LWEO

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

Werkloosheid

Inhoudsopgave hoofdstuk 5
5.1 Hoeveel procent is er werkloos?
5.2 Hoe wordt werkloosheid gemeten?
5.3 Conjuncturele werkloosheid
5.4 Natuurlijke werkloosheid
5.5 Verschuivingen in werkgelegenheid
5.6 Arbeidsmarktbeleid
5.7 Transfer
5.8 Zelftest

Werkloosheidspercentage en het aantal werklozen

  aantal werklozen
werkloosheidspercentage = ———————-  x 100
  beroepsbevolking

Het aantal mensen dat in een bepaald jaar werkloos is kan als volgt berekend worden:
gemiddeld aantal werklozen in dat jaar × 12
—————————————————————-
gemiddelde duur van de werkloosheid in maanden

Als de gemiddelde duur van de werkloosheid laag is, is er sprake van een goede doorstroming op de arbeidsmarkt. Mensen worden wel werkloos maar vinden snel weer een baan.
Definitie van werkloos
Volgens het CBS is iemand werkloos als
– je zonder betaald werk zit,
– recent er naar hebt gezocht en
– direct beschikbaar bent, maar
– geen baan kunt krijgen.
Wil je in aanmerking komen voor een werkloosheidsuitkering (WW) dan moet je ingeschreven staan bij het UWV werkbedrijf. De hoogte en duur van de uitkering is afhankelijk van je arbeidsverleden.
Onvrijwillige werkloosheid
Iemand die niet bereid is tegen het evenwichtsloon te werken is vrijwillig werkloos. Is iemand wel bereid om tegen het evenwichtsloon te werken maar toch werkloos dan is hij onvrijwillig werkloos. Bij onvrijwillige werkloosheid kan er sprake zijn van conjuncturele werkloosheid of natuurlijke werkloosheid.

Conjuncturele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid vindt zijn oorsprong in vraaguitval en wordt veroorzaakt doordat op korte termijn de lonen niet flexibel zijn: er is sprake van loonstarheid.
Natuurlijke werkloosheid
Natuurlijke werkloosheid is werkloosheid die niet het gevolg is van de op- en neergang van de economie. Afhankelijk van de oorzaak wordt er onderscheid gemaakt tussen:
frictiewerkloosheid: is werkloosheid gedurende het zoekproces naar een baan.
structurele werkloosheid: is het gevolg van structurele veranderingen in de economie (verplaatsen van bedrijven naar lage lonenlanden, vervanging van arbeid door kapitaal, regionale verschillen) of door te hoge lonen (minimumloon).
Het saldo van baancreatie en baandestructie is de verandering in de werkgelegenheid.
Arbeidsmarktbeleid
De hoogte van de structurele werkloosheid kan door de overheid beïnvloed worden middels:
– de hoogte van het minimumloon;
– het scheppen van banen bij de overheid;
– het geven van subsidies aan bedrijven om laag geschoolden in dienst te nemen;
– scholing van mensen met een lage arbeidsproductiviteit.

Links
Werkloos …en dan (videofilmpje van SchoolTV: 7 minuten)
Ik wordt werkloos: wat te doen? Uitleg van UWV.
Onvrijwillig werkloos, De Regel Neef Van Koot en Bie: 8 min.
Kernindicatoren van de Nederlandse economie (CBS).
Geactualiseerde CPB-raming 2013-2014: website.

Leerdoelen hoofdstuk 5
• Uitleggen hoe soepel ontslagrecht doorwerkt op de kansen om ontslagen te worden en de kansen om aangenomen te worden.
• Uitleggen waarom de hoogte van de werkloosheid op een bepaald moment niets zegt over de duur van de werkloosheid en het totale aantal mensen dat in een periode werkloos is geweest.
• Uitleggen dat in situaties van laagconjunctuur door loonstarheid op korte termijn onvrijwillige werkloosheid ontstaat en op lange termijn, door werking van het marktmechanisme, het evenwicht hersteld kan worden en dit grafisch en rekenkundig onderbouwen.
• De volgende soorten werkloosheid beschrijven: natuurlijke werkloosheid, frictiewerkloosheid, structuurwerkloosheid, conjunctuurwerkloosheid.
• Uitleggen waarom hoge looneisen tot werkloosheid kunnen leiden.
• Beschrijven dat de overheid kan ingrijpen met behulp van prijsregulering zoals bijvoorbeeld minimumlonen en dit ingrijpen grafisch onderbouwen.
• Uitleggen hoe loonmatiging tot oplopende werkloosheid kan leiden.
Kernbegrippen hoofdstuk 5
Werkloosheidspercentage – werkloosheid – uwv werkbedrijf – arbeidsverleden – vraaguitval – conjuncturele werkloosheid (conjunctuurwerkloosheid) – ruime arbeidsmarkt – laagconjunctuur – hoogconjunctuur – krappe arbeidsmarkt – loonstarheid – onvrijwillige werkloosheid – loonflexibiliteit – natuurlijke werkloosheid – frictiewerkloosheid – structurele werkloosheid (structuur­werkloosheid) – creatie van werkgelegenheid (baan­creatie) – destructie van werkgelegenheid (baan­destructie) – arbeidsmobiliteit – evenwichtsloon – minimumloon –  stabilisator.

Begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 5

arbeidsmarktbeleid
Het geheel van maatregelen (beleid) van de overheid gericht op het bereiken van een evenwichtige ontwikkeling van de arbeidsmarkt.
arbeidsmobiliteit
De mate waarin mensen bereid zijn te veranderen van werkgever, beroep of regio.
arbeidsverleden
Het aantal jaren dat je hebt gewerkt.
conjuncturele werkloosheid
(= conjunctuurwerkloosheid) Werkloosheid die een gevolg is van het tekort schieten van de bestedingen ten opzichte van de productiecapaciteit, waardoor de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid.
creatie van werkgelegenheid
(= baancreatie) Het ontstaan van nieuwe banen bij bedrijven die groeien of bij nieuwe bedrijven.
destructie van werkgelegenheid
Het verloren gaan van banen bij bedrijven die krimpen of failliet gaan.
evenwichtsloon
Het loon waarbij vraag en aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar gelijk zijn.
frictiewerkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het feit dat er tussen het ontstaan van een vacature en het vervullen ervan tijd verloren gaat omdat een werkzoekende tijd nodig heeft om de baan te vinden en een werkgever tijd nodig heeft om een persoon te vinden. Dit komt onder andere voor bij schoolverlaters.
hoogconjunctuur
Periode waarin de groei van het nationaal inkomen hoger is dan de trendmatige groei.
krappe arbeidsmarkt
Een situatie op de arbeidsmarkt waarbij de vraag naar arbeid (door werkgevers) groter is dan het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking). Vacatures kunnen niet of slechts moeizaam vervuld worden.
laagconjunctuur
De bestedingen zijn lager dan de trend.
loonflexibiliteit
Lonen passen zich snel aan de veranderingen op de arbeidsmarkt aan.
loonstarheid
De lonen passen zich niet snel aan veranderingen op de arbeidsmarkt aan.
natuurlijke werkloosheid
Werkloosheid die niet het gevolg is van veranderingen in de economie. Frictiewerkloosheid en structurele werkloosheid zijn voorbeelden van natuurlijke werkloosheid.
onvrijwillige werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat doordat lonen zich op korte termijn niet aanpassen aan de marktsituatie. Hierdoor is het aanbod van arbeid groter dan de vraag naar arbeid.
ruime arbeidsmarkt
Een situatie op de arbeidsmarkt waarbij het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid. De werkgevers kunnen ruim kiezen uit de werklozen.
stabilisator       
Het stabiel maken, zorgen dat het zo min mogelijk verandert. Bij een laagconjunctuur zorgen uitkeringen ervoor dat de vraaguitval beperkt blijft. De uitkeringen werken zo als stabilisator van de economie.
structurele werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat door blijvende veranderingen in de economie zoals het vervangen van arbeid door machines, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en door te hoge lonen.
UWV WERKbedrijf
Instantie waar werklozen zich moeten laten inschrijven als ze in aanmerking willen komen voor een uitkering. Het WERKbedrijf biedt werkgevers informatie en voorzieningen bij het vinden van gekwalificeerd personeel en probeert werkzoekenden aan werk te helpen.
vraaguitval
Het teruglopen van de bestedingen.
werkloosheid
Je bent werkloos als je zonder betaald werk zit, recent er naar hebt gezocht en direct beschikbaar bent, maar geen baan kunt krijgen.
werkloosheidspercentage   
Werkloosheid uitgedrukt in een percentage van de beroepsbevolking.

Extra Oefenopgaven

Dit hoofdstuk heeft enkele extra oefenopgaven. Deze kun je als Word-document downloaden door HIER te klikken.