LWEO

hoofdstuk 4

hoofdstuk 4

Inflatie

De centrale bank streeft naar prijsstabiliteit, een inflatie van dichtbij maar net onder de 2%. Het CBS onderzoekt iedere maand de verandering van de consumentenprijsindex (CPI). De verandering noemen we inflatie of deflatie (als de CPI daalt). Het gevaar van deflatie is dat consumenten en producenten hun bestedingen uitstellen en wachten op verdere prijsdalingen. Hierdoor daalt de productie en de werkgelegenheid. Bij extreem hoge prijsstijgingen, hyperinflatie, kunnen mensen hun vertrouwen in het geldstelsel verliezen. De centrale bank houdt de prijsveranderingen daarom goed in het oogde gaten.

Het gevolg van inflatie is dat het geld reëel minder waard wordt. Met hetzelfde geld kun je minder kopen dan voorheen: je koopkracht is gedaald. Dit is nadelig voor bezitters van (geld)vermogen zoals pensioenen. Om te compenseren voor inflatie krijg je rente op je spaargeld. Pensioenen worden vaak geïndexeerd zodat de koopkracht van gepensioneerden gelijk blijft.

Inflatie kan ontstaan via de vraag- en via de aanbodkant van een de economie. Als bestedingen stijgen tot boven de grens van de productiecapaciteit ontstaat er bestedingsinflatie. Wanneer ondernemers hogere productiekosten doorberekenen in hun prijzen spreken we van kosteninflatie.

links
Prijsstabiliteit (video 8 min.)
Prijsstabiliteit (PDF)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 4

bestedingsinflatie
Prijsstijging die ontstaat als de bestedingen groter worden dan de productiecapaciteit.
budgetonderzoek
Onderzoek naar de bestedingsgewoonten van een modaal gezin. Op dit onderzoek worden de wegings-factoren van het CPI gebaseerd.
consumentenprijsindex (CPI)
Maatstaf voor inflatie. Het CPI geeft aan hoeveel procent de kosten van levensonderhoud in een jaar hoger zijn dan in het basisjaar.
deflatie
Daling van het algemeen prijsniveau.
dekkingsgraad
De mate waarin een pensioenfonds aan zijn pensioen-verplichtingen kan voldoen.
geïmporteerde kosteninflatie
Prijsstijging als gevolg van doorberekening van gestegen kosten van ingevoerde producten.
geïndexeerd Meestijgen met de inflatie, bijvoorbeeld pensioenen of lonen stijgen mee met de inflatie en zijn daarmee waarde-vast.
geldontwaarding
Daling van de koopkracht van het geld.
hyperinflatie
Extreem hoge prijsstijgingen.
inflatie
Stijging van het algemeen prijsniveau.
koopkracht
De reële waarde van het geld. De hoeveelheid goederen en diensten die je met geld kunt kopen.
kosteninflatie
Inflatie door het doorberekenen van hogere productie-kosten in de prijzen.
loonkosteninflatie
Inflatie door het doorberekenen van hoger loonkosten in de prijzen.
nominale rente
Rentepercentage dat de bank geeft of vraagt voor sparen of lenen.
onderbesteding
De totale bestedingen zijn lager dan (de normale bezetting van) de productiecapaciteit.
overbesteding
De totale bestedingen zijn groter dan (de normale bezetting van) de productiecapaciteit.
reële rente
De nominale rente gecorrigeerd voor inflatie. Dit rentepercentage geeft aan met hoeveel procent de koopkracht van het spaargeld per periode is veranderd.
reële waardevermindering
Daling van de koopkracht van geld.
waardevast
Uitkeringen/pensioenen zijn waardevast als ze met hetzelfde percentage stijgen als het inflatiepercentage.
welvaartsvast
Uitkeringen/pensioenen zijn welvaartsvast als ze met hetzelfde percentage stijgen als de gemiddelde stijging van de cao-lonen.

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)