LWEO

hoofdstuk 2

hoofdstuk 2

Het internationale economische verkeer

Globalisering
Globalisering is de internationale vervlechting van het economisch verkeer. Goederenverkeer betreft de uitvoer en invoer van goederen. De handelsbalans geeft een overzicht van de waarde van de goederenuitvoer en de waarde van de goedereninvoer van een land in een bepaald jaar. Als de waarde van de goederenuitvoer groter is dan de waarde van de goedereninvoer is er sprake van een handelsoverschot, omgekeerd is er sprake van een handelstekort. (Soms definieert men de handelsbalans als een overzicht van de waarde van de export en import van goederen én diensten).

Wederuitvoer omvat de goederen die ingevoerd zijn, tijdelijk eigendom worden van een Nederlands bedrijf en vervolgens na een kleine bewerking worden uitgevoerd. De toegevoegde waarde van de wederuitvoer is laag. Per euro is dat 8 cent, terwijl de export van eigen producten maar liefst 54 cent per euro bijdraagt aan het bbp. In de loop van de tijd is de wederuitvoer in procenten van de totale export gestegen van 33% in 1995 naar 48% in 2011. De wederuitvoer wordt als uitvoer geregistreerd omdat het eigendom tijdelijk in handen komt van een Nederlands bedrijf. Worden dit soort goederen geen Nederlandse eigendom, dan is er sprake van doorvoer. Doorvoer wordt niet geregistreerd op de handelsbalans.

Naast goederenverkeer onderscheiden we het dienstenverkeer. Het dienstenverkeer wordt ook wel onzichtbare handel genoemd. Het belang van de buitenlandse handel komt tot uitdrukking in de exportquote en de importquote. Beiden zijn een indicator voor de openheid van een economie.
De exportquote = (exportwaarde/bbp) × 100%, de importquote = (importwaarde/bbp) × 100%.
Kapitaalverkeer betreft grensoverschrijdende kapitaalstromen. Hierbij onderscheiden we geldstromen die betrekking hebben op buitenlandse beleggingen en die te maken hebben met directe buitenlandse investeringen. Buitenlandse beleggingen zijn bedoeld om inkomen te verdienen (rente, dividend) of het vermogen te vergroten via koerswinsten.

Bij outsourcing worden taken uitbesteed aan een bedrijf in een ander land. De producten of onderdelen worden ingekocht bij een buitenlands bedrijf. Bij offshoring wordt (een deel van) het productieproces verplaatst naar een ander land. De multinational is eigenaar van de productievestiging.

Handelstheorie
De comparatieve kostentheorie
Volgens David Ricardo moet elk land zich toeleggen op het product met de laagste opofferingskosten. De theorie van Ricardo staat bekend als de theorie van de comparatieve kostenverschillen, ook wel relatieve kostenverschillen genoemd. Volgens deze theorie zal een land zich specialiseren in die goederen waarbij het een comparatief kostenvoordeel heeft. Als twee landen zich specialiseren en daarna met elkaar gaan ruilen, kunnen beide landen over dezelfde producten beschikken als in de oorspronkelijke situatie. Voorwaarde is wel dat er sprake is van comparatieve kostenverschillen en dat de internationale ruilverhouding moet liggen binnen de grenzen van de binnenlandse ruilverhouding. Tot slot een relativering van de comparatieve kostentheorie. Volgens deze theorie zal een land met een comparatief voordeel de gehele productie naar zich toetrekken. Bij die theorie gaat men uit van homogeniteit van de producten, maar in de praktijk zijn de producten veelal heterogeen.

De oorzaken van kostenverschillen
De internationale handel en de internationale arbeidsverdeling is voor een belangrijk deel gebaseerd op het bestaan van comparatieve kostenverschillen. Landen leggen zich toe op sectoren waarin zij een relatief hoge productiviteit hebben. Van grote invloed op het kostenniveau is de beschikbaarheid van productiefactoren zoals natuurlijke hulpbronnen, arbeid, kapitaal en ondernemerschap en dit zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht.

Arbeidsmigratie
West-Europa verandert van een emigratie- in een immigratiegebied. Immigratie leidt tot een hogere welvaart en een herverdeling van looninkomen naar kapitaalinkomen. De positie van de werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt verslechtert als gevolg van de toestroming van werknemers uit andere landen. Als ook hoger opgeleiden emigreren, ontstaat kennisvlucht of braindrain: landen verliezen hun hoogst opgeleide arbeidskrachten aan het buitenland, arbeidskrachten waarin die landen via onderwijs veel geld hebben geïnvesteerd.

Handelspolitiek, vrijhandel versus protectie
Veel economen zijn voorstander van vrijhandel. Ze wijzen erop dat de internationale arbeidsverdeling zich het beste kan ontwikkelen bij volledige vrijhandel. Er is vrijhandel als de internationale handel niet wordt belemmerd. Door specialisatie wordt er dan geproduceerd in de landen die relatief het goedkoopst kunnen produceren. De allocatie (aanwending) van productiefactoren op wereldschaal is bij vrijhandel het meest efficiënt. Protectie vervalst de concurrentie en leidt tot verlies van efficiëntie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen tarifaire en non-tarifaire protectie. Er zijn ook argumenten voor protectie. Protectie kan voorkomen dat vitale bedrijfstakken worden weggeconcurreerd of overgenomen door buitenlandse bedrijven en protectie beschermt nieuwe industrieën in de beginfase.

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 2

administratieve handelsbelemmeringen
De toegang van buitenlandse producten tot de binnenlandse markt moeilijk maken door kwaliteitseisen aan die producten te stellen en door administratieve rompslomp aan de grens.
allocatie
De manier waarop productiefactoren worden ingezet bij het fabriceren van goederen.
arbeidsverdeling (arbeidsdeling)
Het splitsen van het productieproces in kleinere onderdelen waardoor de arbeidsproductiviteit kan worden vergroot.
comparatief kostenvoordeel
Een land kan een bepaald product relatief goedkoper produceren dan een handelspartner in vergelijking met andere producten, zelfs wanneer de handelspartner alles voordeliger kan produceren dan dat land.
dienstenverkeer
De handel in producten die niet tastbaar zijn.
dumping
Het exporteren van producten tegen een lagere prijs dan de kostprijs.
gesloten economie (autarkie)
Een economie zonder export en import.
goederenverkeer
De handel in producten.
invoer (import)
Het kopen van goederen in het buitenland.
invoerheffing Belasting op geïmporteerde goederen die wordt doorberekend in de prijs.
invoerquote
Waarde van de invoer van goederen en diensten in procenten van het bbp.
invoerquotum (invoercontingent)
Maximale hoeveelheid goederen die mag worden ingevoerd.
invoervolume
De hoeveelheid goederen (in aantal, kilo’s, liters, enz.) die worden ingevoerd.
kapitaalverkeer
Betalingen door investeringen en beleggingen.
menselijk kapitaal (human capital)
Het geheel aan kennis, ervaring en vaardig¬heden van de beroepsbevolking.
offshoring
(een deel van) Het productieproces wordt verplaatst naar een ander land.
open economie
Er is in verhouding tot het bbp veel buiten¬landse handel.
outsourcing
Productietaken worden uitbesteed aan een bedrijf in een ander land.
protectie
Maatregelen ter bevordering van de export en belemmering van de import.
saldo handelsbalans
Het verschil tussen de waarde van de goederen(- en diensten)uitvoer en de waarde van de goederen(- en diensten)invoer.
schaalvoordelen
Kostenvoordelen die ontstaan door productie op grote schaal.
uitvoer (export)
Het verkopen van goederen en diensten aan het buitenland.
uitvoerquote
(= exportquote) Waarde van de uitvoer van goederen en diensten in procenten van het bbp.
uitvoersubsidie
(= exportsubsidie) Subsidie aan binnenlandse producenten zodat ze kunnen concurreren met buitenlandse producenten.
uitvoervolume
De hoeveelheid goederen (in aantal, kilo’s, liters, enz.) die worden uitgevoerd.
verloren surplus (deadweight loss)
De afname van het totale surplus als gevolg van inefficiënties.
vrijhandel Internationale handel zonder belemmeringen.
wederuitvoer
Goederen die geïmporteerd worden in Nederland en vervolgens weer worden geëxporteerd naar een derde land.
WTO (World Trade Organisation)
Organisatie die zich inzet voor vrijhandel.