LWEO

hoofdstuk 6

hoofdstuk 6

Overige markten

De arbeidsmarkt
Op de arbeidsmarkt komen vraag naar arbeid en aanbod van arbeid bij elkaar. De prijs die op de arbeidsmarkt tot stand komt, is het loon. Voor de vragers naar arbeid is loon een kostenpost en voor de aanbieders van arbeid is het loon inkomen. Het aanbod van arbeid of de beroepsbevolking bestaat uit de bezette banen (werkgelegenheid) en de mensen die op zoek zijn naar een baan, de werklozen. De werkloosheid is dus het verschil tussen de beroepsbevolking en de werkgelegenheid. De vraag naar arbeid(skrachten) omvat de vraag naar werknemers door bedrijven (inclusief zelfstandigen) en de overheid. Het grootste deel van de vraag wordt ingelost, de werkgelegenheid. Het overige deel van de vraag blijft onvervuld, de vacatures. De vraag naar arbeid bestaat dus uit de werkgelegenheid + de vacatures. De arbeidsmarkt is voortdurend onderhevig aan veranderingen in vraag en aanbod. Groeit de werkgelegenheid plus vacatures harder dan de beroepsbevolking dan spreken we van een verkrapping van de arbeidsmarkt. Bij een verkrapping van de arbeidsmarkt wordt de verhouding tussen vraag en aanbod groter. Als de beroepsbevolking harder groeit dan de werkgelegenheid plus de vacatures is er sprake van een verruiming van de arbeidsmarkt. De verhouding tussen vraag en aanbod wordt dan kleiner. Het is mogelijk dat op de ene deelmarkt van de arbeidsmarkt een verruiming plaatsvindt en tegelijkertijd op de andere deelmarkt een verkrapping.

Loonelasticiteit van het arbeidsaanbod

procentuele verandering van het arbeidsaanbod
loonelasticiteit van het arbeidsaanbod = ———————————————————
procentuele verandering van het loon

Het arbeidsaanbod is in het algemeen tamelijk looninelastisch. Dat wil zeggen dat het arbeidsaanbod zwak reageert op een verandering van het loon. De loonelasticiteit kan per beroepsgroep verschillen. Bij sommige beroepen kan het arbeidsaanbod op korte termijn niet sterk vergroot worden.

Loon en vraag naar arbeid
Net als het aanbod van arbeid is ook de vraag naar arbeid afhankelijk van de hoogte van het loon. We gaan ervan uit dat een ondernemer streeft naar een zo hoog mogelijke winst. Een ondernemer zal doorgaan met het aantrekken van werknemers, zolang de opbrengst van een extra werknemer groter is dan de kosten van die werknemer. Een stijging van het loon kan tot gevolg hebben dat de loonkosten van een werknemer hoger zijn dan de opbrengst van die werknemer. De ondernemer zal die persoon ontslaan om zo weer de maximale winst te behalen.

Loonelasticiteit van de arbeidsvraag

procentuele verandering van de arbeidsvraag
loonelasticiteit van de arbeidsvraag = ———————————————————
procentuele verandering van het loon

Evenwicht op de arbeidsmarkt
Zolang de gevraagde hoeveelheid arbeid afwijkt van de aangeboden hoeveelheid arbeid zal het loon zich via het marktmechanisme aanpassen totdat het loonniveau Le is bereikt. Grafisch gezien vindt er zowel langs (over) de vraaglijn als langs (over) de aanbodlijn een verschuiving plaats. Tot nu toe zijn we ervan uitgegaan dat vraag naar en aanbod van arbeid alleen afhankelijk zijn van de hoogte van het loon. In werkelijkheid zijn er ook andere factoren die vraag en aanbod op de arbeidsmarkt beïnvloeden. Als deze factoren veranderen, verschuift de vraaglijn en/of de aanbodlijn naar links of naar rechts.
 
Evenwicht op de ABM

Vermogensmarkt
Sparen en lenen
Sparen is het niet besteden van inkomen. Een deel van het huidige (besteedbaar) inkomen wordt niet nu geconsumeerd, maar doorgeschoven naar een later tijdstip. Door te sparen wordt vermogen opgebouwd. Sparen is een voorbeeld van ruilen over de tijd of intertemporele ruil: de consumptie van nu ruilen voor de consumptie in de toekomst. Lenen is het tegenovergestelde van sparen. Door te lenen ontvang je geld dat je later terug moeten betalen. Het stelt je in staat nu meer te consumeren dan je huidig inkomen. Je haalt consumptie naar voren. Ook hier is sprake van ruilen over de tijd: consumptie in de toekomst ruilen voor de consumptie van nu. Sparen en lenen hebben beide hun prijs. Een spaarder heeft een lage tijdsvoorkeur, hij is ‘geduldig’ en stelt zijn consumptie uit. Hij wil wel een vergoeding voor het afstaan van geld. Die vergoeding noemen we rente. Een lener heeft een hoge tijdsvoorkeur, hij is ‘ongeduldig’ en haalt consumptie in de tijd naar voren. Hij is bereid een prijs te betalen, omdat hij nu over een hoger bedrag kan beschikken dan zijn huidige inkomen. Deze prijs noemen we ook rente. Bij de keuze of je wilt sparen of lenen spelen de opofferingskosten een rol.

De eindwaarde van een bedrag geeft aan hoeveel een huidig bedrag in de toekomst waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage. Het rentepercentage wordt daarbij verwerkt in de groeifactor van het huidige bedrag. Dus als het huidige bedrag € 2.000 bedraagt en het rentepercentage bedraagt 4%, dan is de eindwaarde over 5 jaar te berekenen met € 2.000 x 1,045. De contante waarde van een bedrag geeft juist weer hoeveel een bedrag in de toekomst op dit moment waard is, gerekend met een bepaald rentepercentage. Dus € 2.000 over 6 jaar bij een rentepercentage van 3% heeft op dit moment een contante waarde van € 2.000/1,036.

Vraag en aanbod op de vermogensmarkt
Op de vermogensmarkt, een abstracte markt, komen vraag naar en aanbod van geld(vermogen) samen. Marktpartijen met een geldtekort vragen geld en marktpartijen met een geldoverschot bieden geld aan. De prijs die op de vermogensmarkt tot stand komt, noemen we rente. De vermogensmarkt is in evenwicht als vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn. Als de rente een waarde heeft die afwijkt van de evenwichtsrente zal via de werking van het prijsmechanisme een aanpassingsproces in gang gezet worden, zodanig dat er een evenwicht ontstaat. Naast de rentevoet bepalen ook andere factoren de vraag naar en het aanbod van geld. Je kunt hierbij denken aan hoe de nationale economie er voor staat, de hoogte van de belastingtarieven, inflatieverwachtingen en de tijdsvoorkeur. Als deze factoren veranderen, kan dat leiden tot een verschuiving van de vraaglijn en/of aanbodlijn van geld.

De valutamarkt
Indien internationale geldstromen plaats vinden tussen landen met een verschillende valuta, zal de valuta van het ene land omgeruild moeten worden tegen de valuta van het andere land. Dat omruilen gebeurt op de internationale valutamarkt. Op de valutamarkt wordt via vraag naar en aanbod van valuta, de prijs van een valuta bepaald. De prijs van een valuta, uitgedrukt in een andere valuta, noemen we de wisselkoers.

De hoogte van de wisselkoers van een valuta wordt – net als op andere markten – bepaald door vraag en aanbod. Vraag naar euro’s ontstaat bijvoorbeeld als particulieren of bedrijven uit niet-eurolanden euro’s nodig hebben om in de eurozone goederen of diensten te kopen of om in de eurozone te beleggen. Aanbod van euro’s ontstaat als particulieren of bedrijven uit de eurozone hun euro’s om moeten wisselen in andere valuta om in niet-eurolanden goederen of diensten te kopen of om in niet-eurolanden te beleggen.

Als de vraag naar een valuta hoger is dan het aanbod van een valuta, zal de prijs van die valuta, de wisselkoers, stijgen. Dit noemen we een appreciatie. Als de vraag naar een valuta kleiner is dan het aanbod van een valuta, zal de wisselkoers dalen. Er is dan sprake van een depreciatie. Als de wisselkoers van een valuta verandert, kan dat grote consequenties hebben voor de economie van het land met de betreffende valuta. Zo heeft een koersdaling van de euro voor de eurozone verschillende gevolgen:

  • De prijzen van producten uit de eurozone zullen -omgerekend in buitenlandse valuta- dalen. Hierdoor kan de export van de eurozone toenemen, hetgeen kan leiden tot een toename van de werkgelegenheid en het bbp van de eurozone.
  • De prijzen van producten van buiten de eurozone zullen -omgerekend in euro’s- stijgen, waardoor de hoeveelheid geïmporteerde goederen en diensten af zal nemen.
  • Omdat de gestegen importprijzen doorberekend worden in de verkoopprijzen, zal het gemiddelde prijspeil in de eurozone toenemen en is er dus sprake van een hogere inflatie in de eurozone.

Het omgekeerde is het geval bij een koersstijging van de euro.

De valutamarkt kan ook als een marktmodel worden weergegeven, waarbij de vraag naar en het aanbod van een bepaalde valuta in een stelsel van vergelijkingen wordt weergegeven. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de valutamarkt steeds in evenwicht komt.

links
De arbeidsmarkt (video 15 min.)
Vraag en aanbod (video 9 min.)
Hoe teken ik een aanbodlijn (video 9 min.)
Arbeidsmarkt (video 2 min.)
Sparen en lenen (video 5 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 6


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)