LWEO

hoofdstuk 4

hoofdstuk 4

Marktmacht

Volgens de welvaartstheorie leiden alleen markten van volledige mededinging tot de hoogste welvaart. Een markt van volledige mededinging is Pareto-efficiënt. Markten met onvolledige mededinging zoals oligopolie en monopolie zijn niet Pareto-efficiënt. We spreken hierbij van marktfalen.

Monopolie = Marktmacht
Bedrijven die in staat zijn de prijzen te beïnvloeden, hebben marktmacht. Zo heeft een monopolist veel marktmacht en kan hij de prijs zelf bepalen. Bij een monopolie valt de aanbodlijn samen met de marginale kostenlijn (= volledige mededinging). Maar anders dan bij volledige mededinging valt de prijsafzetlijn van een monopolist samen met de collectieve vraaglijn. Dit omdat bij een monopolie alle vragers aangewezen zijn op dezelfde aanbieder. De prijsafzetlijn geeft weer hoeveel een aanbieder kan afzetten bij een bepaalde prijs. De gemiddelde opbrengstfunctie (GO) is te bepalen door de collectieve vraaglijn te herschrijven.
Qv (=q) = -0,2P + 10 → 0,2q = -q + 10 → GO = P = -5q + 50.
Met behulp van de GO kan de totale opbrengstenfunctie (TO) bepaald worden.
GO = -5q + 50
TO = GO × q = -5q2 + 50q
En met de TO kan de marginale opbrengstenfunctie (MO) afgeleid worden.
TO = -5q2 + 50q (eerste afgeleide berekenen)
MO = TO’= -10q + 50
De marginale kostenfunctie (MK) kan bepaald worden door de aanbodfunctie te herschrijven.
Qa (=q) = 0,4P – 2 → 0,4P = q + 2 → P = 2,5q + 5
En omdat P = MK → MK = 2,5q + 5
Een monopolist behaalt maximale totale winst bij MO = MK (is ook zo bij volledige mededinging).
MO = MK
-10q + 50 = 2,5q + 5
45 = 12,5q
Q = 3,6 (invullen in de prijsafzetfunctie)
P = -5q + 50 → P = -5 × 3,6 = 32

De verandering van een situatie van volledige mededinging naar monopolie (denk aan de taximarkt) heeft twee effecten op het surplus, namelijk:
• een verschuiving van een deel van het surplus van consument naar producent. Doordat de monopolist de prijs kan bepalen, weet hij een groter deel van het totale surplus naar zich toe te trekken.
• een afname van het totale surplus omdat prijsverhoging ertoe leidt dat het aantal vragen en dus het aantal ruiltransacties afneemt.

Bij een monopolie is de macht van de enige aanbieder groot. De monopolist heeft geen concurrenten en kan de prijs zelf bepalen, hij is prijszetter. Hij moet er wel rekening mee houden dat er bij een hogere prijs minder gevraagd zal worden. Bij prijsveranderingen moet hij rekening houden met de prijselasticiteit van de vraag naar zijn product. Ook moet de monopolist rekening houden met potentiële concurrenten. Hoge winsten lokken toetreders.

Prijsdiscriminatie
Indien een aanbieder verschillende prijzen vraagt voor een identiek product is er sprake van prijsdiscriminatie. Voor de monopolist is het van belang de betalingsbereidheid van zijn klanten te kennen. Indien hij dat weet, kan hij voor elke klant een prijs berekenen die gelijk aan de betalingsbereidheid van die klant. Zou de monopolist hierin slagen, dan kan hij de perfecte prijsdiscriminatie doorvoeren en zich het gehele consumentensurplus toe-eigenen.

Het beperken van marktmacht
Afspraken tussen bedrijven met het doel de onderlinge concurrentie te beperken (kartel) zijn verboden. Ook het opwerpen van belemmeringen bedoeld om toetreders tot de markt te ontmoedigen, is verboden. Fusies en overnames zijn alleen toegestaan als er voldoende concurrentie overblijft. Instituties die hierop toezien zijn de NMa, de OPTA en de AFM.

Marktmacht is niet altijd ongewenst
Schaduwkanten van volledige mededinging:
– homogeniteit van de producten (één type spijkerbroek);
– gebrek aan innovaties.
De overheid stimuleert innovaties door het toekennen van octrooien (patenten). Door een octrooi verkrijgt de onderneming gedurende maximaal 20 jaar het alleenrecht om de uitvinding commercieel te exploiteren. Er is hier sprake van een wettelijk monopolie. Octrooien leiden tot welvaartsverliezen omdat de prijs hoger is dan in een situatie van volkomen concurrentie, maar stimuleren tegelijkertijd innovaties die zorgen voor economische groei.

Gebrekkige informatie en marktfalen
Asymmetrische informatie kan ertoe leiden dat markten (tweedehandsauto’s) niet goed functioneren.

links
Bespreking LWEO-lesbrief Mobiliteit hfd 4 opgave 2 en 4 (video 32 min.)
Hoe ver reikt de macht van een multinational (video 51 min.)
Afromen van consumentensurplus (video 7 min.)
Economie en markt (video 27 min.)
Hoezo samen delen (video 12 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

asymmetrische informatie
De ene partij beschikt over meer informatie dan de andere partij.
averechtse selectie
Alleen mensen met een verhoogd risico (‘slechte risico’s’) gaan zich verzekeren, omdat voor voorzichtige of risicomijdende mensen (‘goede risico’s’) de kosten van verzekeren hoger zijn dan de verwachte uitkering.
fusie
Bedrijven gaan samen in een nieuw bedrijf.
kartel
Aanbieders maken onderling afspraken met als doel de concurrentie te verminderen.
marktmacht
Het vermogen om prijzen te beïnvloeden.
octrooi
Het alleenrecht op het commerciële gebruik van een uitvinding.
overname
sterk bedrijf koopt een zwakker bedrijf op, meestal door meer dan de helft van de aandelen op te kopen.
prijsdiscriminatie
Producenten vragen verschillende prijzen vragen aan verschillende groepen consumenten voor hetzelfde product. Dit kan alleen als de deelmarkten strikt gescheiden zijn.
wettelijk monopolie
Een producent heeft door een patent of octrooi het alleenrecht op de productie van een goed of dienst.

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)