zullen dan minder mensen een vliegticket kopen.
Het aanbod
Ook het aanbod is naast de prijs afhankelijk van diverse andere factoren zoals een toe of afname van het aantal aanbieders, de toe of afname van de productiekosten, de toe of afname van heffingen door de overheid, etc.
De aanbodlijn of aanbodfunctie geeft het verband weer tussen de prijs en de hoeveelheid die producten bereid zijn om tegen die prijs aan te bieden. Ook hierbij geldt de ceteris paribus voorwaarde: de relatie tussen het aanbod en de prijs kan pas vastgesteld worden als alle ander factoren die van invloed zijn niet veranderen.
Verschuiving op/over de aanbodlijn en verschuiving van de aanbodlijn.
Als de prijs van een product veranderd, vindt er een verschuiving plaats over of op de aanbodlijn. In dit geval is er sprake van een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid. Stijgt de prijs dan zal er meer aangeboden worden, daalt de prijs dan wordt er minder aangeboden.
De aanbodlijn verschuift naar links (boven) of naar rechts (onder) als de andere factoren die van invloed zijn op het aanbod veranderen. Zo zal het opleggen van een accijns op de kerosine (brandstof voor vliegtuigen) de kosten voor de vliegmaatschappijen doen toenemen. Bij een gegeven prijs zullen minder vliegmaatschappijen een vliegticket aanbieden. De kosten zullen voor een aantal maatschappijen dan hoger zijn dan de opbrengsten. De aanbodlijn verschuift in dit geval naar links (boven). Omgekeerd zal het aanbod van vliegtickets toenemen als er minder brandstofslurpende vliegtuigen gebouwd worden. De aanbodlijn verschuift dan naar rechts (onder).
Evenwicht
Vraag(lijn) en aanbod(lijn) bepalen de prijs waarvoor het product wordt verhandeld. Waar beide lijnen elkaar snijden ontstaat er evenwicht. Dat wil zeggen dat tegen die prijs er net zoveel gevraagd als aangeboden wordt. Dit noemen we de evenwichtprijs en de bij die prijs aangeboden/gevraagde hoeveelheid noemen we de evenwichtshoeveelheid.
Betalingsbereidheid en het surplus
Veelal is er een verschil tussen dat wat een consument bereid is te betalen en dat wat hij uiteindelijk moet betalen om een product te verwerven. Wat een consument/vrager bereid is te betalen noemen we de betalingsbereidheid. Als je bereid bent om op een zeer hete en zonnige middag € 2 te betalen voor blikje cola en je kunt het blikje voor € 0,68 kopen dan behaal je een voordeel van € 2 – € 0,68 = € 1,32. Dat voordeel heet het consumentensurplus. Het consumentensurplus is het verschil tussen de betalingsbereidheid en de prijs die betaald moet worden. Iemand die niet bereid is om meer dan € 0,60 voor een blikje cola te betalen heeft pech. Zijn betalingsbereidheid is te laag en hier vindt geen transactie (verkoop) plaats.
Van een surplus is ook sprake bij de aanbieders. Als een aanbieder bereid is een blikje cola te verkopen voor € 0,40 en het blikje wordt verkocht voor € 0,68 dan heeft hij een voordeel van € 0,28. Dat voordeel noemen we het producentensurplus. Samen vormen het consumentensurplus en het producentensurplus de zogenaamde welvaartswinst.
In onderstaand voorbeeld is het consumentensurplus het gearceerde deel boven de prijs van € 80 en de vraaglijn en is het producentensurplus het gearceerde deel onder de prijs van € 80 en de aanbodlijn.

Links
De vraaglijn (clip: 1 minuut) Teleac
Consumentengedrag: filmpje van Teleac (15 minuten)
Vraag en aanbod: videofilmpje (9 min)
Collectieve vraagcurve en consumentensurplus: videofilmpje (13 minuten)
Consumenten- en producentensurplus: videofilmpje (13 minuten)
Hoe teken ik een vraaglijn? videofilmpje (9 minuten)
Hoe teken ik een aanbodlijn? videofilmpje (9 minuten)
Vraag, aanbod en marktevenwicht: videofilmpje (10 minuten)
Leerdoelen hoofdstuk 4
Leerlingen kunnen:
• effecten van substitutie en complementariteit van goederen op het koopgedrag van consumenten verhelderen.
• een vraaglijn (aanbodlijn) tekenen uit een vraagfunctie (aanbodfunctie).
• uitleggen welke factoren van invloed zijn op de vraag (het aanbod) naar (van) een product en hoe zij de vraag (het aanbod) beïnvloeden (meer of minder).
• voorbeelden geven van factoren waardoor de vraaglijn en/of aanbodlijn kunnen veranderen en dit zowel grafisch als rekenkundig onderbouwen.
• aantonen dat marktevenwicht ontstaat als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn en dit zowel grafisch als rekenkundig onderbouwen.
• het totale surplus in een grafiek aangeven.

Kernbegrippen hoofdstuk 4
Substitutiegoederen – complementaire goederen – betalingsbereidheid – consumentensurplus – vraagfuntie – negatief verband – ceteris-paribusvoorwaarde – producentensurplus – positief verband – aanbodfunctie – evenwichtsprijs – evenwichtshoeveelheid – totale surplus.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

aanbodfunctie
Geeft het verband weer tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid.
betalingsbereidheid
Het maximale bedrag dat je voor iets wilt betalen.
ceteris-paribusvoorwaarde
De voorwaarde dat alle andere factoren die invloed hebben, gelijk blijven.
complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen. Bijvoorbeeld vulling voor vulpen, batterijen voor rekenmachine. Deze producten horen bij elkaar.
consumentensurplus
Het bedrag dat de consument aan voordeel heeft omdat hij minder voor een goed hoeft te betalen dan hij maximaal wil betalen.
evenwichtshoeveelheid
Het aantal producten dat bij de evenwichtsprijs wordt aangeboden en wordt gevraagd.
evenwichtsprijs
De prijs die tot stand komt op een markt als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn.
marktevenwicht
De situatie waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Eén prijs komt tot stand: de evenwichtsprijs.
negatief verband
Een verband tussen twee grootheden waarbij het gevolg tegengesteld reageert op de oorzaak.
positief verband
Een verband tussen twee grootheden waarbij het gevolg in dezelfde richting reageert als de oorzaak.
producentensurplus
Het bedrag dat de producent aan voordeel heeft, omdat hij op de markt meer ontvangt voor zijn product dan waarvoor hij het minimaal wil verkopen.
substitutiegoederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen.
totale surplus
De som van het consumentensurplus en het producentensurplus.
vraagfunctie
Geeft het verband weer tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.