LWEO

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6

Hoe gevoelig is de automobilist?

Inhoudsopgave hoofdstuk 6
6.1 Wat kost het de maatschappij?
6.2 Anders betalen voor mobiliteit
6.3 Is de automobilist gevoelig voor prijsveranderingen?
6.4 Prijselasticiteit en omzet
6.5 Wat koop je als je inkomen stijgt?
6.6 Transfer
6.7 Zelftest
Leerdoelen hoofdstuk 6

Externe effecten
Een extern effect is een gevolg van productie en/of consumptie voor de welvaart van anderen die niet in der prijs van het product is doorberekend. Negatieve externe effecten verminderen de welvaart, positieve externe effecten vergroten de welvaart.
Bij de keuze van productie of consumptie spelen private opbrengsten en private kosten de belangrijkste rol. Maatschappelijke kosten of maatschappelijke opbrengsten – dat zijn kosten of opbrengsten voor anderen – geen of een ondergeschikte rol. De overheid probeert dit te corrigeren door het heffen van belastingen op schadelijke producten en door het geven van subsidies op productie en gebruik van goederen die positieve effecten hebben. Door het heffen van accijns op benzine worden de externe effecten van het autorijden (stank, lawaai) doorberekend in de benzineprijs. Hierdoor worden externe effecten intern gemaakt: ze worden geïnternaliseerd.
Rekeningrijden (bijvoorbeeld de kilometerheffing) is ook een middel om de externe effecten van het autorijden (vooral het fileprobleem) aan te pakken. Hierbij wordt het profijtbeginsel toegepast: de gebruiker van de weg betaalt.
Prijselasticiteit van de vraag
Hoe reageert de vraag op een verandering van de prijs?
Indien de procentuele afname van de vraag groter is dan de procentuele stijging van de prijs is de vraag prijsgevoelig of prijselastisch. Als de procentuele afname van de vraag kleiner is dan de procentuele stijging van de prijs, is de vraag prijsongevoelig of prijsinelastisch.
Ev = prijselasticiteit van de vraag.

Procentuele verandering van de Vraag (gevolg)
Ev = —————————————————-
Procentuele verandering van de Prijs (oorzaak)

De uitkomst is negatief omdat een stijging van de prijs leidt tot een daling van de vraag en een daling van de prijs leidt tot een stijging van de vraag (uitzondering statusgoederen)

-1 < Ev < 0 inelastische vraag
Ev = 0 vraag reageert helemaal niet op een prijsverandering: medicijnen
Ev ?-1 elastische vraag

Wel of niet prijsgevoelig
Het wel of niet prijsgevoelig zijn van de vraag is afhankelijk van:
– het feit of er substituten zijn, dit wil zeggen alternatieve goederen. Als er substituten zijn zullen vragers bij een prijsverhoging van een bepaald product het substituut (alternatief) kiezen. Ze reageren in dat geval sterk op een prijsverandering: dus hoge prijselasticiteit.
– de termijn waarop je dit bekijkt. Op korte termijn heb je niet altijd een alternatief, op lange termijn wel. Gevolg is dat de prijselasticiteit op korte termijn lager is dan op langere termijn.
– het soort goed. Noodzakelijke goederen (brood, water, kleding) zijn minder elastisch dan andere (niet zo noodzakelijke) goederen.

Inkomenselasticiteit
Hoe reageert de vraag op een verandering van het inkomen? Dit is afhankelijk van het soort goed.
Als het inkomen stijgt en de vraag neemt toe ? normale goederen (primaire en luxe goederen).
Als het inkomen stijgt en de vraag neemt af ? inferieure goederen.
Ey = inkomenselasticiteit

Procentuele verandering van de Vraag (gevolg)
Ey = —————————————————-
Procentuele verandering van het Inkomen (oorzaak)
primaire goederen 0 ? Ey ? 1 hierbij verzadigingsinkomen
luxe goederen Ey > 1 hierbij drempelinkomen
inferieure goederen Ey < 0

Links
Prijselasticiteit van de vraag: video (5 min)
Prijselasticiteit deel 1: video (6 min): grafisch en wiskundig.
Prijselasticiteit deel 2: video (5 min): grafisch en wiskundig.
Prijselasticiteit deel 3: video (5 min): grafisch en wiskundig.
Inkomenselasticiteit: video (10 min).

Leerdoelen hoofdstuk 6
Leerlingen kunnen:
• voorbeelden geven van negatieve en positieve externe effecten.
• beschrijven hoe de overheid negatieve externe effecten kan afremmen of vermijden.
• beschrijven hoe de overheid positieve externe effecten kan bevorderen.
• uitleggen wat de gevolgen zijn van heffingen en subsidies op de prijs van een product en de vraag naar dat product.
• het vraaggedrag van consumenten bij prijsveranderingen aantonen en onderbouwen met een berekening.
• de prijselasticiteit van de vraag omschrijven, toepassen en berekenen.
• de effecten van substitutie en complementariteit van goederen op het koopgedrag van consumenten verhelderen.
• het verband beschrijven tussen de aard van een goed en de hoogte van de prijselasticiteit van de vraag.
• uitleggen wat het effect is van een prijsverandering bij een elastisch/inelastisch product op de omzet.
• het vraaggedrag van consumenten bij inkomensveranderingen aantonen en onderbouwen met een berekening.
• de inkomenselasticiteit van de vraag omschrijven, berekenen en toepassen.
• voorbeelden geven inferieure, primaire, luxe en normale goederen.
• het verband beschrijven tussen de aard van een goed en de hoogte van de inkomenselasticiteit.

Kernbegrippen hoofdstuk 6
Extern effect – negatief extern effect – positief extern effect – maatschappelijke opbrengsten – maatschappelijke kosten – profijtbeginsel – prijselastische vraag – prijsinelastische vraag – prijselasticiteit van de vraag – normale goederen – primaire goederen – luxe goederen – inferieure goederen – inkomenselasticiteit van de vraag.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 6

extern effect
Een gevolg van productie en/of consumptie voor de welvaart van anderen die niet in de prijs van het product is doorberekend.
inferieur goed
Product waarvan de vraag afneemt als het inkomen stijgt.
inkomenselasticiteit van de vraag
De verandering van de vraag als gevolg van een verandering van het inkomen.
luxe goed
Product waarvan de vraag meer dan evenredig toeneemt als je inkomen stijgt.
maatschappelijke kosten
Kosten van economisch handelen voor de samenleving.
maatschappelijke opbrengsten
Opbrengsten van economisch handelen voor de samenleving.
negatieve externe effecten
Gevolgen van productie en/of consumptie die negatief zijn voor de welvaart van anderen en die niet verrekend zijn in de prijs van het product.
normaal goed
Product waarvan de vraag toeneemt als het inkomen stijgt.
positief extern effect
Gevolgen van productie en/of consumptie die positief zijn voor de welvaart van anderen en die niet verrekend zijn in de prijs van het product.
prijselasticiteit van de vraag
De verandering van de vraag als gevolg van een verandering van de prijs.
prijselastische vraag
De vraag reageert meer dan evenredig op een daling/stijging van de prijs.
prijsinelastische vraag
De vraag reageert minder dan evenredig op een daling/stijging van de prijs.
primair goed
Product waarvan de vraag minder dan evenredig toeneemt als het inkomen stijgt.
profijtbeginsel
De gebruiker van een bepaalde overheidsdienst betaalt hiervoor een directe bijdrage. Bijvoorbeeld bij een paspoort en het ophalen van afval.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door  HIER te klikken.