LWEO

hoofdstuk 3

hoofdstuk 3

Betalingsbalans en wisselkoers

De betalingsbalans
De betalingsbalans is een systematisch overzicht van ontvangsten van het buitenland en de uitgaven aan het buitenland in een bepaalde periode. De betalingsbalans gaat meestal over een land, maar soms ook over een groep landen, zoals het eurogebied. De geldstromen met het buitenland worden verdeeld over:
• de lopende rekening: hier staan geldstromen die van invloed zijn op het nationaal inkomen;
• de kapitaalrekening: hier staan geldstromen – kapitaalimport en kapitaalexport – die geen directe invloed hebben op het nationaal inkomen.

De lopende rekening
Op de lopende rekening van de betalingsbalans wordt de waarde van de internationale handel in goederen en diensten en de internationale overboekingen van inkomens van een land (of landengroep) geregistreerd. Het zijn geldstromen. Elke inkomende geldstroom is een ontvangst en elke uitgaande geldstroom een uitgave op de betalingsbalans. Als de ontvangsten groter zijn dan de uitgaven spreken we van een overschot op de lopende rekening. Zijn de ontvangsten kleiner dan de uitgaven dan is er een tekort op de lopende rekening.

De kapitaalrekening
Op de kapitaalrekening van de betalingsbalans worden internationale investeringen, leningen en beleggingen geboekt. Deze kapitaalexport van het eurogebied wordt geboekt aan de uitgavenkant van de kapitaalrekening. Als de ontvangsten groter zijn dan de uitgaven is er een overschot op de kapitaalrekening, als de ontvangsten kleiner zijn, is er een tekort. De lopende rekening en de kapitaalrekening vormen samen de betalingsbalans. Het saldo van de totale betalingsbalans noemen we het materieel saldo.

Een betaling aan het buitenland betekent dat de voorraad internationale betaalmiddelen van de ECB (deviezenvoorraad of valutareserve) afneemt. Betalingen van het buitenland aan het eurogebied leiden tot een toename van de valutareserve van de ECB. Een materieel overschot op de betalingsbalans betekent dat de totale ontvangsten uit het buitenland groter zijn dan de totale uitgaven aan het buitenland, zodat de valutareserve per saldo toeneemt. Het saldo op de lopende rekening heeft invloed op de kapitaalrekening en omgekeerd. Landen met tekorten op de lopende rekening lenen van landen met een overschot op de lopende rekening. Er stroomt kapitaal van het overschotland naar het tekortland. Tekorten op de lopende rekening gaan dus vaak samen met overschotten op de kapitaalrekening. De leningen die geboekt worden op de kapitaalrekening, leiden tot toekomstige rentebetalingen op de lopende rekening. Evenzo leiden de investeringen die geboekt worden op de kapitaalrekening in de toekomst tot winstuitkeringen die op de lopende rekening staan.

Valutamarkt en wisselkoers
De wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt. De prijs van een munt, de wisselkoers, wordt bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt. Een stijging van de wisselkoers door veranderingen van vraag en aanbod op de valutamarkt heet een appreciatie, een daling van de wisselkoers heet een depreciatie. Export van producten uit de eurozone leidt tot vraag naar euro’s op de valutamarkt. Ook als buitenlandse bedrijven of particulieren in de eurozone beleggen, sparen of investeren, hebben zij euro’s nodig.

Import uit de VS leidt tot aanbod van euro’s en vraag naar dollars. Ook als Europeanen in het buitenland beleggen, sparen of investeren leidt dit tot aanbod van euro’s op de valutamarkt. Alle ontvangsten op de betalingsbalans gaan gepaard met vraag naar de munt op de valutamarkt en alle uitgaven tot aanbod van de munt op de valutamarkt. Als landen een materieel overschot op de betalingsbalans hebben, zal de koers van hun munt stijgen, omdat de vraag naar de munt op de valutamarkt groter is dan het aanbod.  Veranderingen van wisselkoersen hebben invloed op de omvang van de internationale handel en daarmee op de productie en de werkgelegenheid. Als de wisselkoers van de euro daalt, worden de producten uit het eurogebied goedkoper voor niet-eurolanden. De internationale concurrentiepositie van het eurogebied is dus verbeterd. De omvang van de Europese export naar de VS zal toenemen. Door een daling van de koers van de euro zal tevens de import van het eurogebied uit de VS afnemen, omdat de Amerikaanse producten voor het eurogebied duurder worden. Wisselkoersen en prijzen hebben wederzijds invloed op elkaar. Als de inflatie in de eurolanden hoog is ten opzichte van andere landen, dan verslechtert de internationale concurrentiepositie van de eurolanden. Er zal minder vraag zijn naar exportproducten van de eurolanden. De vraag naar euro’s op de valutamarkt zal dalen en de wisselkoers daardoor ook. Inflatie kan zich voordoen als grondstofkosten en loonkosten van de bedrijven stijgen en bedrijven deze kosten doorberekenen in hun prijzen. We spreken dan van kosteninflatie. Een verandering van de wisselkoers heeft ook invloed op het binnenlands prijspeil. Als de euro apprecieert, worden geïmporteerde producten voor de eurolanden goedkoper. Als deze daling van de importprijzen wordt doorberekend in de binnenlandse prijzen, zal de inflatie in de eurolanden laag blijven.

Wisselkoerssystemen en wisselkoersbeleid
Flexibele wisselkoersen

Bij flexibele wisselkoersen wordt de wisselkoers uitsluitend bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt.  Het nadeel is dat ze onzekerheid veroorzaken en dus risico’s voor exporteurs en importeurs.

Beperkt zwevende wisselkoersen
Landen kunnen afspreken dat hun wisselkoersen onderling slechts beperkt mogen schommelen. Een voorbeeld hiervan is de Deense kroon ten opzichte van de euro. Er wordt dan een wisselkoers vastgesteld, de spilkoers of pariteit. De feitelijke wisselkoers mag slechts binnen bepaalde marges (bandbreedte) schommelen rond de spilkoers. Als de wisselkoers buiten de bandbreedte belandt, wordt er ingegrepen door te interveniëren. De verlaging van de officieel vastgesteld wisselkoers door de monetaire autoriteiten heet devaluatie. Een stijging van de officieel vastgestelde wisselkoers heet revaluatie.

Wisselkoersbeleid
De centrale bank kan de wisselkoers direct beïnvloeden door het kopen of verkopen van de eigen munt op de valutamarkt. Ze kan de wisselkoers ook indirect beïnvloeden door het rentebeleid. Als de centrale bank van Denemarken de rente verhoogt, wordt het voor buitenlandse beleggers aantrekkelijk om te gaan beleggen in Denemarken. Buitenlandse beleggers wisselen hun eigen munt in voor Deense kronen waardoor de vraag naar Deense kronen stijgt. Omdat het voor de Deense belegger minder aantrekkelijk is om in het buitenland te beleggen, neemt het aanbod van Deense kronen af. Door stijging van de vraag naar Deense kronen op de valutamarkt en daling van het aanbod zal de wisselkoers van de Deense kroon stijgen. De hoogte van de rente heeft ook invloed op de bestedingen van een land (hoge rente, lagere bestedingen en lage rente, hogere bestedingen). De invloed op de bestedingen kan tegengesteld zijn aan wat uit conjunctureel oogpunt gewenst is.

Vaste wisselkoersen
Bij een vaste wisselkoers is er een vaste ruilverhouding of pariteit tussen de munten van twee landen. Er is dan geen bandbreedte waarbinnen de koers kan schommelen en vraag en aanbod op de valutamarkt hebben geen invloed op de wisselkoers.

Geloofwaardige wisselkoersafspraken
Centrale banken hebben als belangrijkste doelstelling het beperken van de inflatie. Hoge inflatie leidt tot een slechtere concurrentiepositie waardoor de export daalt en de betalingsbalans verslechtert. Bij het beperken van inflatie spelen enkele zaken een rol als:
• de centrale bank moet de geldhoeveelheid in toom houden;
• de overheid moet haar tekorten beperkt houden;
• de loonkosten per product mogen niet te sterk stijgen.

links
Wisselkoersen en koopkrachtpariteit (video 28 min.)
Valutahandel (video 24 min.)
Betalingsbalans (video 22 min.)
Wisselkoersen (video 12 min.)

begrippenlijst

Begrippenlijst hoofdstuk 3


— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — 

extra oefenopgaven

Extra oefenopgaven (Word)