LWEO

hoofdstuk 2

hoofdstuk 2

Het ontstaan van geld en banken

Op een gegeven moment in de geschiedenis gingen mensen meer produceren dan ze voor hun eigen behoeften nodig hadden en ontstond er arbeidsdeling en ruil. Voor ruil buiten de eigen leefgemeenschap was er behoefte aan indirecte ruil, ruil met een ruilmiddel. De ruilmiddelen zijn de voorlopers van ons geld. De rode draad in de historische ontwikkeling van het geld is het streven naar een vermindering van de transactiekosten.

Munten van edelmetaal bleken een goed ruilmiddel. In de late middeleeuwen ontstond een nieuwe geldsoort, het bankbiljet. Kooplieden gaven hun (gouden) munten bij goudsmeden in bewaring. De koopman kreeg daarvoor een ontvangstbewijs met daarop de waarde van het edelmetaal dat hij in bewaring had gegeven. Het ontvangstbewijs was een bewijs dat je een vordering had op de goudsmid. Met het ontvangstbewijs kon de koopman weer elders goederen kopen. Op die manier bleven de ontvangstbewijzen in omloop. Omdat die gouden munten nooit volledig opgevraagd werden kon de goudsmid een groter bedrag aan ontvangstbewijzen uitgeven dan hij goud beheerde. Zo ontwikkelde de goudsmid zich tot bankier. De ontvangstbewijzen heten sindsdien bankbiljetten.

Tot op zekere hoogte herhaalde de ontwikkeling van het bankbiljet zich bij het giraal geld. Houders van chartaal geld konden met hun geld een betaalrekening openen bij een bank. Zo kreeg de klant een tegoed bij die bank, waarmee hij andere rekeninghouders kon betalen door middel van overschrijvingen. In de praktijk bleek het niet nodig de girale tegoeden volledig te dekken door chartaal geld omdat slechts een klein deel van de tegoeden wordt opgevraagd. Om te voorkomen dat banken overmatig kredieten verlenen houdt de centrale bank toezicht op de banken en ons geldstelsel.

links
Willem Wever over waarom geld is ontstaan (video 25 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

activa
Bezittingen.
arbeidsdeling
Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot.
centrale bank
Bank van de banken, die monetair beleid uitvoert, toezicht uitoefent op financiële instellingen, voor de uitgifte van bankbiljetten zorgt en de deviezenvoorraad
depositogarantiestelsel
De garantie dat een deel van het door klanten gespaarde vermogen wordt terug betaald bij een faillissement van een bank.
directe ruil
Ruil waarbij goederen of diensten zonder tussenkomst van geld rechtstreeks geruild worden tegen goederen of diensten.
eigen vermogen
Het door de eigenaren ingebrachte geld. Het eigen vermogen bestaat uit de waarde van de bezittingen van een persoon of bedrijf minus de schulden van die persoon of dat bedrijf.
fiduciair geld
Geld dat aanvaard wordt doordat men vertrouwen heeft dat er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden.
girale kredieten
Banken scheppen giraal geld, waarbij chartaal geld als dekkingsmiddel fungeert. In de praktijk worden girale tegoeden niet volledig gedekt door chartaal geld, omdat slechts een klein deel van de tegoeden als kasgeld wordt opgevraagd.
indirecte ruil
Goederen worden geruild tegen geld.
institutionele beleggers
Bedrijven (pensioenfondsen en verzekerings-maatschappijen) die geld beleggen in bijvoorbeeld aandelen en vastgoed voor grote groepen beleggers.
intrinsieke waarde
Materiaalwaarde van een munt.
liquide
Iemand is liquide als hij/zij in staat is aan alle direct opeisbare betalingsverplichtingen te voldoen.
nominale waarde
Waarde die op een munt of een bankbiljet vermeld staat.
passiva
Verschafte middelen waarmee de bezittingen zijn gefinancierd. Het vermogen van een onderneming.
ruil in natura
Zie: directe ruil.
solvabel
Een bank is solvabel als er voldoende eigen vermogen tegenover het vreemd vermogen staat.
transactiekosten
Alle kosten die samenhangen met het tot stand komen en afwikkelen van een ruil.
wettig betaalmiddel
Bankbiljetten uitgegeven door de centrale bank.

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)