LWEO

hoofdstuk 7

hoofdstuk 7

De Phillipscurve: werkloosheid en inflatie

De Phillipscurve laat een negatief verband zien tussen werkloosheid en inflatie. De twee variabelen leken uitruilbaar: een vraagimpuls bijvoorbeeld zorgt voor een hogere inflatie en een lagere werkloosheid.

De Phillipscurve is het spiegelbeeld van de korte termijn aanbodfunctie. Deze laatste geeft een verband tussen prijspeil en reëel bbp; een hoog bbp staat voor een lage werkloosheid. In de jaren zeventig, na het uitbreken van de oliecrisis, werden zowel de inflatie als de werkloosheid torenhoog (stagflatie). Deze aanbodschok betekende dat de Phillipscurve, net als de korte termijn aanbodcurve, in zijn geheel verschoof: bij elk inflatieniveau was er een hogere werkloosheid. De verklaring voor de stagflatie werd gevonden in de inflatieverwachtingen. Eenmaal gewend aan de hoge inflatie wordt de inflatieverwachting ook hoog. De hoge inflatieverwachting wordt het uitgangspunt bij nieuwe contracten en zorgt voor een hoge feitelijke inflatie. Alleen als het de centrale bank lukt de inflatieverwachtingen naar beneden te krijgen, lukt het om ook de feitelijke inflatie te verminderen.

De lange termijn Phillipscurve is een verticale lijn. Deze lijn begint bij de NAIRU, de non-accelerating inflation rate of unemployement. De NAIRU is het niveau van werkloosheid waarbij van de arbeidsmarkt geen impuls uitgaat op het prijsniveau. Ligt de werkloosheid boven de NAIRU, dan ontstaat deflatie. Ligt de werkloosheid onder de NAIRU dan ontstaat inflatie. Bestedingsbeleid heeft slechts een tijdelijk effect op de werkloosheid, op den duur keert de werkloosheid terug naar de NAIRU.

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 7


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven
Extra oefenopgaven (Word)